Chr. Huygens | Oeuvres VI | < Moray

1666: jan. , april , mei.   1668: okt. , dec..   1669: febr. , maart.   Overzicht



Vertaling van de

Briefwisseling met Robert Moray

1666-69



[ 1 ]

No 1512.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

1 januari 1666.

Het overzicht in Leiden, coll. Huygens 1).
Antwoord op No. 1481. Moray's antwoord: No. 1518.

Moray.

1 Janvier 1666.    

    Ernet. Geschriften van Vieta. Veer in plaats van slinger. Schaduw op Jupiter. Cassini heeft de omwentelingstijd ervan waargenomen: 10 uur min 4 minuten. Ik werk aan kijkers van 60 voet. Thermometer. Klok via Oostende.
    1)  Blijkbaar de samenvatting van brief No. 1508 van 24 dec. 1665.



[ 9 ]

No 1518.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

18 januari 1666. Aanhangsel II bij No. 1517.

De brief en een kopie zijn in Leiden, coll. Huygens. 1)
Antwoord op No. 1508.

A Alberry proche d'Oxford ce 8 Janvier 1666.    

        Monsieur

    Alle boetedoening die ik u opleg voor een zo lange stilte is, mij in de toekomst meer te schrijven. Overigens heb ik verplichting aan u voor de moeite die u


    1)  Deze brief, ingesloten bij No. 1517, werd vertraagd en Oldenburg stuurde later een kopie [zie No. 1540].

[ 10 ]

hebt genomen aangaande de geschriften van Viète en Anderson. Ik vind dat ik vrij tevreden kan zijn met de redenen die de heer Golius geeft waarom ze niet zijn gedrukt; en ik zeg hem dank voor het aanbod dat hij me doet mij Afschrift te sturen van die van Anderson. Ik zal er gebruik van maken volgens wat de heer ridder Hume & de heer doctor Pell me zullen voorschrijven, die mij hebben ingeschakeld 2) om te vernemen wat er van was geworden.

    Wat betreft de Veren die meneer Hooke aanbrengt in de Onrust van Klokken, & zijn glazen, verwijs ik u naar wat meneer Oldenburg u uit diens eigen mond erover zal zeggen 3), die u ook iets zal zeggen over de draagbare Klok die de heer Du Son 4) heeft gemaakt op die manier; althans ik verzoek het hem.

    Ik ben dezelfde mening toegedaan als u aangaande ongevallen die de beweging met behulp van deze kleine Veren ongelijkmatig kan maken. Maar wat betreft de kracht die nodig zal zijn om hun beweging te onderhouden, het is daarbij evenzo als bij slingers, mijns inziens; aangezien er zo'n graad van kracht gemaakt kan worden als men wil door ze de vereiste lengte, dikte of breedte te geven.

    U zegt me te weinig over de vorderingen die u hebt gemaakt en het succes dat u hebt gehad bij het maken van glazen op uw nieuwe Toestel. Hoewel u niet tevreden bent zolang u ze niet van 60 voet hebt gemaakt, zou ik heel blij zijn te weten, of u Kortere hebt gemaakt die even goed zijn als dat glas dat u mij hebt laten zien 5) van 22 voet van uw maaksel. Als dit zo is, zoals u me aanleiding geeft te geloven, als ik me niet vergis, zal ik er niet aan twijfelen dat u zult slagen bij elke andere lengte.

    Ik heb niets gehoord, naar wat ik me herinner, over het werk van de heer Burattini, dan wat u me ervan zegt. Maar het lijkt me dat als hij goede glazen maakt van die lengte, het slechts aan hem zal liggen de Vergroting ervan groter te maken dan Honderdmaal, aangezien dit afhangt van de oculairglazen, die een goed gemaakt objectiefglas zal kunnen verdragen, zoals u veel beter weet dan ik, en waarvan we enkele experimenten hebben gezien in die van 60 voet die Reeves heeft gemaakt 6), wel een jaar geleden.

    Ik ben heel voldaan over wat u zegt aangaande het voorrecht dat u hebt gehad een van de Satellieten van Jupiter op zijn schijf te zien 7), zowel over het bewijs van het goed zijn van uw Telescoop als over de juistheid van de Tabellen, die het tijdstip ervan zo juist hebben gegeven. Maar wat betreft de vlek die de heer Cassini zegt te hebben waargenomen op zijn Lichaam, dat is werkelijk heel belangrijk en de gevolgtrekking die hij eruit haalt, om zijn beweging rondom zijn As vast te stellen, is het nog veel meer, als die tenminste goed gefundeerd is. Maar u zult van de hand van meneer Oldenburg vernemen dat de heer Cassini niet de eerste 8) is geweest die deze vlek heeft waargenomen. En ik heb


    2)  Zie No. 1481.         3)  Zie No. 1517.         4)  D'Esson. [<]         5)  1661 [14 mei]. Zie No. 855, 865.
    6)  Zie No. 1273 [en 1256].         7)  Zie No. 1473 [en 1508].         8)  Zie No. 1517: Hooke.

[ 11 ]

grote vrees dat deze vlek veeleer een andere Satelliet is, die zo dichtbij rondom zijn Lichaam draait, dat men niet zal kunnen zien wanneer hij er naast is, zowel omdat hij er zo korte tijd blijft, als omdat hij steeds in de stralen van het Lichaam is die het zicht erop beletten. Maar het zal kunnen zijn dat de heer Cassini kan bewijzen wat hij erover zegt door onweerlegbare omstandigheden, die ik graag zou willen vernemen. Hoe het ook zij, wat hij erover zegt moet u allen aansporen de waarheid ervan te ontdekken, zowel bij Jupiter als bij de andere planeten dichter bij ons.

    Wat betreft de verst verwijderde, het zou een genoegen zijn te ontdekken dat zijn Lichaam rondom zijn As draait terwijl zijn hengsels standvastig blijven; en als het een Cirkel is, zoals u bewezen hebt dat hij wel zal kunnen zijn, zal het zonder moeilijkheid zo kunnen zijn dat deze geen enkele Beweging rondom het Lichaam van de planeet heeft, behalve dat hij zich steeds in eenzelfde vlak houdt. Maar het is tijd dat u met veel aandacht de vorm van deze hengsels nu bekijkt, om te zien of u er niets in ziet dat u doet erkennen dat het niet een cirkelvormig Lichaam is dat de schijf van de planeet omringt, maar twee. Waarvoor enige aanleiding zal zijn om het te geloven naar het lijkt, volgens de waarnemingen die de heer Ball 9) en zijn broer 10) eraan hebben gedaan, beiden van onze Society met een heel goede Telescoop van 36 voet, waarvan meneer Oldenburg u ook alle details zal sturen 11), zoals hij ze mij enkele maanden geleden heeft gestuurd, en die ik u al lang had doen toekomen als ik niet had geloofd dat u niet meer in Holland was, nadat ik had vernomen dat de Koning van Frankrijk u had uitgenodigd in Parijs te komen wonen om er een Academie voor Natuurfilosofie op te richten zoals de Royal Society. Wat me ook zo lang heeft doen talmen 12) met u te schrijven, wachtend op nieuws van u.

    Hij is nu buiten de stralen van de Zon, waar hij inging toen ik de heer Ball verzocht zijn waarnemingen met zorg te herhalen en sindsdien heeft hij me er niets over gezegd, maar ik wil hem nog ertoe uitnodigen hoewel hij nogal invalide is.

    Wat betreft de brieven van Cassini, ik heb ze niet gezien. Daarom zou ik het wel fijn vinden ze te krijgen, omdat het wel zo kan zijn dat ik iets zou vinden om het bezwaar weg te nemen dat ik zojuist heb gemaakt aangaande de omwenteling van het Lichaam van Jupiter.

    Ik zal opnieuw trachten iemand in Oostende te vinden aan wie het Uurwerk in bewaring is te geven dat u mij wilt sturen, en langs dezelfde weg u de Thermoscoop te doen toekomen als het gedaan kan worden; en ik zal u er zo spoedig mogelijk over inlichten.

    Zodra Onze Society zijn Vergaderingen weer begint zult u er nieuws van krijgen. En als ik er ben, kunt u wel geloven dat ik niet zal nalaten


Saturnus met wijde hengsels     9)  William Ball.         10)  Dr. Peter Ball.
    11)  Oldenburg had het al gestuurd. Zie No. 1502 [en 1503: figuur].
    12)  De laatste brief van R. Moray aan Chr. Huygens was No. 1481, van 10 okt. 1665.

[ 12 ]

te doen zoals hiervoor. Ondertussen, terwijl onze president 13) zich thans in Londen bevindt, zal ik meneer Oldenburg verzoeken u te laten weten of de Society vergadert 14), en mij de dienst te bewijzen aan u te schrijven wat er in mijn afwezigheid gebeurt.

    Ik heb zo goed als ik kon navraag gedaan aangaande die jonge edelman die u me noemt, de heer Errete [Ernet], maar tot dusver heb ik er niets over kunnen vernemen; als ik er nieuws over verneem zult u het met Gods hulp te weten komen.

    Meneer Oldenburg heeft uw brief gezien, en ik stuur hem deze open opdat hij alles ziet van de taak die ik hem geef, die hem niet zal spijten. Wat betreft de wonderlijke woorden van de heer Hevelius die hij u te kennen geeft, ik weet er even weinig van te zeggen als u. Maar ik twijfel er niet aan dat meneer Oldenburg tracht hetzij hem zijn uitvinding in praktijk te brengen, hetzij ons die mee te delen; en als hij het een of het ander doet, zullen we weldra zien wat we erover te oordelen zullen hebben.

    Ik heb in een Gazet gezien dat men te Wenen een andere Komeet heeft gezien op 4 december of zo ongeveer; 5 of 6 dagen geleden heeft mijn gastheer, die predikant is, me gezegd dat hij, toen hij bij toeval om 4 uur in de morgen was opgestaan om te kijken hoe laat het was, heel verbaasd was geweest een Ster te zien aan de Noordkant, bijna als de maan 15). Sindsdien zijn de nachten niet helder geweest, zodat ik er verder niets over kan zeggen. Alleen is mijn gastheer geen groot Astronoom, en hij heeft mij niet duidelijk genoeg kunnen beschrijven hoe die er uitzag &c.

    De Philosophical Transactions zijn deze afgelopen 3 maanden gedrukt te Oxford. Het zal slechts aan u liggen als u ze niet allemaal hebt. Dit is nog een andere straf voor uw bovenmatige stilte 16): dat u overladen moet worden met een zo vreselijk lange brief. Maar denk eraan dat hij komt van de hand van

        Monsieur
Vostre tres humble et tresobeissant serviteur
R. Moray.      


    13)  Sir W. Brouncker.         14)  De zittingen begonnen op 14 maart 1666 (o.st.) [Birch, p. 65].
    15)  In die dagen was er geen verschijning van een komeet.
    16)  De voorlaatste brief van Huygens aan Moray was No. 1466, van 18 sept. 1665.



[ 23 ]

No 1530.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

9 april 1666.

De brief is in Londen, Royal Society.
Moray's antwoord: No.
1540.

A la Haye ce 9 Avril 1666.    

        Monsieur

    Het is wel 3 maanden geleden 1) dat ik me de eer heb gegeven u te schrijven, nog zonder dat ik weet 2) of mijn brief u is gegeven, en als dit niet zo is beschuldigt u mij misschien van nalatigheid 2) en van gebrek aan plichtsbesef, dat ik geen antwoord heb gegeven op uw brief 3); waaraan ik echter niet schuldig ben, maar wel dat ik sinds die tijd ermee ben opgehouden u te schrijven.
Opdat u mij gemakkelijker verontschuldigt moet u weten dat het al meer dan 6 maanden steeds was alsof ik op het punt van vertrekken stond, daar ik door de Koning van Frankrijk ben opgeroepen om aan zijn hof te gaan verblijven en mijn reis tot op dit moment van tijd tot tijd is vertraagd om redenen die te lang zijn om te vertellen.
In die tussentijd en bij deze onzekerheid heb ik niets in alle ernst kunnen ondernemen, ik bedoel van mijn studies of andere dingen die onderwerp moeten zijn van onze gesprekken, behalve dat ik er plezier in had te zoeken naar vervolmaking van de kunst van Kijkerbouw; en ik geloof u er enige rekenschap van te hebben gegeven in mijn vorige brieven 4) door u te berichten dat ik werkte aan glazen van 60 voet. Het is waar dat ik niet denk de tijd verloren te hebben die ik aan dit onderzoek heb besteed, omdat ik na talloze experimenten een nieuwe methode*) heb gevonden en de beste die er mijns inziens kan zijn, om die grote glazen, te weten van 8 of 10 duim middellijn, nauwkeurig te slijpen en polijsten, zoals ik weldra hoop aan te tonen met de effecten, wanneer ik in Frankrijk zal zijn gevestigd.
In mijn genoemde brief had ik u ook verzocht mij te laten weten hoever meneer Hooke ermee was, ik twijfel er geenszins aan dat ook hij mooie dingen heeft gevonden in deze kunst, als hij voortgegaan is die te beoefenen, hoewel hij misschien niet zijn toestel dat in de Micrographia 5) staat tot volmaaktheid zal hebben gebracht. Ik sprak u bovendien over de nieuwe ontdekking van signor Cassini, die me pas was meegedeeld, aangaande de omwenteling van Jupiter om zijn as, die zeker heel mooi en gelukkig gevonden zal zijn door uw heren van de Royal Society.

    Toch ben ik nog niet het oordeel erover te weten gekomen, en ik heb ook geen nieuws van hen gehoord behalve soms door middel van het Journal des Scavans dat men me uit Parijs stuurt.

    In dezelfde brief opperde ik ook middelen om u uw zee-uurwerk te doen toekomen; maar eindelijk heeft zich een heel gemakkelijk middel voorgedaan door het vertrek van


    1)  Zie No. 1508.         2)  Zie No. 1518, noot 1.         3)  No. 1481.         4)  Zie No. 1508, 1512.
    [ *)  Op 6 aug. 1665 gevonden: welke lensvorm de aberratie het kleinst maakt, zie T. XIII, p. 291 en 367.]
    5)  Over de Micrographia van Hooke, zie No. 1199, noot 10 [over het toestel: 1318, n. 4].

[ 24 ]

mejuffrouw van Beverweert 6) die zo goed was het op te nemen in haar bagage, zodat u het over weinig dagen zult ontvangen, want zij vertrekt morgen van hier. Ik ben heel blij dit te hebben kunnen uitvoeren voor mijn vertrek, dat over 8 of 10 dagen zal zijn*), omdat ik daarna er niet meer voor had kunnen zorgen. Ik verzoek u mij te laten weten of u het in goede staat ontvangen hebt, en wat u vindt van het maaksel.

    Zonder onze vervloekte oorlog zouden we er al goede effecten van hebben gezien, dat weet ik wel. Maar dit is niet de enige zwarigheid die eruit voortkomt. Ik bid God dat hij hem wil verkorten, en verzeker u ondertussen, Monsieur, dat u in een land van vijanden noch van vrienden iemand hebt die met meer genegenheid is dan ik

Vostre tres humble et tres obeissant serviteur
Chr. Hugens.    


    6)  [Add. p. 650]  Elisabeth van Beverweert, dochter van Lodewijk van Nassau en Isabella van Horne. Ze ging naar Engeland voor haar huwelijk met Henry Bennet, graaf van Arlington. Haar zus Emilia van Beverweert was er al, getrouwd met Thomas Butler ...
    [ *)  Op 21 april vertrok Chr. Huygens naar Parijs.]



[ 34 ]

No 1540.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

24 mei 1666. Aanhangsel bij No. 1539.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
1530.

A Whitehall ce 14 May 1666.    

        Monsieur

    Het is niet doordat ik er niet aan gedacht heb dat ik er zo lang over heb gedaan te antwoorden op uw laatste brief van 9 april. Maar ik heb het uitgesteld totdat ik nieuws had over

[ 35 ]

uw aankomst in Parijs. Nu ik die heb vernomen kan ik me niet beletten u ermee geluk te wensen, en u de vreugde te betuigen die ik heb over de voorrechten die u ten deel vallen, en te vernemen dat men u graag in dienst neemt om voor het algemeen welzijn en de vooruitgang van de filosofie, die magazijnen en goudmijnen van kennis aan te wenden waarmee uw geest is verrijkt, mij in het vooruitzicht stellend dat u, nu alle belemmeringen zijn weggenomen, ons in het licht zult geven al die mooie stukken die u al helemaal klaar hebt.

    Ik hoed me ervoor uw stilte te laken, wel wetend dat u mij liefhebt, en dat hetzij belangrijke bezigheden, hetzij onoverkomelijke belemmeringen er de gewone oorzaken van zijn. Het is echter niet nodig dat ik u verheel dat u mij een beetje trots maakt door mij excuses te maken, aangezien dit me aanleiding geeft te geloven dat u mij nog steeds zult blijven weldoen met de briefwisseling die we zo lange tijd hebben onderhouden, bij gelegenheden die u zullen uitkomen, niet in rekening brengend dat u goud inruilt voor brons.

    Het schijnt dat u niet meetelt wat u hebt gedaan in de zaak van Kijkers. Maar het weinige dat u me erover zegt geeft onze heren de grootst mogelijke begeerte er beter over ingelicht te worden, en ze hopen dat u hun deze methode zult meedelen die u hebt uitgevonden om glazen te slijpen en polijsten, zoals ook de experimenten die u zult doen, de meest recente.

    Het spijt me dat u mijn laatste brief 1) niet hebt ontvangen, die meneer Oldenburg aan u heeft geadresseerd in zijn pakket, kort nadat mij uw voorgaande 2) was gegeven. Maar aangezien hij zo vaardig is afschrift te laten maken zowel van uw brieven als van de mijne als ze geopend door zijn handen gaan, heeft hij me beloofd u de duplicaten te geven van zowel mijn laatste 2) als die van hemzelf 3), waarin u alles zult vinden dat ons in de uwe aanleiding gaf het aan te roeren. En wat betreft het onderhouden van onze briefwisseling, door uw brieven te adresseren aan meneer Oldenburg, aan wie ik heb verzocht ze te openen, als ik er toevallig niet ben, zal hij zich de moeite geven erop te antwoorden en u mee te delen wat er in de Society voorvalt. En als ze mij worden gegeven, zal ik niet nalaten op de gewone manier ook erop te antwoorden.

    Bij het uitstellen van deze brief dacht ik het Uurwerk te ontvangen dat u mij hebt gestuurd, voordat ik u zou schrijven. Maar tot dusver is de bagage van mevrouw Arlington 4)


    1)  No. 1518.         2)  No. 1508.         3)  No. 1517.         4)  Zie No. 1530 [n. 6]; over Bennet: No. 909, n. 13.

[ 36 ]

niet aangekomen uit Vlaanderen en ik heb er geen ander nieuws over gekregen dan wat u me erover hebt bericht. Ondertussen heb ik aan een vriend verzocht er zorg voor te dragen het mij te doen toekomen zodra de Bark aankomt. Laat me in elk geval weten via welke hand ik u zal doen toekomen wat ik ervoor moet betalen.

    Ik reken erop over een dag of twee te beginnen aan een reis van 3 of 4 weken naar Wales, om er enige Mijnen te bezoeken met lood dat Zilver bevat. Ik zou blij zijn bij mijn terugkomst nieuws van u te krijgen. Denk er ondertussen aan dat er geen levende ziel is die meer is dan ik ben

        Monsieur
Vostre fidelle et affectionné serviteur
R. Moray.      
        A Monsieur
Monsieur Christian Hugens de Zulichem
A paris.


[ 267 ]

No 1666.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

31 oktober 1668.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Huygens' antwoord: No.
1683.

A Whitehall ce 21 Octobre 68.    

        Monsieur

    Hoewel onze filosofische oefeningen mij niet iets hebben geleverd om u mee te onderhouden, sinds mijn terugkeer uit Schotland*), is het toch nodig dat ik onze oude


    [ *)  Moray was een jaar in Schotland geweest (Stevenson 1922, p. 124: "to do important work"): Birch 2, p. 175 noemt hem nog bij May 23, 1667 (o.st.); op Jan. 30. 1667/68 is er een brief aan hem (p. 243); pas bij July 2, 1668 (p. 302) is hij terug: "Sir Robert Moray presented the society with some curiosities, which he had brought with him out of Scotland ..."]

[ 268 ]

briefwisseling hervat, al was het maar om u te zeggen dat ik brand van verlangen om uw gezondheidstoestand te vernemen. Maar opdat ik u temeer kan aansporen mij deze voldoening te geven, beweer ik dat u aanleiding zult hebben de keuze, die ik heb gemaakt voor een vriend om u lastig te vallen, te rekenen als een van de grootste getuigenissen van de voortzetting van mijn vriendschap die ik u heb kunnen geven. Het is de heer van Beringhen 1), iemand wiens goede kwaliteiten u evenveel bewondering zullen geven als zijn vriendschap u tevredenheid zal geven. Ik verzoek u hem de uwe te verlenen als een van de beste diensten die ik u geven 2). Hij verlangt die hevig, en ik draag hem teveel genegenheid toe om er niet alles aan bij te dragen wat in mijn vermogen ligt.
Overigens, als u het goedvindt dat wij elkaar onderhouden zoals in het verleden, zal het niet aan mij liggen dat u geen nieuws van mij krijgt, elke keer dat zich dingen voordoen die de moeite verdienen om ze u mee te delen, zolang ik hier zal zijn. Ik denk dat het deze hele winter zal zijn. Ik herinner me u verzocht te hebben in mijn laatste brief 3), waarop u geen antwoord hebt gegeven, mij te laten weten op welke manier u wilt dat ik u de 100 écus doe toekomen die u hebt betaald voor het Uurwerk dat u me hebt gestuurd. Vergeet niet uw opdracht ervoor te sturen aan

        Monsieur
Vostre treshumble et tresaffectionné serviteur
R. Moray.      
        A Monsieur
A Monsieur Christian Hugens
de Zulicom*)
A paris.        


    1)  Jean de Beringhen, heer van Fléhedel [Plehedel] ... secretaris van de koning; om zijn ijver voor het protestantisme hij later vervolgd, ging in met zijn vrouw naar Holland.
    2)  Voeg in: kan.
    3)  De laatst bekende brief van Moray aan Chr. Huygens is No. 1540, van 24 mei 1666, en die van Chr. Huygens aan Moray is No. 1530, van 9 april 1666.
    [ *)  Moray was na zo lange tijd kennelijk de naam 'Zulichem' vergeten.]



[ 311 ]

No 1683.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

? december 1668.

Het concept is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
1668. Moray's antwoord: No. 1708.

        Monsieur

    Als u niet zou weten dat brieven die men stuurt via een vriend gewoonlijk lang onderweg zijn, zou u aanleiding hebben u erover te verbazen dat ik pas vandaag antwoord op uw brief van 21 oktober. Hij werd me pas afgelopen maandag gegeven, en heeft me dit voordeel verschaft een bezoek te ontvangen van de heren Beringhen, vader 1) en zoon 2) tegelijkertijd, die zeker personen van verdienste zijn en met wie ik vriendschap zou moeten verlangen, als ze mij niet was gegeven door uw bemiddeling. Ik bedank u er dus heel ootmoedig voor en niet minder voor het feit dat u bij deze gelegenheid de goedheid wilde hebben onze oude briefwisseling te hernieuwen, waarvan ik een zo lange onderbreking vrij vaak mezelf heb verweten, en dat ik door mijn schuld van alle omgang met uw illustere en geleerde Society verstoken was.

    Ik heb in mijn laatste brief 3) aan meneer Oldenburg voldoende betuigd dat ik


    1)  Zie over Jean de Beringhen No. 1666, noot 1.
    2)  Théodore de Beringhen, geboren in 1644; als protestant in 1687 uit Frankrijk verdreven. Van hem is: Cinquante lettres d'exhortation et de consolation, sur les souffrances de ces derniers tems, Den Haag 1704.
[ Birch, p. 200 (Oct. 17, 1667): "proposed candidate ...Theodore de Beringhen", p. 201: "admitted"; p. 314 (Octob. 22, 1668): "his intention of returning to Paris".]

    3)  No. 1670.

[ 312 ]

heel blij ben deze te hernieuwen na wat hij mij had gevraagd in opdracht van de Royal Society, het meedelen van wat ik heb gevonden over de regels van beweging, waarvan ik hem iets zal sturen met de volgende gewone post, daar het voor deze niet klaar kon zijn. Ik verzoek u, zoals ik hem ook heb verzocht, ervoor te zorgen dat men mij als beloning stuurt de experimenten over ditzelfde onderwerp die men bij de Royal Society heeft gedaan en de gevolgtrekkingen die men eruit heeft afgeleid en vooral de uitstekende heer Wren, die er het meest aan heeft gewerkt 4) naar men zegt.

    Ik heb nog een verzoek aan u te doen Monsieur, namelijk mij gelijk te laten krijgen, als het mogelijk is, van een van uw landgenoten de heer Gregory, wiens handelwijze alle welgemanierde mensen hier geërgerd heeft die gezien hebben wat hij tegen mij heeft geschreven*), zonder aanleiding ertoe te hebben gehad. Neemt u alstublieft de moeite te zoeken onder de brieven die u van mij hebt als u ze hebt bewaard, die waarin de regel 5) met logaritmen 6) staat om de zwaarte van lucht te vinden op gegeven hoogten boven de aarde, en hem die te tonen, en als hij daarna niet in het openbaar bekent dat hij mij ten onrechte ervan heeft beschuldigd deze regel nooit gestuurd te hebben in tegenstelling tot wat ik had verzekerd, zal ik gedwongen zijn mezelf te rechtvaardigen en hem misschien de waarheid te zeggen zoals hij verdiend heeft.

    Het is jammer dat deze man, die iemand met verstand lijkt te zijn, een zo weinig redelijk gedrag vertoont dat alleen zal dienen om vijanden te verzamelen. Want ik zie al dat meneer Wallis 7) nauwelijks meer tevreden over hem is dan ik. Hij kan nog niet veel omgang met u hebben, omdat als dit zo was hij geprofiteerd zou moeten hebben van uw raadgevingen en van het voorbeeld van uw deugdzaamheid. Ik verzoek u te geloven dat ik deze hoogschat zoals ik altijd heb gedaan en dat ik ben &c.


    4)  Zie de brief van Wren van 17 dec. 1668 (o.st.), App. No. 1696; zie ook Birch, p. 335.
    [ *)  In Exercitationes geometricae, 1668, p. 1-2 (No. 1684). Zie over deze twist T. XXII, p. 640, n. 111.]
    5)  Zie No. 1046, van 18 aug. 1662, en App. No. 1048.
    6)  Moray stuurde hem de kopie op 15 febr. 1669 [zie No. 1708].         7)  Zie No. 1676.



[ 369 ]

No 1708.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

15 februari 1669. Aanhangsel bij No. 1707.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
1683. Huygens' antwoord: No. 1720.

A Whitehall ce 5 febrier 1669.    

        Monsieur

    Verscheidene zaken hebben me tot dusver mijn antwoord op uw laatste brief doen vertragen. Toen ik 18 maanden geleden vanhier naar Schotland vertrok had ik al uw voorgaande brieven aan meneer Oldenburg in handen gegeven, en ik had er twee van nodig om in staat te zijn u te schrijven. Vanmorgen heeft hij me die gestuurd waarin de regels staan om

[ 370 ]

de hoogte of de zwaarte van de lucht te weten, waarvan hier het ware Afschrift is 1). Maar hij heeft nog niet die 2) gevonden welke mij het bedrag aanduidde dat de Klok van uw laatste uitvinding u heeft gekost. Daarom zal ik eerst antwoorden op uw brief, maar het betalen van het geld aan de heer Du Hamel uitstellen tot ik de andere brief heb, of u me bericht wat het bedrag is dat ik moet betalen; zodra ik daarover op de ene of de andere manier zekerheid heb, zal het geld aan de heer Du Hamel in bewaring worden gegeven.

    Wat er is voorgevallen tussen u en de heer Gregory spijt me zeer, niet het feit dat er tussen u een controverse is, omdat geschillen van geleerde mensen vaak heel wat mooie dingen in de wereld brengen, maar om het feit dat er in de behandeling van de discussie dingen zijn gebeurd die bitterheid hebben voortgebracht in uw pennen. Pas na mijn terugkomst uit Schotland ben ik de details te weten gekomen van wat er tussen u is voorgevallen; ik heb me erover laten inlichten door een lid 3) van onze Society die een van de eersten is onder onze Wiskundigen en ik stuur u hierbij het afschrift van het papier 4) dat hij me heeft gegeven.
Het is niet nodig dat ik inga op de stof waarover het vraagpunt is tussen u. Maar staat u mij toe u zonder omwegen te zeggen wat ik denk van de bitterheid die erin is voortgebracht. De heer Gregory is werkelijk heel geleerd in de Wiskunde, maar het vuur van zijn jeugd heeft tempering nodig. Ik zou zijn handelwijze tegenover u niet kunnen goedkeuren, welke rechtvaardiging hij er ook voor beweert te hebben, hij heeft een misslag begaan tegen de regels van de moraal door zich te laten meeslepen zoals hij heeft gedaan. Ik neem het hem dus heel kwalijk dat hij u op een zo grove manier heeft behandeld.
Maar aan de andere kant moet ik u niet verzwijgen, dat op de manier waarop uw handelwijze op de betreffende plaats naar voren is gekomen, een grotere terughoudendheid nodig was geweest dan er is, om er zich niet enigszins door beledigd te voelen. Niet zozeer omdat u, in plaats van hem per brief voor te houden wat u had gevonden om aan te merken op wat hij had gepubliceerd, zoals hij had verlangd 5), het hebt laten drukken zonder hem te schrijven, als wel omdat u hem van het begin af aan, naar het hem toeschijnt, ronduit als plagiator behandelt.
Ik wil niet onderzoeken of hij zich vergist of niet. Maar ik zal u zeggen dat ik verscheidene voorbeelden ken waarbij twee personen eenzelfde ding hebben uitgevonden zonder dat de één iets van de ander heeft genomen, waarvan ik u hieronder een voorbeeld zal geven; zodat men in dergelijke gevallen er wel voor moet oppassen iemand niet als plagiator te behandelen zonder het stellig te kunnen bewijzen, gezien het feit dat er mijns inziens niets schrijnenders gezegd kan worden tegen een eerlijk iemand.
Nu, als voorbeeld van wat ik zojuist aanvoerde zal ik niet verder gaan dan de bewegingswetten, gevonden door u


    1)  Exact afschrift van een deel van No. 1046 en van App. No. 1048, van 18 aug. 1662 ...
    2)  Misschien No. 1512. Zie No. 1666.         3)  J. Collins. Zie No. 1702.
    4)  Zie App. No. 1709.         5)  Zie No. 1605 [8 okt. 1667].

[ 371 ]

en door de heer doctor Wren 6), en misschien zullen die van de heer doctor Wallis 7) wel op hetzelfde neerkomen. Maar het is uw fout, mag ik wel zeggen, dat ze niet geheel aan u alleen zijn toegeschreven. Ik geloof dat ik u al lang geleden voorspeld heb 8) wat ermee gebeurd is, toen ik u aanspoorde de bewegingsregels te publiceren, waarvan u ons enkele proeven hebt laten zien op uw kamer in Londen 9). Als u me had geloofd zou u die twee heren die ik zojuist noemde moeite bespaard hebben. Ik zou u heel wat andere voorbeelden van deze aard kunnen aanvoeren, maar dat zou overbodig zijn.

    Nu ik geen tijd heb om met dit onderwerp verder te gaan, zal ik u zeggen dat, daar het laatste antwoord van de heer Gregory gedrukt gaat worden in de Philosophical Transactions 10) van deze maand, als u wilt dat men erin publiceert wat u daarover te zeggen zult hebben meneer Oldenburg u heel graag deze dienst zal bewijzen, aangezien men het om verscheidene redenen goed heeft gevonden, en u keurt het goed, dat het antwoord van de heer Gregory wordt gedrukt.
Overigens, daar in zijn laatste papier niets te vinden is dat u kan beledigen, zou ik heel blij zijn dat alle fouten van het verleden vergeten werden en dat u voortaan met elkaar een vriendschappelijke briefwisseling kunt onderhouden aangaande de meest verheven zaken in de wiskunde, waardoor het zal gebeuren dat de Society eer zal ontvangen en de wereld er voordeel van zal hebben. Overigens is de Society voorzover ik weet niet geïnteresseerd in discussies van geleerde mensen tenzij de partijen het oordeel erover aan hen overlaten.

    Men was zeer tevreden over wat u aan de Society hebt willen meedelen 11) via meneer Oldenburg aangaande het voorkomen van geschillen in de toekomst, aan wie uitvindingen die in de wereld zullen komen moeten worden toegekend als eerste en werkelijke bedenker. Lange tijd geleden is de zaak voorgesteld door andere leden van de Society, en meneer Boyle heeft enkele van zijn uitvindingen gedeponeerd in handen van de president alleen, enige tijd geleden, en gisteren gaf meneer doctor Wren een nieuwe propositie of uitvinding in bewaring, in cijferschrift of anagram 12), om in de Registers van de Society te worden opgenomen, zoals u hebt gedaan.
Ik vind de zaak heel goed, maar ik ben van mening dat deze bewaargevingen of mededelingen gedaan moeten worden in een gemeenschappelijke taal, Latijn, Engels of Frans, om verscheidene redenen die ik u een andere keer zal uiteenzetten als u het goedvindt, deze brief is al aangegroeid tot een grotere lengte dan ik me heb voorgesteld. Alleen is het nodig dat ik u te kennen geef dat ik hier zo druk bezet ben vanaf


    6)  Zie No. 1696 [Phil. Trans. 43, 11 jan.'68/9].         7)  No. 1704 [Ibid.].         8)  No. 1102, 1 maart 1663.
    9)  In 1661 (No. 1716).  [T. XXII, 573, 23 april 1661; T. XVI, 173.]  Al in 1661 (No. 864) schreef Moray "denk aan uw belofte".
    10)  In Numb. 44, 15 febr. (o.st.). Zie No. 1682.         11)  Zie No. 1700.         12)  Zie No. 1703.

[ 372 ]

de morgen tot de avond, dat het mij onmogelijk zal zijn u zo vaak, of zulke lange brieven, te schrijven als ik van harte zou wensen. Daarom moet ik meneer Oldenburg verzoeken mijn tekortkomingen aan te vullen. Hoewel ik vastbesloten ben altijd antwoord te geven op alle brieven die u zult willen schrijven aan

        Monsieur
Vostre treshumble et tresaffectionné serviteur
R. Moray.      


[ 393 ]

No 1720.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

30 maart 1669.

Concept 1) en kopie in Leiden, coll. Huygens.

Paris 30 Mars 1669.    

        Monsieur

    Ik ben u ervoor verplicht dat u de moeite hebt willen nemen de redenen te onderzoeken van het geschil dat ik heb met de heer Gregory, en dat u tracht de vrede te herstellen door aan elk van ons beiden voor te houden waarin hij heeft gefaald. Toch zult u mij toestaan te zeggen dat, omdat u mijn verdediging niet even goed hebt gehoord als de beschuldigingen die men tegen mij heeft ingebracht, u mij niet zo goed recht doet als u zich voorneemt mij te doen. De Staat van onze Controverse 2) die men voor u heeft opgesteld, en waarvan u me afschrift hebt gestuurd, schijnt niet te zijn gemaakt door een onpartijdig iemand, maar veeleer te zijn gedicteerd door de heer Gregory zelf, uitgezonderd de laatste regel; daarom ga ik in beroep bij uzelf over uw vonnis, en ik verzoek u alvorens het te bevestigen de opmerkingen te lezen die ik stuur over dit geschrift.
Men legt mij erin niet ten laste de heer Gregory te hebben behandeld als een plagiator, en men zou het ook niet met reden kunnen doen, want over het zeggen in mijn eerste onderzoek 3) dat ik eerder dan hij een afmeting van de hyperbool met Logaritmen had gevonden, en dat ik een daarop gebaseerde regel had gestuurd aan de heren van de Royal Society, dat is slechts het vermelden van een feit dat waar was, en ik heb helemaal niet de bedoeling gehad daarmee de heer Gregory te beschuldigen,


    1)  Dit concept is niet compleet, maar bevat bijzonderheden die niet staan in de brief No. 1721.
    2)  Zie No. 1709.         3)  Zie No. 1648, noot 1 [J. des sçavans, 2 juli 1668].

[ 394 ]

niet wetend of hij in verbinding stond met de Royal Society of niet. Maar als men deze beschuldiging in mijn woorden kon vinden, hoe kan het dan dat de heer Gregory zelf deze niet zelf had opgemerkt toen hij antwoordde 4) op mijn eerste tegenwerpingen, want hij gaf er geen blijk van en mengde niets onbeleefds in dit antwoord. Maar enige tijd daarna 5), zonder nog mijn repliek te hebben gezien, haalde hij het in zijn hoofd kwaad te worden, mij te verwijten dat ik hem stilzwijgend ervan had beschuldigd zijn kwadratuur van de hyperbool van mij te hebben genomen, en me de beledigingen te zeggen die u hebt gezien. Ik weet niet waar deze drift bij hem vandaan kan zijn gekomen of het moest zijn dat hij, mijn repliek niet zo vroeg ziend als hij had verwacht, ongeduldig is geworden en geloofd heeft dat ik niet antwoordde uit geringschatting.

    Sindsdien heeft hij wel het tegengestelde gezien, bij het ontvangen van deze repliek 6), en hoewel die nog niet klaar was om te drukken toen zijn beledigende geschrift mij werd gebracht, heb ik er toch niets aan willen veranderen, noch blijk gegeven van enige wrok; ik had liever dat hij mij zelf genoegdoening gaf voor het onrecht dat hij me had aangedaan, dan hem op mijn beurt slecht te behandelen.

    Ik verwacht deze genoegdoening nog, en zonder deze geloof ik niet Monsieur dat ik me voor tevredengesteld houd, en dat u zou willen dat de heer Gregory en ik vrienden werden, waarvan ik anders niet afkerig zal zijn. Maar ik zou te weinig eergevoel hebben als ik me zo onwaarheden ten laste liet leggen zonder er nadelige gevolgen van te ondervinden.

    Wat betreft de Regels van beweging en van Stoot, ik was verrast die van de heer Wren 7) gedrukt te zien in uw Tijdschrift, zonder dat men er de minste melding van mij heeft gemaakt, aangezien men niet alleen wist dat ik ze lang geleden had gevonden, maar ook dat ik ze onlangs had meegedeeld 8) aan de Royal Society, toen meneer Oldenburg me in opdracht ervan mededeling had gevraagd 9) van wat ik had gevonden aangaande beweging, en dit opdat niet iemand mij voor zou zijn in wat over deze vondsten gaat.
Maar wanneer er geen enkele verplichting zou zijn om daarna van mij melding te maken, verbaas ik me erover hoe men heeft kunnen goedvinden er op deze manier mee om te gaan, want men moest wel veronderstellen dat ik een deel zou vragen in de eer van de vondst van deze Regels. Maar hoe kon ik laten zien dat ik er aanspraak op kan maken, anders dan door verslag uit te brengen 10) van wat er is voorgevallen tussen die heren en mij? Wat niet zeer voordelig kon zijn, noch voor hen, noch voor de heer Wren. Ik weet niet wat de wereld erover zal oordelen, wanneer ze in het Journal des Scavans zullen zien wat ik aan de auteur over deze materie schrijf;


    4)  Zie No. 1653 [Phil. Trans. Numb. 37, July 13, 1668].         5)  Zie No. 1684 [Exerc. geom., p. 1-2].
    6)  Zie No. 1669 [J. des sçavans, 12 nov. 1668].         7)  Zie No. 1696 [Phil. Tr. 43, Jan. 11].
    8)  Zie No. 1693.         9)  Zie No. 1675.         10)  Zie No. 1715 en 1716 [J. d. sçavans, 18 maart 1669].

[ 395 ]

hoewel ik er niets ingezet heb dan wat feitelijk is, en noodzakelijk om me van verdenking vrij te stellen, en te behouden wat mij toebehoort. Want het is ver van mij enige ongunstige mening over de heer Wren te hebben.



No 1721.

Christiaan Huygens aan R. Moray. 1)

30 maart 1669. Aanhangsel II bij No. 1718.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
1708. Moray's antwoord: No. 1730.

a Paris ce 30 Mars 1669.    

        Monsieur

    Ik ben u er zeer voor verplicht dat u de moeite hebt willen nemen de redenen te onderzoeken van het geschil dat ik heb met de heer Gregory, en dat u tracht de vrede te herstellen door aan elk van ons beiden voor te houden waarin hij heeft gefaald.

    Toch zult u mij toestaan te zeggen dat, omdat u mijn verdediging niet even goed hebt gehoord als de beschuldigingen die men tegen mij heeft ingebracht, u mij niet zo goed recht doet als u zich voorneemt mij te doen. De staat van onze Controverse die men voor u heeft opgesteld, en waarvan u me afschrift hebt gestuurd, schijnt niet te zijn gemaakt door een onpartijdig iemand, maar veeleer te zijn gedicteerd door de heer Gregory zelf, uitgezonderd de laatste regel; daarom zal ik een dezer dagen bij uzelf in beroep gaan over uw vonnis, als ik u mijn opmerkingen en rechtvaardigingen stuur tegen alles dat men mij ten laste legt in het genoemde Geschrift; want ik heb teveel dingen te zeggen om het nu te doen, en te weinig tijd.

    Wat betreft de Regels van beweging en van Stoot, ik was verbaasd die van de heer Wren gedrukt te zien in uw Tijdschrift, zonder dat men er de minste melding van mij heeft gemaakt, aangezien men niet alleen wist dat ik ze lang geleden had gevonden, maar ook dat ik ze onlangs had meegedeeld aan de Royal Society, toen meneer Oldenburg me in opdracht ervan had gevraagd wat ik kon hebben gevonden in deze materie van beweging, en dit opdat niet iemand mij voor zou zijn.
Maar wanneer er geen enkele verplichting zou zijn om daarna van mij melding te maken, verbaas ik me erover hoe men heeft kunnen goedvinden er op deze manier mee om te gaan. Want men moest wel veronderstellen dat ik een deel zou vragen in de eer van de vondst van deze regels. En toch, hoe kon ik laten zien dat


    1)  In de catalogus van Manuscripten van de Royal Society is deze brief bij vergissing genoteerd als gericht aan H. Oldenburg.  [Zie ook het concept, No. 1720 hiervoor.]

[ 396 ]

ik er terecht aanspraak op maakte, anders dan door verslag uit te brengen van wat er over dit onderwerp is voorgevallen tussen die heren en mij, wat niet zeer voordelig kon zijn, noch voor hen, noch voor de heer Wren. Ik weet niet wat de wereld erover zal oordelen, als men in het Journal des Scavans ziet wat ik aan de Auteur 2) over deze materie schrijf, hoewel ik er niets ingezet heb dan wat feitelijk is, en noodzakelijk om me van verdenking vrij te stellen, en te behouden wat mij rechtmatig toebehoort; want het is ver van mij enige ongunstige mening over de heer Wren te hebben, die teveel eer heeft verworven door zijn vondsten om te willen pronken met die van een ander.

    Meneer Oldenburg heeft me het laatste antwoord 3) van de heer Gregory gestuurd over het onderwerp Kwadratuur, waarin hij niets heeft gedaan dat van waarde is, en ik zou wel willen weten of er iemand van de meetkundigen daar is die als bewijzen aanneemt wat hij daarvoor laat doorgaan. Ik heb moeite me voor te stellen dat hij het zelf gelooft, en het lijkt me waarschijnlijker dat hij heeft willen vluchten in verwarring en in duisternis.

    Ik heb de vrijheid genomen de heer Du Hamel te verzoeken 4) zorg te dragen voor het geld dat u hem zult geven voor mij, om het me hierheen te sturen met een wisselbrief. Ik heb 275 pond betaald in Holland voor het Uurwerk dat u hebt, wat hier 100 écus is, en ik dacht het u al te hebben bericht 5).

    Ik had 2 van dergelijke uurwerken met me meegenomen om ze op zee te zenden, maar ik vreesde dat het kettinkje teveel verwarring zou geven aan degenen die ze zouden beheren, wat me heeft genoodzaakt hier andere te laten maken zonder kettinkje, nadat ik ze met andere middelen had vervolmaakt, en er zijn er nu op zee, waarvan ik vast en zeker succes verwacht. Dat heeft me het voorstel des te vreemder doen vinden dat de heer Mercator onlangs heeft gedaan 6) aan de heer Colbert, om de lengte te vinden door middel van slingeruurwerken, alsof ik deze zaak geheel had opgegeven, dan wel alsof hij het recht had zich te laten voorstaan op de Uitvinding van deze uurwerken zonder op mij te letten, niet meer dan wanneer ik niet meer op de wereld was.

    Ik ben wel blij dat u de manier goedkeurt van cijferschrift of anagrammen om Geschillen op het punt van nieuwe uitvindingen te vermijden. U zegt dat het nodig is dat deze mededelingen gedaan moeten worden in een gemeenschappelijke taal, Latijn, Engels of Frans, wat ik zo uitleg dat één van deze talen moet worden gekozen, om er zich altijd van te bedienen, opdat de zaak minder van borg afhankelijk is. Maar om elke verdenking te vermijden is het ook noodzakelijk een bepaald aantal letters vooraf vast te stellen dat men niet mag overschrijden, omdat men anders alles kan maken van alles*). Ik geloof dat 60 voldoende is, en wanneer hetgene dat men wil schrijven meer letters vraagt, behoeft het slechts in 2 of 3 afzonderlijke delen gezet te worden, waarvan elk dit aantal


    2)  Redacteur: J. Gallois.         3)  Zie No. 1682 [Phil. Trans. Numb. 44].         4)  Zie No. 1719.
    5)  Zie No. 1708.         6)  Zie No. 1711.         [ *)  Vb: Wallis aan Huygens, 1 april 1656, zie No. 277.]

[ 397 ]

van 60 niet overschrijdt. Het laatste cijferschrift 7) van de heer Wren dat meneer Oldenburg me heeft gestuurd 8) is van bijna 100 letters, wat me teveel lijkt. En hij zou het voor zijn eigen belang moeten verdelen in twee gedeelten.

    Deze afgelopen dagen heb ik met genoegen gelezen het boek 9) van de heer Wilkins over het universele karakter, waarvan het ontwerp zeer goed is maar heel slecht uit te voeren, niet wegens de moeilijkheid van de zaak maar omdat het tot tevredenheid van de naties moet zijn.

    Ik groet u zeer ootmoedig en ben zonder voorbehoud

Vostre tres humble et tres obeissant serviteur
Hugens de Zulichem.    


    7)  Zie No. 1703 [Birch, p. 345].         8)  Zie No. 1702.
    9An essay towards a real character, and a philosophical language, London 1668, in-folio.
[ Indeling van de wereld: p. 51, Noahs ark: p. 162 (fig.), Huygens op p. 192.]



[ 423 ]

No 1730.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

26 april 1669.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
1721.

A Whitehall ce 16 Avril 69.    

        Monsieur

    Het is niet als Rechter maar als vriend dat ik me heb gemengd 1) in het geschil dat er is tussen u en de heer Gregory. En daar ik de stof waarover de kwestie tussen u gaat niet heb aangeroerd, maar alleen de omstandigheden en manier van handelen en wat daarvan afhangt, heb ik niet geloofd dat het nodig was u te verzwijgen wat ik ervan dacht totdat ik informatie over de zaak kreeg van beiden, zodat ik met slechts datgene wat ik me herinner geen oordeel geef over de zaak ten nadele van u, maar alleen enkele waarnemingen over de handelwijze van beide kanten; het zal u altijd vrijstaan mij voor uw kant te winnen zodra u de moeite wilt nemen mij voor te leggen wat u over het onderwerp te zeggen hebt.

    U zult makkelijk geloven dat ik geen slinkse streken heb uitgehaald met de informatie waaarvan ik u afschrift heb gezonden 2). De heer Gregory was in Schotland voordat ik deze heb gekregen, hij weet er zelfs niets van, tot nu toe, hoewel ik hem voordat hij vanhier vertrok vrij duidelijk enkele van mijn gevoelens heb gezegd aangaande zijn humeurigheid en zijn handelwijze.

    Wat betreft de Regels van terugslag, naar voren gebracht door de heer Wren, gedrukt in de Philosophical Transactions, meneer Oldenburg zal u er rekenschap van hebben gegeven 3). Ik zal er u niets over zeggen behalve dat de Raad van de Society hem soms opdracht geeft iets te publiceren, hoewel zelden. Maar hij alleen stelt ze samen, zonder dat de Society er enig aandeel in heeft.
Overigens, degenen die het voorrecht hebben gehad getuige te zijn van wat u ontdekte van de regels, die u geheel klaar had toen u in uw kamer aan de Common Garden*) onmiddellijk het resultaat opgaf van enige experimenten die men u voorstelde, met een heel verrassende nauwkeurigheid, degenen zeg ik die er toen aanwezig waren, althans degenen onder hen die nog op de Wereld zijn, laten niet na bij 4) elke gelegenheid aan u daarvoor de eer toe te kennen die u verschuldigd is. En aangezien ik toen aanwezig was en me heel goed herinner wat er is voorgevallen, laat ik niet na er


    1)  Zie No. 1708.         2)  No. 1709.         3)  Zie No. 1725.         4)  [Fr. spelfout].
    [ *)  Zie No. 1708, n. 9. Huygens noemt "common garden" in No. 863, 9 juni 1661 aan Lodewijk.]

[ 424 ]

getuigenis van af te leggen elke keer als er sprake van is. Maar aangezien u me wel zult toegeven dat ik u sindsdien vaak genoeg en met ijver heb aangespoord uw regels zo spoedig mogelijk te publiceren uit vrees dat een ander u voor zou zijn; zo moet u me ook beamen, dat het goed mogelijk is dat twee personen op eenzelfde vinding kunnen komen zonder dat de één enig licht ontvangt van de ander, zelfs zonder dat ze met elkaar bekend zijn. Het is een zaak die onbetwist is en waarvan ik verscheidene voorbeelden ken. Maar ook komen verschillende personen elkaar soms tegen in eenzelfde vinding en brengen ze met verschillende methoden en middelen dezelfde dingen voort. In zulke gevallen lijkt me dat de eer van de vinding aan beiden kan worden toegekend zonder de een of de ander onrecht aan te doen.

    Het is waar dat, als een persoon die al in het bezit is van een uitvinding over de zaak spreekt zonder de methode of de middelen die hij gebruikt bloot te geven, en als daarop een andere persoon die hem over zijn uitvinding hoort spreken zich erop toelegt het op eigen houtje te vinden en erin slaagt, dat hij iets minder eer verdient dan de eerste uitvinder, omdat zonder hem de ander er misschien nooit aan gedacht zou hebben, hoewel de laatste inderdaad net zo'n bekwaam man kan zijn als de eerste. Nu geloof ik dat de heer Wren (die nu hoofdopzichter is van de Gebouwen van de Koning) aan de regels van beweging had gedacht toen u voor ons dit experiment deed met de uwe terwijl u ze al volledig had opgesteld. Hoe het ook zij, ik geloof niet dat de heer Wren u enige eer wil betwisten die u verschuldigd is.

    Wat betreft het laatste antwoord 5) van de heer Gregory dat meneer Oldenburg u enige tijd geleden deed toekomen 6), ik zal u openlijk bekennen dat ik tot dusver niemand ben tegengekomen die voor bewijzen aanneemt wat hij ervoor laat doorgaan.

    De heer Du Hamel zal u buiten twijfel de 100 écus hebben doen toekomen 7) die men hem hiertoe in handen heeft gegeven.

    Ik zal heel blij zijn te vernemen dat uw Uurwerken het succes zullen hebben gehad dat u ervan verwacht. U zult ons er nieuws over vertellen wanneer ze terug zijn. Laat ons ondertussen de veranderingen kennen die u erin hebt aangebracht voor wat betreft de beweging.

    Ik wist niets van het voorstel 8) dat de heer Mercator heeft gedaan aan de heer Colbert voordat u het me bericht hebt. Ik zal moeite hebben te geloven dat hij kwade gedachten heeft gehad. Het is een goede man die niet het voorkomen heeft iemand kwaad te willen doen. En misschien zal hij hebben geloofd dat de beweging die hij heeft toegevoegd aan uw slingeruurwerk waardoor de wijzers altijd precies het uur en de minuut laten zien zonder Vereffeningstabellen nodig te hebben, iets waard zal kunnen zijn zonder u te benadelen.


    5)  Zie No. 1682.         6)  Zie No. 1717.         7)  Zie No. 1729.         8)  Zie No. 1711, n. 1.

[ 425 ]

    Wat u zegt over het Anagram dat u ons hebt gestuurd 9) heeft me aan een of twee dingen doen denken. Het ene is: het verlies dat er zou kunnen zijn als de uitvinding of de propositie die men in dit Anagram heeft beschreven voor de wereld nuttig is, en de bedenker zou komen te overlijden zonder er bekendheid aan te geven. Ik zou blij zijn als u een uitweg zou kunnen voorstellen.

    Het andere is, dat ik het zeer van pas vind komen dat u ons laat weten of u werkt aan de zaak die in uw anagram is bevat. Overigens, over wat ik zojuist zei lijkt het niet onredelijk dat men in geval van sterfte het zo doet dat zulke Anagrammen worden uitgelegd opdat, als de Auteur komt te overlijden voordat hij een nuttige uitvinding heeft voltooid die hij zich daarbij heeft voorgesteld, men te weten kan komen wat het was. En als dan de zaak, dat wil zeggen de Titel of beschrijving van de zaak, bekend is zal er een Verstand te vinden zijn dat bekwaam genoeg is om de voorgestelde uitvinding tot stand te brengen, iets waaraan hij nooit gedacht zou hebben als de zaak hem niet genoemd was.

    Maar ik geef me teveel vrijheid als ik een uurtje vind om u te onderhouden. Wat voor mij nogal moeilijk is, dat verzeker ik u, omdat ik de eer heb één van de twee te zijn die zijne Majesteit dienen in zijn Chemische laboratorium, en enige weken achtereen heb ik nauwelijks een moment voor mezelf vanaf de morgen tot de avond, behalve om twaalf uur. Hoe het ook zij, aangezien ik nog plaats heb voor twee of 3 regels en even tijd om te vullen, moet ik uw geduld een beetje meer op de proef stellen om u te zeggen dat, hoe weinig het er ook op lijkt dat iedereen zich de moeite geeft de Universele taal 10) te leren, men zich heel makkelijk van het karakter kan bedienen om zich uit te drukken en te worden begrepen in elke taal. De Koning heeft het al geleerd, en naar zijn voorbeeld legt iedereen zich erop toe.
Het is nu tijd om u te zeggen dat ik van ganser harte ben

        Monsieur
Vostre treshumble et tresaffectionné serviteur
R. Moray.      


    9)  Zie No. 1701.         10)  Zie het werk van J. Wilkins, in No. 1721, noot 9.

    [ *)  Mordechai Feingold, 'Huygens and the Royal Society', in De zeventiende eeuw, 12, (1996) 22-34.]





Overzicht

Moray Huygens
T. III 1661 14 7
T. IV 1662 9 10 + 2 App.
1663 9 6
T. V 1664 12 + 2 App.  12
1665 14 10 + 1 App.
T. VI  1666 2 2
1668 1 1
1669 2 2


63 + 2 App.  50 + 3 App.





Home | Christiaan Huygens | T. VI
< Briefwisseling met Robert Moray, 1666-69 (top)