Chr. Huygens | < Oeuvres VI > | De Sluse

1657-59 , 1660 , 1662-63 , 1664-65 , 1666 - 1668 , 1670-72 , 1674



Vertaling van de

Briefwisseling met R. F. de Sluse




[ 43 ]

No 1544.

R. F. de Sluse aan Christiaan Huygens.

8 juni 1666.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Gepubliceerd door C. le Paige in Bull. di Bibliogr. T.
17, p. 619.


    Nobilissime Domine

  Onlangs zijn bij mij gekomen de twee zeer ontwikkelde jongelieden uit Hamburg*) van wie u deze brief zult ontvangen, en uit naam van vrienden van wie de meesten voor u en mij gemeenschappelijk zijn hebben ze met bijzondere beleefdheid een groet gebracht. En daar ze, na Italië, Frankrijk en Spanje te hebben doorkruist, besloten hebben ook de provincies van de Nederlanden te bezoeken, en vooral u als roemrijk persoon op te zoeken°), wilde ik hen niet weg laten gaan zonder een brief van mij; niet om hen aan te bevelen aan u, ik vertrouw erop dat ze om hun eigen verdienste voor u heel welkom zullen zijn, maar om bij deze gelegenheid te betuigen met welke constante genegenheid ik met u verbonden ben.

  De drie in Italië uitgegeven Astronomische Brieven die ik het afgelopen jaar naar u heb gestuurd 1) zijn aan u geleverd, neem ik aan.
  Lang heb ik uw oordeel verwacht over de Waarnemingen die ze bevatten, om het desgewenst naar Rome te schrijven; maar ik heb niets ontvangen, misschien omdat u, door belangrijker


1)  Zie brief No. 1506 van 11 december 1665.
[ *)  Een van de twee was misschien Martinus Fogelius, die door de Sluse genoemd wordt in een brief aan Sorbiere (13 aug. 1666), zie BNF, Ms lat. 10352, II, f.205r.]
[ °)  Chr. Huygens was 21 april 1666 naar Parijs vertrokken en daar 4 juni aangekomen.]

[ 44 ]

werk bezet, voor deze studies niet de vrijheid heeft kunnen of althans willen nemen. Ik bied evenwel mijn medewerking weer aan, wanneer het u uitkomt, en ik onderteken met de gebruikelijke formule

Tui observantissimum  
Renatum Franciscum Slusium.

  Dabam Leodicj viii Juny
    MDCLxvi.



[ 262 ]

No 1662.

R. F. de Sluse aan Christiaan Huygens.

23 september 1668.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Gepubliceerd door C. le Paige in Bull. di Bibliogr. T.
17, p. 620.


Nobilissimo et Clarissimo Viro D. Christiano Hugenio a Zulichem
Renatus Franciscus Slusius S.

  Mijn wat netter herdrukte Mesolabum 1) stuur ik u, weledele heer, die gewend was van mijn bezigheden te denken dat ze beuzelarijen waren. Ik heb er nog een deel 2) en tenslotte Miscellanea 3) aan toegevoegd op verzoek van de drukker 4), die het boekje enige omvang heeft willen geven. Maar nu ik hem zijn zin geef, vrees ik dat ik slecht voor mijn zaakjes gezorgd heb; hij heeft me namelijk deze zomer zo in het nauw gebracht, dat hij me nauwelijks de tijd heeft gegeven te herlezen wat ik geschreven had. Want ik heb in aller ijl uit mijn papieren geplukt, wat ik voor mezelf had opgetekend, en wat ik met meer zorg had kunnen uiteenzetten, als het ooit bij me was opgekomen dat het in het licht zou komen.
Toch was het aangenaam de oude studies in de herinnering terug te roepen, waarvan ik allang afscheid had genomen; en toen ik schreef moest ik dikwijls met veel dankbaarheid aan u denken. Ondertussen zal ik alle punten behaald*) lijken te hebben als deze pogingen van mij u bevallen. Zo niet, dan zult u ze welwillend verontschuldigen, zoals u gewoon bent volgens uw vriendelijkheid.
Het ga u goed, weledele heer, en ga ermee door de letterkundige zaak met succes te bevorderen en mij onder uw vrienden te rekenen.

  Dabam Leodij ix Kal. Octobris MDCLXVIII.

Nobilissimo et Clarissimo Viro
D. Christiano Hugenio de Zulichem
            Parisios.


1)  Zie over dit werk brief No. 663, n.2.  [Zie ook Le Paige, p. 620, n.1.]
[ H.J.M. Bos, 'The signification of Sluse's Mesolabum within seventeenth-century geometry and algebra', Bulletin de la Société Royale des Sciences de Liège, LV, 1986, pp. 145-163.]

2)  'Pars Altera de Analysi' staat op p. 47-95.
3)  Dit Aanhangsel [p. 97-181] bevat tien hoofdstukken over verschillende krommen en rekenkundige problemen.
4)  [Add. p. 652:]  Guilielmus Henricus Streel, te Luik.
[ *)  Horatius, Ars poetica, 343: "omne tulit punctum qui miscuit utile dulci", iedereen heeft gestemd op hem die het nuttige met het aangename heeft verenigd. Eerder gebruikt in No. 563.]




[ II, 442 ]

No 641. *)

Christiaan Huygens aan R. F. de Sluse.

[...].

Concept en kopie in Leiden, coll. Huygens.
[Antwoord op No. 1662.]

Nobilissime Clarissimoque Viro D. Ren. Fr. Slusio
Chr. Hug. S.


  Een exemplaar van uw Mesolabum 1) werd mij onlangs gegeven door de goede man S. Sorbière, en ik wilde dit boekje eerst doornemen en afwegen voordat ik dank zou betuigen voor het zeer gewenste en zeer welkome geschenk; want via dezelfde Sorbière was ik al te weten gekomen dat dit onder de pers was.
Hier is dan tenslotte uw werkje in het licht verschenen met een erbij passend uiterlijk voorkomen, en vermeerderd met een passend gevolg; het bevalt me inderdaad zeer, zowel in alle opzichten, als wel vooral datgene waarmee in Mesolabum de theorie van uw methode royaal wordt aangeboden, dat niets ... 2). Ik denk dat u zich herinnert dat, toen u dit de eerste keer had uitgegeven 3), ik 4) die methode


[ *)  Verkeerd geplaatst, de brief is niet van 1659, maar van eind sept. / okt. 1668, zie T. 12, p. 106, n.68. En: in het origineel (HUG 45) is een passage geschrapt met "Journal des Scavans", dit verscheen pas in 1665.]
1)  ... [2e ed. 1668, nu met de naam van de schrijver en veel omvangijker.]
[ °)  Zie brief No. 563, n.3; de Sluse zegt zelf (No. 638): geen opdracht, zonder eigen naam.]
2)  Huygens heeft hier een woord geschrapt.
3)  ... [1e ed. Mesolabum, 1659.]     4)  Zie de brieven No. 399, 403, 414.

[ II, 443 ]

doorgrond meende te hebben, wat ik zeker niet ten onrechte vermoedde, daar ik een dergelijke gevonden had die me bijna al die zelfde constructies verschafte, zowel van het probleem ervan als van de overige lichamen. Nu heb ik echter begrepen dat wij heel verschillende wegen zijn ingeslagen, die van u is inderdaad beter en die van mij is zelfs nu niet geheel te verachten of waardeloos. En bij een gegeven Ellips twee middelevenredigen te vinden, dat hebt u nu zeker scherpzinnig afgeleid uit wat u had; datzelfde had ik toen op een andere manier bereikt en met een geheel andere aanpak, en die constructie heb ik u toen meegedeeld, als ik me niet vergis 5).

  In het probleem over de tegengestelde buiging van de Conchoïde erken ik de werking van een vroegere welwillendheid, in de eervolle vermelding die u doet van mij*), al moet ik terecht vrezen dat wie dit van u heeft gezien en de bewerking van onze Heuraet over hetzelfde probleem 6), die is ingevoegd in het commentaar van van Schooten op de Geometrie van Descartes, mij van onervarenheid zal beschuldigen, omdat mij zo vele en zo mooie dingen zijn ontgaan die over dit onderwerp nog te zeggen waren. Maar ik denk dat ik makkelijk verontschuldigd word door degenen die weten dat ik nog een nieuweling en beginneling in de Meetkunde was toen ik dit schreef; maar daar zullen zij niet zo op letten die mij verwijten dat die eerstelingen van mijn studies die ik toen samen heb uitgegeven, ik bedoel De circuli magnitudine inventa 7), en die voorgaande De quadratura hyperboles et circuli 8), zo goed als van generlei waarde zijn, en het verschijnen niet waard; over hun belediging behoef ik me bij u niet te beklagen, omdat u binnenkort ook te weten zult komen wie het zijn, en ik zal laten blijken dat ik niet ongestraft word uitgedaagd.°)
Over het uwe echter, om verder te vervolgen wat ik zei, ik heb er niets in gevonden dat niet de scherpzinnigheid en kundigheid van de schrijver kenbaar maakt 9); u hebt namelijk, of het nu over meetkundige dingen gaat of over rekenkundige, een analytische berekening opgesteld, die overal behandelend met zoveel ervaring en handigheid dat mijns inziens niemand zich in dit opzicht boven u kan stellen.
Het ga u goed, zeer goede vriend.


5)  Zie brief No. 414.
[ *)  Op p. 119: "celeberrimus Christianus Hugenius ... De Magnitudine Circuli, inventa".]
6)  Vergelijk p. 258-262 van Geometria à R. Des Cartes ..., 1659. Zie brief No. 306, n.3.
7)  Zie het werk van brief No. 191, n.1 [Ned.].
8)  Zie brief No. 95, n.1 [Ned.].
[ °)  James Gregory, Exercitationes geometricae, 1668, p. 1-2:
"zijn laatste benaderingen in het boek over de grootte van de Cirkel (die hij zo belangrijk vindt) ...
... mijn benadering ... is veel preciezer en veel minder bewerkelijk ...
... de kwadratuur van de Hyperbool, althans zoveel jaar geleden, aan Huygens niet bekend ...
... Huygens, aan wie schrijfjeuk niet vreemd is ...".
Zie verder Huygens in Le Journal des sçavans, 12 nov. 1668, p. 109-112, zijn brief aan Wallis, No. 1671 van 13 nov. 1668, en die aan Moray. No. 1683 van 7 dec.1668.]

9)  Lees: fert [i.p.v. ferent].




[1674]





Home | Christiaan Huygens | T. 6 | R. F. de Sluse 1666-68 (top) | vervolg