Chr. Huygens | Oeuvres III | Moray >

April , juni , juli , augustus , september , oktober , november , december



Vertaling van de

Briefwisseling met Robert Moray

1661



[ 260 ]

No 851.

R. Moray 1) aan Christiaan Huygens.

1 april 1661 2).

[ Deze brief is verkeerd gedateerd, zie bij 1 april 1663.]


    1)  Sir Robert Moray (Murray) ... werd geboren omstreeks 1610 en overleed op 4 juli 1673 te Londen ... Hij bracht zijn jeugd door in Frankrijk, waar hij na zijn opleiding een gunsteling van kardinaal Richelieu werd. In 1660 kwam hij in de Privy-Council en hij werd de eerste voorzitter van de Royal Society, waarvan hij mede-oprichter was geweest.  [A. Robertson, The life of Sir Robert Moray, London 1922.]
    2)  We merken op, ten aanzien van alle brieven van R. Moray, dat men in Engeland nog de 'oude stijl' volgde.
    [ Over eerdere contacten tussen Moray en Huygens is niets gevonden, maar Moray is in Den Haag geweest in het gevolg van de prins van Wales (de latere Karel II) aan wie Christiaan in okt. 1658 een telescoop aanbood, zie 'Biografie', T. 22, 519. Moray wordt niet genoemd in het verzendlijstje voor Horologium (sept. 1658, zie T. II, p. 209), wel: Wallis en Bruce (Brus).
Lisa Jardine (Sarton chair, Inaugural lection, 2010) 'Accidental Anglo-Dutch collaborations', p. 18 (en Going Dutch, 2008, p. 268-9): citaten uit brieven van Moray aan Bruce waaruit blijkt dat Moray Huygens nog niet ontmoet had in april 1658.
Robertson (1922), p. 98: "Moray ... left the Hague for Maastricht (July 3, 1657)" en p. 148, n. 1: "... at the Hague ... in 1648 between May and September".]



[ 268 ]

No 857.

[R. Moray] 1) aan Christiaan Huygens.

[april 1661.]

De brief is in Leiden, coll. Huygens.

De heer ridder Neile 2) heeft mij vanmorgen dit boek*) gebracht. Lees het, en met oplettendheid. Ik was van plan een stuk te maken voor degenen die de samenstand van de Zon en Mercurius 3) gaan waarnemen, over dingen waarop ze moeten letten. Maar ik moet het aan u overlaten. Ik verzoek u dus er een op te stellen, en ik zal proberen hem nauwkeurig te laten waarnemen. Ik ben gisteren thuisgekomen toen u juist weg was. Zo God wil zal ik er vanavond om 7 uur zeker weer zijn, tot die tijd kan ik er niet zijn en u niet bezoeken.

        Pour Monsieur de Zulicom.


    1)  Dit briefje is van de hand van Sir Robert Moray.
    2)  Paul Neile. Zie brief No. 260 [280], noot 1.
    [ *)  Misschien het manuscript van Horrocks (zie hierna)? Later noemt Moray het ook een 'boek': T. IV, p. 320.]
    3)  We veronderstellen dat deze brief geschreven is tegen het eind van april, omdat de overgang van Mercurius over de Zon plaats vond op 3 mei 1661, om 4 h, 50 min., middelbare Greenwich-tijd; dit is het tijdstip van het midden van de overgang. Chr. Huygens heeft deze waargenomen (zie App. No. 866).



[ 277 ]

No 864.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

10 juni 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Chr. Huygens antwoordde met No.
868.

A Whitehall, ce 31 May. 1661.    

        Monsieur

    U dient te weten hoeveel voldoening ik had in de eer met u te spreken, als u zich tenminste herinnert wat ik u zo vaak heb gezegd. Maar u zult zich moeilijk kunnen voorstellen hoeveel vreugde uw brief 1) me heeft gebracht: u laat me daarin niet alleen zien dat u op mij gesteld bent, maar ook dat u gelooft dat ik op u gesteld ben. Op mijn woord, u vergist zich heus niet. Ik ben niet de enige die verheugd is te vernemen dat u voorspoedig in Den Haag bent aangekomen. Allen die u mij noemde, en heel de rest van onze Society, vinden het even belangrijk als ik; maar die heren Brouncker, Neile, Slingsby 2), en Boyle zijn zo voldaan over de herinnering die u aan hen hebt, dat ik er bijna jaloers van word.
Dat is wel genoeg van dit soort gepraat. Ik geloof dat onze vriendschap al zo'n goede grond heeft, dat het niet meer nodig zal zijn beleefdheden uit te wisselen. Laten we het dus voortaan doen met openhartigheid, zonder complimenten. Afgelopen woensdag 3) heeft de heer ridder Digby ons een uur onderhouden met een verhandeling,


    1)  Deze brief is niet teruggevonden. [T. XXII, 582: 27 mei in Den Haag aangekomen.]
    2)  Henry Slingsby, lid van de Privy Council, was een van de eerste leden van de Royal Society.
    3)  Dat was op 7 juni, 28 mei (oude stijl). In deze zitting ging Digby voort met de verhandeling waarmee hij was begonnen op 23 januari (o. st.).

[ 278 ]

over Vegetatie 4); waarvan ik u een exemplaar zal sturen zodra ze gedrukt is. We werken al aan toebereidselen voor Telescopen. U zult vernemen welke vorderingen gemaakt worden. Denk aan uw belofte de stukken te publiceren die u al hebt afgemaakt, over beweging &c. En intussen, daar er hier helemaal geen exemplaar is van wat zich heeft afgespeeld tussen u en Eustachio Divini, stuurt u ons er een paar. En als hier iets is dat u wilt hebben, laat het me weten. Ik kan u nu niet onderhouden over onze zaakjes zoals u misschien wenst, een andere keer zal ik u er het hoofd mee doen breken. Ik ben van ganser harte

        Monsieur
Vostre treshumble et tresaffectionné serviteur
R. Moray.

A Monsieur
Monsieur Constantin 5) Hugens
1 ß de Zulicom, le Fils.
XII A la Haye.    


    4)  A Discourse concerning the Vegetation of Plants spoken by sir Kenelme Digby at Gresham College, 23 Jan. 1660-1661, at a Meeting for Promoting Philosophical Knowledge by Experiment. London 1661. in-4o [in-12o].
[ Fr. 1667, p. 57-8: Drebbel, "nourriture des poulmons ... sous les eaux", voedsel voor de longen ... onder water.]

    5)  Zie over dit foutieve adres brief No. 868 van Chr. Huygens [hierna].



[ 282 ]

No 867.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

23 juni 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Chr. Huygens antwoordde met No.
881.

A Whitehall ce 13. Juin.    

        Monsieur

    U zou enige aanleiding hebben mij verwijten te maken, als ik de heer Oldenburg laat vertrekken zonder hem enkele regels voor u mee te geven. Ik zal u evenwel geen complimenten maken. En hij zal me de moeite besparen u alle kleinigheden te vertellen die in onze bijeenkomsten zijn voorgevallen, sinds uw vertrek, & al het resterende van wat u kunt verlangen van ons te weten. Ik wil echter dat u zich verplicht voelt, ons nieuws van u te geven en het niet uit te stellen tot zijn terugkeer. Uit mijn laatste brief 1) zult u hebben begrepen hoeveel voldoening al uw vrienden van onze Society gehad hebben over wat ik hun heb gezegd namens u. Nu zult u zien dat ik me houd aan wat ik u gezegd heb. Omdat ik werkelijk ben

        Monsieur
Vostre treshumble et tresaffectionné serviteur
R. Moray.

A Monsieur
Monsieur Constantin 2) Hugens
de Zulicom, le fils
A la Haye.    


    1)  Zie brief No. 864.
    2)  Zie over dit foutieve adres brief No. 868 van Chr. Huygens.



[ 283 ]

No 868.

Christiaan Huygens aan [R. Moray].

24 juni 1661.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
864. Moray's antwoord: No. 869.

A la Haye ce 24. Juin 1661.    

        Monsieur

    Ik ben het zeer met u eens dat we complimenten en overbodige beleefdheden uit onze brieven bannen, en ik zie heel goed, wanneer ik de neiging zou hebben (wat helemaal niet het geval is) u langs die weg aan te vallen, dat u er honderdmaal meer van weet dan ik en dat ik er nooit met ere vanaf zou komen. Omdat er in uw brief het opschrift Constantin stond in plaats van mijn naam, is hij van hier naar Brussel verzonden waar mijn vader was 1), die hem heeft teruggestuurd naar mij. Zonder deze vergissing zou ik vorige week met de gewone post geantwoord hebben.

    Ik verlang er uitermate naar, de verhandeling 2) van de heer Digby te zien die u hebt gehoord. Deze stof is heel mooi en heel zonderling, en ik twijfel er niet aan dat er in de genoemde verhandeling nieuwe waarnemingen en inzichten zijn om ons de raadsels ervan duidelijker te doen begrijpen dan men tot nu toe deed. De heer Descartes heeft in zijn Philosophie niets gezegd over vegetatie, ik weet echter dat hij zich enige tijd had gewijd aan het bestuderen ervan, en dat hij glazen vol aarde had waarin hij zaad van enkele kruiden stak, zodanig dat ze het glas aan de binnenkant raakten, om ze te kunnen waarnemen als ze opgroeiden.
Ik ben blij dat u nog steeds bij het goede voornemen blijft, aan verrekijkers te laten werken. Met de mijne heb ik Saturnus alle afgelopen dagen waargenomen, en ik zie duidelijk dat zelfs niet het kleinste deel van bol van Saturnus buiten de ovaal van de ring komt, boven of onder, wat niet zo zou moeten zijn, volgens de verhouding van de middellijnen van ring en genoemde bol die ik had gesteld op 9 tot 4. Ik ben dus te weten gekomen dat we de ring naar verhouding groter moeten stellen, en dat zijn middellijn tot die van de bol minstens moet zijn als van 17 tot 6. Ik heb me een Saturnus laten maken met een cirkel van koper, zoals ik die bij u heb gezien, maar met de genoemde verhouding; en nadat ik hem geheel met wit papier had bekleed, zie ik dat hij, uit de verte gezien en goed verlicht, me alle fasen goed oplevert. Ik wrijf het papier met krijt in, wat hem overal even wit laat uitkomen.


    1)  Op 25 mei 1661 werd vader Constantijn Huygens afgevaardigd naar Brussel, vanwaar hij op 21 juni terugkwam.
    2)  Zie brief No. 864, noot 4.

[ 284 ]

    Ik zal niet nalaten u exemplaren te sturen van mijn Antidivini 3), wanneer ik daarvoor een gelegenheid zal vinden.
    Ik had u verzocht voor mij te bemiddelen bij de heer Boyle opdat hij me de waarneming van de bijzonnen zou willen meedelen. Wilt u dus zo goed zijn eraan te denken.
    Men schrijft me uit Parijs 4) dat de academie bij meneer de Montmor weer op stoom komt door rivaliteit met de uwe, en dat men zich er liever wil toeleggen op experimenten dan op elke andere oefening, waarin alleen het denkvermogen een rol speelt. Ziedaar een goede uitwerking, alleen door uw voorbeeld geleverd. U zult me eindeloos verplichten door me van tijd tot tijd bericht te geven van wat men in de Illustere vergadering behandelt, en over belangrijke besluiten die er genomen worden. Geloof maar dat ik niet minder belang stel in de vestiging ervan en in alles wat haar aangaat, dan in elk van hen die er deel van uitmaken*), en dat ik volkomen ben

Monsieur
Vostre tres humble et tres obeissant serviteur
Chr. Hugens de Zulichem.        

    De klokkenmaker hier zei me dat al een maand geleden een uurwerk met een slinger van 3 voet naar Londen was gegaan, in opdracht van de heer Bruce 5). Ik geloof dat het dat uurwerk is dat hij aan u had beloofd, en ik zal graag horen hoe u het vindt.


    3)  Huygens verwijst hier naar zijn 'Brevis Assertio'. Zie brief No. 782, noot 3.
    4)  Zie brief No. 861.
    5)  Robert Bruce ... [Alexander Bruce, zie 'Biografie', T. 22, 579 e.v.]
    [ *)  De brief is voorgelezen in de Royal Society, zie Birch, The history of the Royal Society, I (1756) p. 49, zitting van 9 okt. 1661. Maar er staat: "dated 24 July 1661, N.S." i.p.v. 24 June 1661, N.S.]



[ 285 ]

No 869.

R. Moray aan [Christiaan Huygens].

1 juli 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
868. Huygens' antwoord: No. 874.

A Whitehall ce 21. Juin. 1661.    

        Monsieur

    De domme fout 1) die ik heb gemaakt in mijn laatste brief zal u ongetwijfeld aan het lachen hebben gebracht. Ik verzeker u dat de heer Mylord Brouncker & ik er hartelijk om gelachen hebben. Ik zal me er dus tegenover u niet voor verontschuldigen. Ik zie wel dat u de hovelingenstijl alleen naar mijn voorbeeld helemaal zult verlaten. Laten we het dus hierbij laten.
    De heer ridder Digby laat zijn verhandeling over vegetatie drukken 2). Zodra die klaar is zal ik u enkele exemplaren ervan sturen. U weet dat hij een geleerd iemand is, & dat hij één van degenen is die voor zichzelf principes hebben opgesteld, & die daarop systemen van physica hebben gebouwd, waarmee ze natuurverschijnselen verklaren. Het is niet nodig dat ik u een nauwkeurige beschrijving van hem geef. U weet dat hij een zeer verlichte geest heeft, dat hij een groot scheikundige is, en zeer welsprekend. Maar denk eraan, en laat het weten aan degenen wie het naar uw oordeel betreft, dat wanneer een lid van onze society een of ander essay publiceert met zijn gevoelens aangaande een wetenschap of onderdeel van de filosofie, dat de Society er niet bij betrokken is, tenzij dit echt vermeld wordt. In deze verhandeling van de heer Digby staan aardige dingen. Maar mettertijd zal de society de waarheid onderzoeken van wat hij zegt te hebben ondervonden, en alles rigoureus op de proef stellen, zoals ook alle stukken van de heer Boyle en anderen.
    Naar we hopen zal over enkele dagen 3) onze society naar behoren worden opgericht; de bijzonderheden zult u vernemen. Zodra dat gebeurd is zal men, met Gods hulp, in een ander licht overgaan tot experimenten dan tot nu toe. De groei van planten zal daarbij niet vergeten worden. De heer ridder Neile heeft de zorg voor Tescopie 4). Hij heeft nog niet geprobeerd lenzen te maken op uw manier. Hij werkt eerst aan het maken van enkele met de hand, zonder hulp van een stok, om te zien tot waar de vaardigheid van alleen de hand kan komen en hij heeft een of twee nieuwe lenzen gemaakt die nog beter zijn dan die welk u hebt gezien, van 35 voet. Maar over een week


    1)  Moray heeft het over het verkeerde adres van zijn brief.
    2)  Zie brief No. 864, noot 4 [hierboven].
    3)  Het 'Royal Charter' (of patentbrieven) van de Royal Society werd pas getekend op 15 juli 1662 (oude stijl).  [Voor wat eraan voorafging zie 'The Record' (1897).]
    4)  Lees: Telescopie.

[ 286 ]

of twee willen we ons bedienen van uw manier, en hulpmiddelen bouwen voor de grootste bollen die we tot nu toe hebben gehad.
De heren Brouncker & Neile hebben al gezien wat u mij bericht betreffende uw nieuwe waarnemingen van Saturnus; en ze zijn even verheugd over wat u ervan zegt, als tevreden over uw oprechtheid en vernuftigheid. Zij hadden wel opgemerkt, evenals u, dat de bol van Saturnus niet buiten de ring komt; maar ze hadden er niet over nagedacht of dit overeenkwam met de verhouding die u eraan had toegekend, of niet. Maar nu u hun dit hebt ingegeven zijn ze vastbesloten er oplettend naar te kijken en u mee te delen wat ze erover zullen oordelen.
Ik moet de fout bekennen die ik heb gemaakt door niet met meneer Boyle te praten betreffende wat hij u heeft beloofd over de bijzonnen, maar het zal voor mij als een soort excuus kunnen dienen als ik u zeg, dat hij uw eerste brief 5) heeft gelezen. Niettemin zal ik trachten voor u van hem te verkrijgen wat hij u heeft beloofd.
Het doet ons goed te vernemen dat ons voorbeeld als prikkel gediend heeft voor dat geleerd gezelschap dat bijeenkomt bij de heer de Montmor, om hen aan te sporen tot onderzoek van de waarheid der dingen met de juiste middelen. We zouden verheugd zijn als alle anderen van Italië hetzelfde zouden doen. We hebben een brief 6) opgesteld voor de heer de Montmor die een correspondentie tussen ons zal doen beginnen zoals zij wensen, volgens wat een lid 7) van onze society ons namens hen heeft gezegd 8), iemand die onlangs bij hen op luisterrijke wijze ontvangen en onthaald is.
Ik weiger niet de moeite te nemen zoals u wilt, u af en toe mee te delen wat er bij ons omgaat. Maar weet wel dat ik wil dat u mij alles ervoor betaalt wat het waard is. Dat wil zeggen: als ik vind dat u zo weinig bezet bent, dat u niet iets nieuws aan mij hebt mee te delen elke keer dat u me schrijft, dan zal ik u bezigheden geven.
Nadat u bent vertrokken hebben we ervoor gezorgd dat de koning meneer Wren opgedragen heeft te werken aan de constructie van een Globe, precies gelijkvormig met de Maan*). Hij heeft er al enige vorderingen mee gemaakt. En ik denk dat u wel graag zou hebben dat het gedaan was. De koning  9) hem nog een andere taak gegeven. Namelijk figuren te tekenen van alle kleine insecten en andere diertjes, zoals de microscoop ze laat zien, waarin hij uitstekend zal slagen. Maar ik herinner me dat meneer Oldenburg heeft ondernomen u mondeling te informeren over alles wat bij ons is voorgevallen sedert uw vertrek; anders had ik deze keer een heel boekwerk voor u geschreven, denk ik; daar ik nu heel toevallig meer tijd heb,
    5)  Deze brief van Chr. Huygens aan R. Moray is nergens gevonden. Zie brief No. 864.
    6)  Deze brief in het Latijn werd geschreven op 22 juli 1661 (o. st.). Sorbière, secretaris van de Société de Montmor, antwoordde op 25 augustus 1661.
    7)  Volgens het Reys-Verhael [T. 22, p. 576] was dit kolonel Sir Samuel Tuke, lid van de Royal Society, die in Parijs, in een bijeenkomst bij de Montmor, betrekkingen ermee had voorbereid.
    8)  In de bijeenkomsten van de Royal Society van 15 mei en van 12 juni (o. st.).
    [ *)  I.v.m. lengtebepaling op zee, zie R. Lomas, 'Sir Robert Moray - Soldier, scientist, spy ...': "Rooke recognised the moon as a giant sundial".]
    9)  Voeg toe: heeft.

[ 287 ]

dan ik gehad heb ik weet niet wanneer. Niettemin moet ik nog enige andere bijzonderheden toevoegen waarover hij u niets zal kunnen zeggen. We hebben enkele experimenten gedaan met bepaalde vergiften, & andere moeten we nog doen. Iemand van ons college, de heer doctor Charleton 10), hield woensdag 11) een heel aardige verhandeling voor ons over het experiment dat hij voor ons had gedaan, over Nux Vomica, en over vergif in het algemeen; die hij misschien zal kunnen drukken.
Maar tot zover de vrije tijd, die me gekort zal worden. En in feite, wanneer dat niet zo zou zijn, vind ik dat het me onmogelijk zou zijn u in één keer het verhaal te geven van alle kleine dingen die we onder handen hebben. Daarom moet u zich voor het ogenblik hiermee tevreden stellen.
Ik heb nog geen nieuws gekregen over dat Uurwerk waarover u het hebt, maar ik twijfel er niet aan dat het me geleverd zal worden zodra het is aangekomen. Je suis de tout mon coeur

        Monsieur
Vostre treshumble tresobeissant &
tresaffectionné serviteur        
R. Moray.


    10)  Walter Charleton werd geboren te Shepton Mallets (Somerset) op 2 februari 1619 en overleed op 24 april 1707 te Londen. In 1641 werd hij doctor in de medicijnen. Hij werd geneesheer van de koning en in 1698 ging hij zich wijden aan de bibliotheek van Harvey.
    11)  Dit was op 19 juni (o. st.).



No 870.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

8 juli 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Huygens' antwoord: No.
874.

A Whitehall ce 28. juin 1661.    

        Monsieur

    Ziehier wat meneer Boyle u had beloofd 1). Zoals ik u openlijk heb bericht dat het niet aan mij lag dat hij het u niet eerder heeft opgestuurd, zo is het ook nodig voor zijn verdediging, dat ik u zeg, dat hij het 15 dagen in zijn zak heeft gehouden zonder de gelegenheid te hebben het mij in handen te geven. Over enkele dagen zult u weten wat meneer Mylord Brouncker heeft gevonden 2) bij het doen van experimenten om


    1)  Zie Aanhangsel No. 871. [Hevelius (7 zonnen), in het Engels; 'Kringen en bijzonnen', T. 17, 425.]
    2)  Zie Aanhangsel No. 889.

[ 288 ]

de verhouding te weten van de terugstoot van Kanonnen en andere vuurwapens, die heel aardig en verrassend is. U moet weten dat heel onze Society, waarin verscheidene van de meest geleerde naturalisten zitten, in heel Engeland niet het middel kan vinden om een open wond te vergiftigen 3). Komende week zullen we enkele experimenten hebben betreffende het samendrukken van water.
Ik word hier onderbroken, zodat ik niet meer kan toevoegen dan:
Je suis de tout mon coeur

        Monsieur
Vostre treshumble tresobeissant &
tresaffectionné serviteur        
R. Moray.        
1 ß
12 st. A Monsieur
XII Monsieur Christian Hugens de Zulichem
A la Haye.    


    3)  In die tijd probeerden leden van de Royal Society, zonder succes, honden te doden door middel van giftige pijlen of door een slangenbeet. [Sprat 1667, p. 223: "Vipers biting Dogs ... Experiments with a Poyson'd Indian Dagger on several Animals ..."]



[ 297 ]

No 874.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

15 juli 1661.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
869, 870. Moray's antwoord: No. 879.

Ce 15 Juilet 1661.    

        Monsieur

    Enkele Franse vreemdelingen die me zijn komen bezoeken en die ik moet begeleiden op een tochtje dat ze buiten Den Haag willen maken, gaan me deze hele dag meenemen, en toch moet ik antwoord geven op twee van uw brieven, ook al zou het met maar drie woorden zijn.
Ik zeg u en meneer Boyle dank voor de waarneming van de bijzonnen 1), die geheel en al mooi is maar ik zou behalve de beschrijving iets van een figuur hebben gewenst om de hele zaak beter te begrijpen; want er zijn enige passages die een beetje duister zijn, en die ik niet zou kunnen verklaren zonder een iets andere lezing. Ook ontbreekt een meting van de afstand van de zonnen, om deze te krijgen en ook de figuur zal ik me tot de waarnemen zelf moeten richten, want ik denk dat u niets anders hebt dan wat u me hebt gestuurd. Er is niet één zon of cirkel bij dit verschijnsel waarvan ik de oorzaak kan verklaren.

    Ik zie nog niet de heer Oldenburg 2) verschijnen, die ik heel graag wil ontmoeten om door hem uitvoerig te worden ingelicht over de bezigheden van uw vergadering. Ik ben u evenwel zeer verplicht wegens wat u me erover zegt in uw eerste brief. Ik zie dat de heer Neile zijn manier om lenzen te maken nog niet opgeeft voor de mijne, en toch, als hij de grote handslijptoestellen niet laat varen, geloof ik niet dat hij met veel succes zal laten werken*). Die lenzen die hij naar u zegt nog beter heeft gemaakt dan die welke hij had van 35 voet, kunnen wel eens niet zeer goed zijn, want naar mijn mening was hij niet veel waard, en veel minder dan de andere van 22.
De heer Wren heeft daar twee opdrachten van belang gekregen, die niet de gemakkelijkste zijn. Wanneer die Maanglobe [<], of de halve, klaar is zal ik zeer in de verleiding komen hem te komen bekijken, want het zal zeker iets heel moois zijn. U zou mij ook wel zo'n bezigheid willen geven, te weten als ik overigens niet bezet zou zijn; en u schijnt te willen geloven dat ik het niet ben, wanneer ik u niet elke keer iets nieuws heb mee te delen. Wat geheel en al onrechtvaardig is, want ik verzeker u dat ik nog voor lange tijd werk genoeg heb, om verscheidene van mijn oude vondsten in het net te schrijven, en enkele halfvoltooide verhandelingen die ik


    1)  Zie het stuk No. 871 [en T. 17, 425].
    2)  Oldenburg kwam pas eind juli in Den Haag aan. Zie brief No. 881.
    [ *)  Zie T. 17, 301: tekening van 1662.]

[ 298 ]

[van plan ben] 3) te vervolmaken en uit te brengen. Ik beklaag me er alleen over dat ik niet zoveel vrije tijd heb als ik zou willen, hier in het vaderland, waar ik teveel vrienden en verwanten heb om de tijd te kunnen regelen zoals ik zou wensen.
Je suis

        Monsieur
Vostre treshumble et tres obeissant serviteur
Chr. Hugens de Zulichem.        

A Monsieur
Monsieur Moray Chevalier
A
1 ß     dans Whitehall
du coste du jardin
    Londres.    


    3)  Hier is het papier gescheurd door de was.



[ 305 ]

No 879.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

21 juli 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
874.

A Whitehall cet 11. Juillet 1661.    

        Monsieur

    Wij hebben niets anders over die bijzonnen dan wat ik u heb gestuurd, namens meneer Boyle. Het enige middel om te krijgen wat ontbreekt is aan de heer Hevelius te schrijven, zoals u zegt. Intussen verheugen we ons zeer met de verzekering die u ons geeft dat u de oorzaken van al die verschijnselen kunt verklaren. Maar dat is niet alles. U zult ons ook toestaan te hopen, dat u ons binnenkort alles zult openbaren wat u over dit onderwerp hebt bedacht.
Ik twijfel er niet aan dat u meneer Oldenburg ontmoet zult hebben voordat deze brief bij u zal worden afgeleverd. Meneer Wren zal wel trots zijn op wat u zegt van zijn Maanbol. Ik zal het hem binnenkort berichten.
Het staat net zo ver van mij af te denken dat u zonder een mooie en nuttige bezigheid zit, als te wensen dat u het zou zijn, & ik begrijp heel goed wat u zegt over onderbrekingen die men krijgt door bezoek dat niet gelegen komt, maar dit alles belet me niet, te geloven dat u altijd genoeg vrije tijd zult vinden om af te maken wat u onder handen hebt.
Wij zijn altijd bezig met een of ander experimentje. U zult er enige bijzonderheden van horen als ze gedaan zijn; de laatste gaan over samendrukking van water, en van lucht. Dit is alles waarvoor ik op het ogenblik tijd heb om u te zeggen, behalve:
Je suis de tout mon ame

        Monsieur
Vostre treshumble et tresobeissant serviteur
R. Moray.        
A Monsieur
Monsieur Christian Hugens de Zulecheim
1 ß
XII.
a la Haye.    



[ 307 ]

No 881.

Christiaan Huygens aan [R. Moray].

1 augustus 1661.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
867. Moray's antwoord: No. 884.

A la Haye ce 1 d'Aoust 1661.    

        Monsieur

    Eindelijk is de heer Oldenburg hier aangekomen en nu heeft hij mij uw brief van 13 juni 1) gegeven. Hij komt van Bremen en heeft ook onze steden Amsterdam en Leiden bezocht, waar hij enkele Filosofen heeft gesproken die ik nog slechts van naam ken. Onder anderen die Borri 2), met wie hij lang heeft gesproken, waarover hij me verscheidene bijzonderheden vertelde. Van deze grote Llullist 3) neemt hij een brief mee voor de heer Digby, waarin een stukje van zijn onbrandbare hout zit, waarvan ik, nadat men in uw vergadering de proef zal hebben gedaan, heel graag wil weten wat men erover oordeelt. Het verhaal over de kreeften 4) dat meneer Oldenburg me meedeelde is verbazingwekkend, maar ik beken dat ik moeite heb het te geloven. Het is de moeite waard als uw academie een proef neemt van deze reproductie, als de schrijver het althans in ernst bevestigt.

    Als het vanavond helder is zal ik zoals beloofd meneer Oldenburg de maan laten bekijken door mijn telescoop, maar het ziet er niet naar uit, en hij vertrekt naar zijn zeggen morgen. Hij heeft me een brief laten zien van de heer Thevenot, zijn vriend en correpondent uit Parijs, waarin gesproken wordt van een bepaalde nieuwe vondst of ontdekking 5) van groot belang, zonder uit te leggen wat het is. Ik hoop dat deze zoveel waard is als valt op te maken uit zijn woorden.

    Ik heb me enkele dagen beziggehouden met muziekstudie, en de verdeling van het monochord, waarop ik met succes algebra heb toegepast. Ik heb ook gevonden dat logaritmen daarbij zeer van pas komen, en zo ben ik deze


    1)  Zie brief No. 867.
    2)  Giuseppe Francesco Borri geboren op 4 mei 1627 te Milaan, overleed op 10 augustus 1695 te Rome. Was alchemist en vrijdenker, moest uit Rome vluchten, kwam in Denemarken bij koning Frederik III. In 1670, op weg naar Turkije, werd hij gevangen genomen en in Rome in de inquisitie-gevangenis geworpen, waar hij niet meer uitkwam. [Zie ook No. 1031, n. 16.]
    3)  Raymond Llull werd geboren op Palma (Majorca) in 1235 en overleed te Bougie in 1315. Werd na een roerige jeugd in zijn 31e jaar Franciscaan, en ging reizen om overal het geloof te verkondigen. Filosoof, spreker en alchemist, schreef talloze werken, het aantal loopt tot 4000.
    4)  Te vinden in het werk genoemd in brief No. 864.
    5)  Zie hierover brief No. 928.

[ 308 ]

wonderbare getallen gaan beschouwen en de ijver en het geduld bewonderen van degenen die ze ons hebben gegeven. En als de moeite nog niet genomen zou zijn, ik heb een regel 6) om ze met veel gemak te vinden, en met nog niet een twintigste van het werk dat ze hebben gekost.

    Maar u geeft weinig om deze dingen, daar u geheel en al in de physica-studie bent. Laat me alstublieft weten welke vorderingen u maakt en geloof dat ik volkomen ben

        Monsieur
Vostre tres humble et tres obeissant serviteur
Chr. Hugens.        


    6)  De regel is te vinden in de 'Adversaria' van Chr. Huygens onder de titel: "Fundamentum regulae nostrae ad inveniendos Logarithmos, August. 1661." [T. 14, 451, zie 'Voorbericht'; zie ook T. 20, 12]. Volgens de Registers [T. 3, 40v] van de eerste jaren van de Académie des Sciences van Parijs, is hij in 1666 meegedeeld aan deze academie. Hij bleef onuitgegeven totdat de heer Bertrand hem in 1868 weer aan het licht heeft gebracht, toen hij een uittreksel van deze Registers publiceerde in de Comptes Rendus, Tome LXVI, p. 565.



[ 311 ]

No 884.

R. Moray aan Christiaan Huygens

19 augustus 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
881.

A Whitehall ce 9. d'Aou. 1661.    

        Monsieur

    De brief 1) die meneer Oldenburg me van u heeft gegeven, van de eerste van deze maand, heeft mij verlost van de zorg die ik had, dat ik zo lange tijd geen nieuws van u kreeg. Ik heb nog niet de gelegenheid gehad hem te spreken, over de heer Burrhi 2) en over andere ontmoetingen die hij op zijn reis heeft gehad. En hij is nog niet bij onze vergadering geweest. Nadat we dat onbrandbare hout zullen hebben gezien, verneemt u wat we erover oordelen. De heer ridder Digby heeft beloofd zijn verhandeling over Vegetatie te laten drukken, waarin hij het heeft over de voortplanting van Kreeften. We verlangen er zeer naar zijn voorschrift op de proef te stellen; maar dit kan pas als het gedrukt is. We hechten er echter even weinig geloof aan als u. Als


    1)  Zie brief No. 881.
    2)  Moray doelt hier op G. F. Borri. Zie brief No. 881, noot 2.

[ 312 ]

ik zou weten langs welke weg ik u een boek zou kunnen sturen zou ik het doen: De inseparabilitate Corporum 3). Hij 4) handhaaft de leer van Aristoteles tegen alle andere filosofen, Atomisten en anderen, met name tegen Torricelli, Hobbes, Gassendi, Boyle en anderen. Ik zal trachten er u een exemplaar van te doen toekomen, zoals ook van een ander 5) van de heer Hobbes tegen meneer Boyle dat ter perse is; ze denken dat het over enkele dagen klaar is.
Ik ben heel blij dat u zich hebt toegelegd op het beschouwen van Muziek. Welke mooie dingen Kircher 6) en anderen ons er ook over gegeven hebben, ik denk dat u na hen allemaal nog iets te zeggen zult vinden. Meneer Brouncker heeft ook een heel gemakkelijk middel gevonden voor de constructie van Logaritmen. Weliswaar houd ik persoonlijk veel meer van bespiegelingen over physica, dan van elke andere soort studie. Maar het is waar dat de Wiskundige wetenschappen de tweede plaats innemen. En in feite ben ik er ook zeer toe geneigd, maar het is voor mij niet gemakkelijk me er op toe te leggen, op welke manier dan ook. Vroeger ben ik uitermate verslingerd geweest aan muziek, zowel theorie als praktijk, maar na 20 jaar afleiding is mijn hartstocht wat verminderd.
Elke dag doen zich bij ons zoveel kleine dingen voor, dat het me onmog 7) is ze u te vertellen. Maar binnenkort zullen we het middel vinden om u ervan deelgenoot te maken. Ik kan u evenwel zeggen dat de heer Wren zijn Maanglobe heeft afgemaakt. En we zullen hem weldra hier hebben.

    U vergeet de boeken die u ons hebt beloofd. Laat me weten wanneer we uw Verhandeling over beweging kunnen verwachten. Nadat ik ben begonnen met schrijven heb ik nagedacht over een manier om u dat boek te doen toekomen; het kan met een bediende van een vriend van de heer de Henderson 8) die naar Holland gaat. Ik


    3De corporum inseparabilitate Auth. Th. Lino. Londini 1660 [Fr. Line, 1661]. in-8o. Er was een tweede uitgave van dit werk ['defence' van Boyle] in 1682.
    4)  De schrijver is Franciscus Hall, die schreef onder het pseudoniem Linus [andersom]. Zie brief No. 646, noot 8.
    5Dialogus physicus sive De natura aeris conjectura ... item De duplicatione cubi. Authore Tho. Hobbes Malmesb. Londini ... 1661. in-4o. Een 2e uitgave verscheen in Amsterdam in 1668 in-4o.
[ Tracts IV (1682, "Dedicated to the king, in the year 1662"), p. 15: 'Problems of vacuum' (18: "Engine they use at Gresham Colledge", 23: "Torricellioes experiment"); en p. 71: 'The Delphique problem ...' (72: To find a cube double to a cube given).]
    6Musurgia universalis sive Ars magna consoni et dissoni in X libros digesta ... Romae 1650 ... in-folio.
    7)  Lees: onmogelijk.
    8)  Het is misschien Jeremias Henderson, Schots theoloog, geboren in 1635, die in Leiden kwam studeren.

[ 313 ]

stuur hem het boek meteen. Dit is alles wat ik u nu kan zeggen, behalve:
Je suis de toute mon ame

        Monsieur
Vostre treshumble & tresobeissant serviteur
R. Moray.        
A Monsieur
1 ß Monsieur Christian Hugens de Zulichem
XII A la Haye.    



[ 317 ]

No 886.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

6 september 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Huygens' antwoord: No.
887.

A Whitehall ce 27. d'Aou. 1661.    

        Monsieur

    Vorige week stuurde ik u, via de heer ridder Swann 1), nog twee boekjes, het ene van de heer Hobbes 2), het andere van de heer Digby 3). En daar ik omstandigheden tegenkwam die me verhinderden u te schrijven op de dag van de post, heb ik dit moment genomen om het vooraf te doen, uit vrees dat ik vrijdag nieuwe belemmeringen vind. Ik verwacht uw oordeel over deze twee boeken, evenals over het eerste 4) dat ik u de week ervoor stuurde, geschreven door een priester die zich er Linus noemt, maar van wie de werkelijke naam Hall is.
De heer Wren heeft zijn Globe aan de koning gepresenteerd, die er heel tevreden over is, en het is echt een alleraardigst werkstuk, kunstig gemaakt. En hij heeft ondernomen nog een grotere te maken voor onze Society. Want die van de koning heeft maar een middellijn van 10 duim. We staan op het punt onze Society op te richten met patentbrieven van de koning, en dan zullen we het anders aanpakken dan we tot nu toe hebben gedaan. We zijn nu bezig met enkele experimenten aangaande het samendrukken van water, en van lucht, en andere dingetjes. We verzamelen de geschiedenissen van de Kunsten, en Mechanische praktijken. Het zou me onmogelijk zijn u per brief in te lichten over alle bijzonderheden waarmee we ons bemoeien. Maar ik denk dat we van tijd tot tijd zullen drukken wat er onder ons omgaat, op zijn minst alles wat gepubliceerd moet worden. Dan zult u er altijd als een van de eersten exemplaren van krijgen. En als er iets in reserve is dat men nog niet aan het licht brengt, dan zal het me altijd makkelijker zijn het u mee te delen, dan u per brief van alles deelgenoot te maken.
We verwachten echter met ongeduld de publicatie van uw Dioptrica; en uw Verhandeling over beweging. Want hoe mooi en nodig die dingen ook zijn, niemand onder ons bemoeit zich ermee, maar iedereen verlaat zich op u. Ik zou ook willen weten, of u ooit de moeite hebt genomen werktuiglijk de verhouding te meten van de snelheidstoename van lichamen die dalen, of vallen van grote hoogte.


    1)  Ridder William Swann. Zie brief No. 11a, noot 5 (Suppl. van T. II).
    2)  Zie het werk aangehaald in brief No. 884, noot 5.
    3)  Zie brief No, 864, noot 4.
    4)  Zie het werk aangehaald in brief No. 884, noot 3.

[ 318 ]

Als u oordeelt dat het de moeite waard is, lijkt mij dat u er zeer veel gemak van kunt hebben, om deze experimenten te doen op de klokkentoren van Utrecht. Ik voor mij zou blij zijn als men er enige zou doen, om te zien wat de waarheid is van wat Riccioli erover zegt*) en zelfs om er een uitvoeriger verhaal van te hebben door verscheidene experimenten te doen, zowel om de uitwerking van verschillende stoffen te weten, als van verschillende grootten en vormen. Denk er alstublieft eens over, en wij zullen trachten hier hetzelfde te doen.
Je suis avec toute la realité imaginable

        Monsieur
Vostre treshumble & tresobeissant serviteur
R. Moray.        

    In één 5) van mijn vorige brieven heb ik u verzocht mij een adres te geven om u van tijd tot tijd boeken te doen toekomen die ik u zal hebben te zenden; vergeet het niet. Meneer Boyle heeft kort geleden twee of drie stukken 6) aan het licht gebracht, over chemie en physica, die ik u graag zal sturen.

A Monsieur
7 ¼    Monsieur Christian Hugens de Zulichem
XII à la Haye.    


toren voor valproeven     [ *)  Almagestum novum (1651) 1.2, p. 382-397, met figuur: valproeven vanaf de Asinelli-toren in Bologna. In 1664 noemt Huygens de valproeven van Riccioli, in No. 1250 aan Moray.]
    5)  Zie brief No. 884.
    6aCertain physiological essays, written at distant times, and on several occasions. By the honourable Robert Boyle, London ... 1661, in-4o. Het personage 'Pyrophilus' is Richard Jones, een neef van de schrijver.
          b)  Een werk [The sceptical chymist] waarvan het jaar daarop de Latijnse vertaling verscheen: Chymista Scepticus vel Dubia et Paradoxa Chymico-Physica ..., Rotterdam 1662, in-8o [ook Londen 1662].



[ 319 ]

No 887.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

16 september 1661.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
886. Moray's antwoord: No. 902.

A la Haye ce 16 Septembre 1661.    

        Monsieur

    Vorige week ontving ik uw brief van 27 augustus, en de dag erna het boek 1) van Fr. Linus via een kamerdienaar van de heer Henderson. Ridder Swann is nog niet verschenen 2), die naar wat u me belooft de verhandelingen van meneer Hobbes 3) en meneer Digby 4) voor mij moet meebrengen, die ik graag wil zien. Ik ben u zeer verplicht dat mij deelgenoot wilt maken van al die nieuwigheden, maar voor mijn genoegen moet u me iets opdragen waarbij ik me voor u kan inspannen. Van dergelijke voortbrengselen van het verstand komt hier zeer weinig aan het licht, maar wanneer ze uitkomen zal ik niet nalaten ze u te doen krijgen. Om mij de laatste van meneer Boyle 5) te doen toekomen, weet ik geen beter adres dan ze te sturen naar de secretaris van onze ambassade, de heer Huls, die wel mogelijkheden zal hebben om ze hierheen te laten komen.

    In de tegenwerpingen van Linus of Hall heb ik niets gevonden waarover ik geheel en al tevreden ben, na er enigszins over te hebben nagedacht, zoals ongetwijfeld ook de heren Boyle en Wren hebben gedaan, en uzelf; daarom zal ik hier niet uitweiden om u mijn redenering uit te leggen*). Ik zal u alleen zeggen met welk experiment men zijn nieuwe mening zou kunnen weerleggen, te weten door in het vat van meneer Boyle, dat luchtledig gemaakt wordt, een glazen flesje te doen, vol met kwik, zonder enig restje lucht. Want als het waar zou zijn, zoals hij gelooft, dat de extreem uitgerekte en verdunde lucht van het grote vat, terwijl deze tracht zich weer te verenigen, als het ware met draadjes trekt aan het kleine flesje, totdat het breekt als het vol lucht is, zou het net zo moeten breken als het vol kwik is. En als men dus proefondervindelijk het tegendeel vindt, zal men zien dat zijn hypothese onwaar is. Ik zou het liever met kwik vullen dan met water, omdat er in het laatste enige elasticiteit lijkt te zijn, en als deze misschien het flesje zou breken zou hij het aan zijn denkbeeldige draadjes toeschrijven. De veronderstelling van de subtiele substantie die uit het kwik, water, marmer en elke soort materie wordt getrokken om


    1)  Zie No. 884, noot 3.         2)  No. 888: Swann was op 16 sept. nog niet vertrokken.
    3)  Zie No. 884, noot 5.         4)  Idem, noot 4.         5)  No. 886, noot 6.         [ *)  Zie 'Vacuüm trekt niet'.]

[ 320 ]

zulke draadjes samen te stellen, lijkt mij heel weinig waarschijnlijk, en als ik niet alle experimenten kon verklaren met de zwaarte en veerkracht van de lucht, zou ik me liever wat dan ook voorstellen dan daarop uit te komen. Maar tot hiertoe zie ik er geen die ik er niet gemakkelijk uit afleid.

    In de uitleg van het probleem van twee wielen van verschillende grootte zie ik enkele vreemde meningen van deze doctor, zoals wanneer hij beweert dat er in een uur tijds een bepaald aantal momenten is. Ik vergis me zeer als hij een goed wiskundige is.

    De Maan van meneer Wren is veel kleiner dan ik me had voorgesteld; want om er alles een beetje nauwkeurig op weer te geven dacht ik dat de diameter op zijn minst 2 of 3 voet zou moeten zijn. Om te onderzoeken of hij goed gemaakt is, zou hij 's nachts van veraf verlicht moeten worden met behulp van een holle spiegel en gedraaid totdat hij dezelfde fase voorstelt als de maan gezien door een telescoop, daaruit zou op te maken zijn of de bergen naar verhouding de juiste hoogte hebben.

    Het heeft weinig gescheeld of ik zou deze winter een reis naar Frankrijk hebben gemaakt, mijn vader begeleidend, die er heen gaat 6) voor zaken van meneer de Prins. Maar het leek me beter hier te blijven, daar ik al te veel zaken heb waaraan ik tijd wil besteden. Zodat ik me voorgenomen heb een beetje vlijtiger te zijn gedurende die lange avonden die gaan komen, dan ik heel deze zomer geweest ben; en wel om in het net te schrijven en samen te publiceren 3 of 4 van de verhandelingen die ik geschreven heb, waaronder die Dioptrica, en de bewegingsregels waarover u me steeds om nieuws vraagt.

    Wat betreft de valproeven met zware lichamen, ik weet niet waartoe nieuwe experimenten zouden kunnen dienen, tenminste die van zeer grote hoogte. Ik maak me sterk dat ik u van te voren alles kan zeggen wat erbij zal gebeuren, te weten: als u een kanonskogel laat vallen zult u vinden dat deze bij het aangroeien van de afstanden die in gelijke tijden worden afgelegd de reeks 1, 3, 5, 7, enz. aanhoudt en heel wat nauwkeuriger dan te meten is. Een bol van kurk zal zeker met enige afstand worden voorafgegaan door de kanonskogel, die men op hetzelfde moment heeft losgelaten, maar men zijn versnelling zal niet tot een bepaalde regel zijn te herleiden. Een grote van dezelfde stof zal sneller gaan en de genoemde verhouding nauwkeuriger volgen dan een kleine, en het is zeker dat een bol van kurk zo groot zou kunnen zijn dat hij even snel door de lucht zou vallen als de kanonskogel. En als er daarentegen een van gemiddelde grootte gegeven is van kurk, kan ik u zeggen van welke grootte die van lood zal zijn, die niet sneller zal vallen, te weten die


    6)  Vader Constantijn Huygens vertrok op 7 oktober naar Frankrijk, met zijn zoon Lodewijk.

[ 321 ]

waarvan de middellijn zich verhoudt tot de middellijn van die van kurk, als de soortelijke zwaarte van kurk tot die van lood. Dit volgt daaruit dat twee gelijkvormige lichamen waarvan de zwaarten zich verhouden als de oppervlakken, met gelijke snelheid door lucht of water gaan. En ik heb bevonden dat dit even goed overeenstemt met de ondervinding als met de rede*). Ik zou u de manier zeggen waarop ik deze proeven heb gedaan, maar ik ben bang dat ik u al verveeld heb met zo'n lange brief, en het is trouwens geen moeilijke zaak.
Je finis donc et demeure de tout mon coeur

        Monsieur
Vostre treshumble & tresobeissant serviteur
Chr. Hugens de Zulichem.        

A Monsieur
Monsieur Moray Chevalier
logé dans Whithall
    pres du jardin.
A
1 ß         Londres.


    [ *)  Enkele van dergelijke uitspraken over ondervinding en rede zijn verzameld, zie hier.]




No 888.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

16 september 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.

A Whitehall ce 6. Septembre 1661.    

        Monsieur

    Mijn laatste brief 1) heeft u bericht gegeven van twee boeken die ik aan de heer ridder Swann had gegeven om naar u te brengen; maar ik heb gemerkt dat hij nog niet is vertrokken; hij zegt evenwel dat hij bij de eerste gelegenheid zal vertrekken. Ik heb u ook een ander gestuurd, een maand geleden denk ik, maar meneer Oldenburg heeft me gezegd dat u het nog niet hebt ontvangen. Maar gisteren vernam ik dat er een soort "Mart Schut" 2) is, die om de twee weken een keer gaat, tussen Rotterdam en Londen. Als dit zo is, geef me dan een adres in Rotterdam om de boeken er te laten komen, en andere dingen die ik u zal hebben te sturen; en zo zal onze uitwisseling wel verzekerd zijn. En


    1)  Zie brief No. 886.         2)  Marktschuit.

[ 322 ]

als u alles wat mij zult willen sturen volgens dit briefje 3) wilt adresseren, zal het mij altijd gegeven worden. Alles wat ik u nu nog meer zal zeggen is, dat meneer ridder Digby ons afgelopen woensdag 4) een brief 5) presenteerde die de heer de Frenicle hem heeft geschreven, aangaande enkele verschijnselen &c. van Saturnus. Toen ik vond dat u daarin wordt genoemd, voelde ik me verplicht deze aan u mee te delen, en dus vindt u de kopie hierbij gevoegd 6). Volgende week zal ik u, met Gods hulp, ook iets anders hebben te sturen.
Je suis du meilleur de mon Coeur

        Monsieur
Vostre tres humble & tres obeissant serviteur,
R. Moray.        

    Ik heb geen tijd gehad de kopie te lezen van bijgevoegde brief*). Als u er fouten in vindt, laat het me weten en ik zal ze verbeteren.

A Monsieur zegel van Moray
Monsieur Christian Hugens de Zulechem
2 ß
XX
A la Haye.    


    3)  Dit adres is niet gevonden.         4)  4 september (oude stijl).         5)  No. 894.
    6)  Deze kopie is door onoplettendheid op de tafel van R. Moray blijven liggen, en werd pas op 23 september verstuurd. Zie brief No. 893.
    [ *)  App. II: Boyle aan Huygens.]



[ 336 ]

No 893.

R. Moray aan [Christiaan Huygens].

23 september 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.

A Whitehall ce 13. Septembre 1661.    

        Monsieur

    Nadat ik mijn laatste brief 1) op de post had gedaan heb ik dit bijgaande briefje 2), waarover het in de brief ging, gevonden op mijn tafel tussen andere papieren. Zulke domheden zijn voor mij nogal gewoon zoals u weet. Ik stuur u ook wat ik u heb beloofd. Het is een propositie van de heer Hobbes 3). Hij denkt het bewijs te hebben gevonden voor twee middelbaar evenredigen tussen twee gegeven lijnen. En hij had er genoeg vertrouwen in om het in handen van de koning te geven. Zijne majesteit heeft het aan meneer ridder Neile gegeven om het te laten onderzoeken in onze Society. Maar meneer mylord Brouncker, die het had gezien voordat het in het openbaar werd voorgelegd, heeft meteen een weerlegging opgesteld, waarvan u hier een kopie ziet van zijn eigen hand 4), die hij u stuurt met zijn ootmoedige dienstbetuiging. Dit is alles wat ik u nu kan zeggen, behalve:
Je suis parfaitement

        Monsieur
Vostre tres humble et tres obeissant serviteur,
R. Moray.        


    1)  Brief No. 888.         2)  Zie Aanhangsel No. 894.         3)  Idem No. 895.         4)  Idem No. 896.



[ 355 ]

No 902.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

28 september 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
887. Huygens' antwoord: No. 916.

A Whitehall ce 18. Septembre 1661.    

        Monsieur

    Alles wat u me zegt in uw laatste brief van de 16e is aan uw vrienden hier meegedeeld. Iedereen is het met u eens wat betreft de draadjes van Linus. Meneer Boyle zegt dat hij eens hetzelfde experiment heeft gedaan dat u voorstelt. En dat het flesje niet brak. Maar hij erkent ook, dat dit niet veel bijdraagt aan opheldering van de zaak, omdat men niet kan zeggen dat, als er alleen lucht in het flesje was geweest, het zou zijn gebroken. En ik voeg eraan toe dat als het gebroken was, met kwik erin, men het bijna even goed had kunnen toeschrijven aan de zwaarte van het kwik in het ene experiment, als aan het elastische vermogen van de lucht in het andere. Niettemin zijn we vastbesloten dit experiment met kwik te laten doen over enige tijd, samen met andere van dezelfde aard.
Het is waar dat de maan van meneer Wren te klein is. Maar hij gaat er nog een maken voor de Society, veel groter en nog meer gelijkvormig met de werkelijke. Het verheugt me zeer dat u werkt aan die verhandelingen, waar men zo naar verlangt. Het was met grote voldoening dat onze heren het nieuws vernomen hebben.
Wat betreft de versnelling van lichamen die van hoog omlaag vallen, welke experimenten, verbanden en regels verscheidene schrijvers daarover ook hebben opgesteld, aan volledige tevredenheid schijnt nog iets te ontbreken. En men heeft aan de heer mylord Brouncker tot taak gegeven de experimenten die al gedaan zijn te herhalen, de regels die opgesteld zijn te onderzoeken, en enkele nieuwe experimenten te doen waarvan men al een deel heeft opgezet, en van alles verslag te doen, met alles wat hij eraan zal willen toevoegen over het onderwerp. Hij heeft zich eraan onderworpen, en ik geloof dat u daarvan iets van belang zult verwachten, evenals wij. Ik had veel zin verder uit te weiden over al deze dingen, maar ik vind dat ik verplicht ben te gaan slapen, opdat ik morgen heel vroeg kan opstaan om een reisje van twee dagen te maken.

    Ik zal u het laatste stuk van meneer Boyle sturen, geheten de Sceptical Chymist 1), via het adres dat u me geeft. Weest u voortaan niet bang, verzoek ik u, mij te vervelen door de lengte van uw brieven. U moet weten dat hoe langer


    1)  Zie het werk aangehaald in brief No. 886, noot 6.

[ 356 ]

ze zijn, des te meer vermeerdert u de vreugde en de verplichtingen van allen die ze zien, evenals van

        Monsieur
Vostre treshumble & tresobeissant serviteur
R. Moray.        

    Meneer Boyle heeft me opgedragen u te zeggen dat de beleefdheid die u tegenover hem in acht neemt hem eindeloos verplicht.

A Monsieur ander zegel van Moray
Monsieur Christian Hugens de Zulichem
1 ß
XII
à la Haye.    



[ T. XXII, 71 ]

XXXVIII.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

[30 september] 1661.

Zie T. XV, p. 477 (n. 11) en 617-618, met de figuren.

A la Haye ce 30 Sept. 1661    

        Monsieur

    Ik bedank u voor de kopie van de brief van de heer Frenicle 1) die Saturnus nog zonderlinger wil laten verschijnen dan hij inderdaad is. Hij schijnt niet gezien te hebben wat ik al lang geleden schreef aan de heer Chapelain 2) die zoals hij lid is van de vergadering bij de heer de Montmor, te weten dat ik de middellijn van de ring van Saturnus groter had gemaakt, en hem nu tot die van de bol in het midden stelde als 17 tot 6 in plaats van 9 tot 4. Wat de waarnemingen van dit jaar me geleerd hebben te moeten doen. Ik heb het u ook geschreven 3), en aan de heren Hevelius 4) en Boulliau 5) en het zijn niet alleen die waarnemingen maar het is de rede zelf die waarschijnlijk maakt dat ik me heb vergist toen ik de ring zo klein maakte 6). Want omdat ik opmerk dat hoe uitstekender de kijkers zijn waarmee men Saturnus bekijkt, hoe meer de hengsels of armen uitgestrekt lijken ten opzicht van de bol (zo heeft Riccioli de verhouding van de genoemde middellijnen eerst voorgesteld als van 25 tot 14, en toen daarna als van 27 1/5 tot 14 7), maar Eustachio Divini als van 31¼ tot 14 8), daarom geloof ik dat deze armen zich zeker nog


    1)  Zie p. 337-339 van T. III.         2)  Zie p. 296 van T. III.         3)  Zie p. 283 van T. III.         4)  P. 315 van T. III.
    5)  Deze brief is onbekend.         6)  P. 299 van T. XV.
    7)  Heeft Huygens hier uit het geheugen geciteerd? In T. I van Almagestum novum van 1651 (p. 712) geeft Riccioli 13 tot 6¼, te weten 29 tot 14, en dit resultaat wordt eenvoudig herhaald op p. 355 van Astronomia reformata, 1665.
    8)  Dit gegeven kan ontleend zijn aan de schets van Saturnus van het pamflet waarvan sprake is op p. 278 van T. XV. Inderdaad geven metingen op de kopie [p. 279]: 32,3 tot 14.

[ T. XXII, 72 ]

verder uitstrekken dan onze beste kijkers ze weergeven, die nog niet de uiterste volkomenheid hebben bereikt. Wat nu maakt dat met minder goede kijkers de armen van Saturnus verkort lijken, dat is de oorzaak waarvan ik al gesproken heb in mijn Systeem 9), te weten dat lichtgevende objecten, hoe minder duidelijk men ze uit de verte ziet, des te meer ze de ronde vorm lijken te benaderen. Dus de fase van Saturnus die aan Riccioli is toegeschenen als hier in de 1e figuur 10), en met mijn kijker als in de 2e 11) waarin de armen veel langer zijn, die zou met een kijker van de hoogste kwaliteit gezien worden met nog veel verder uitgestrekte armen zoals in de 3e. En hetzelfde verschil zou zijn op te merken bij de fasen met meer open hengsels. Ik heb daarover uitgebreider geschreven naar Frankrijk, opdat de brief aan de heer Frenicle getoond zou worden 12).

3 vormen van Saturnus

    In mijn laatste brief (die ik 2 weken geleden stuurde) heb u ik laten weten wat ik vind van het boek van Linus 13). Sindsdien heb ik uw brief van 13 september ontvangen 14) met de weerlegging van de foute redenering van de heer Hobbes 15) die volkomen juist is. Ik verzoek u namens mij mylord Broucker ervoor te bedanken en hem mijn eerbiedige groeten te doen. De heer Hobbes is ongeveer een even goed meetkundige als Jos. Scaliger 16).

    Gisteren zijn mij twee goed ingebonden exemplaren gebracht van de vertaling van het boek over het Vacuüm van meneer Boyle 17) aan wie ik dank zeg, zowel van mijn kant als namens mijn vader, want gezegd werd dat een van de twee voor hem was. Ik ben wel blij dat deze mooie waarnemingen tenslotte overal gelezen kunnen worden. Ik weet niet of onder datgen wat de heer Swann 18) mij zal brengen zijn Sceptical Chymist is, waarover meneer Oldenburg me schrijft en dat ik heel graag wil zien 19).

    Ik ben nu bezig een machine te laten bouwen zoals die van meneer Boyle


    9)  T. XV, p. 273.
    10)  Zie de 2e alinea van noot 3 van p. 275 in T. XV; maar het lijkt ons dat Huygens misschien meer de 2e figuur op het oog had, toegeschreven aan Scheiner, van de plaat aan het eind van dit deel. [Zie ook: 'Vormen van Saturnus'.]
    11)  Zie ook noot 2 van p. 275 van T. XV.
    12)  Brief aan Thevenot (T. III, p. 359-362)? Datum onzeker, misschien uitgebreider dan dit concept.
    13)  De brief van 16 sept. 1661, T. III, p. 319.         14)  T. III, p. 336.
    15)  T. III, p. 342. W. Brouncker aan Th. Hobbes. The refutation. — Hobbes als wiskundige ook op p. 381 van T. XX.
    16)  Jos. Scaliger, Cyclometrica elementa duo (1594), prop. VI (p. 31): π = √10.
    17Nova experimenta ..., 1661. Zie p. 295 van T. III. Titel van het Engelse origineel: noot 3 van p. 76 hierna.
    18)  Swann wordt genoemd in de brief van noot 13.         19)  Oldenburg, 17 sept. 1661: T. III, p. 332.

[ T. XXII, 73 ]

om nog enige nieuwe experimenten in het luchtledige te doen, en het genoegen te hebben een deel te doen van die in het boek staan.

    Als het toestel klaar is zal ik u laten weten welke verandering ik heb aangebracht, want het valt eerst te bezien hoe die zal slagen 20).

    Wat meneer Oldenburg me schrijft over de bezienswaardigheden die te vinden zijn bij de heer Cervier te Lyon is heel vreemd, te weten over die lichamen die beweging geven aan andere op een afstand van 5 roeden [60 voet], en over het kwadrant dat het karakter aanduidt van degene die het aanraakt. Maar ik ben bang dat dit alles slechts mooi bedrog is 21).

    Het uurwerk dat beweegt op een hellend vlak 21) is, naar men mij zegt, uitgevonden in Straatsburg, en ik heb er eens een beschrijving van gehad met de figuur. De uitvinding is heel aardig*), maar de nauwkeurigheid niet groter dan van gewone klokwerken. Dit onderwerp is ook om meneer Oldenburg te beantwoorden, ik heb nu geen tijd hem te schrijven.
Je luy baise les mains et a tous ceux de l'illustre assemblee, et suis autant qu'on le peut estre

Monsieur
Vostre tres humble et tres obeissant serviteur
Chr. Hugens de Zulichem.


    20)  Zie over de experimenten van nov. 1661 - febr. 1662: p. 312-325 van T. XVII.
    21)  Deze onderwerpen worden inderdaad behandeld in de brief van Oldenburg, aangehaald in noot 19.
[ *)  Cf.: Maurice Wheeler, 'A movement that measures time after a peculiar manner', in Phil. Trans., 161 (1684) 647-665 + fig.  Zie: Silvio A. Bedini, 'The inclined plane clock' in La Suisse Horlogère, 1958-59.]



[ 368 ]

No 909.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

19 oktober 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Huygens' antwoord: No.
916.

A Whitehall ce 9. d'Octobre 1661.    

        Monsieur

    De drie boeken 1) die mij hebt gestuurd zijn me 3 dagen geleden gebracht, ik bedank u ervoor. Ik had eerder enkele exemplaren gevonden van een andere druk in octavo 2), en dus heb ik de uwe rondgedeeld aan meneer mylord Brouncker, aan meneer Boyle, & aan meneer ridder Neile. Over wat u me zegt in uw laatste brief van 30 september 3) heb ik verscheidene dingen te antwoorden.
Toen meneer Digby ons de brief van de heer Frenicle voorlegde was meneer Wren aanwezig (die nu doctor in de rechten 4) is). En onder andere dingen die werden gezegd, door de een of de ander, over zijn opvattingen van de vorm en van de beweging van Saturnus, erkende meneer Wren wat meneer Neile in zijn aanwezigheid had gezegd: dat hij 5 of 6 jaar geleden dezelfde gedachte had gehad over de vorm van Saturnus, maar dat hij zodra hij uw Systeem van deze planeet had gezien, die gedachte geheel en al verliet, en de uwe omarmde als zijnde veel redelijker, en overeenkomstig met zowel de verschijning, als met de andere hemelsystemen, die nu door alle geleerden worden aanvaard. Waarop meneer Digby hem vroeg hem iets te laten zien dat hij sindsdien over Saturnus geschreven had, dat hij naar zijn zeggen nog onder zijn papieren bewaard had; hij heeft het in handen van meneer Neile gegeven, en hij had maar één blad papier, en ik moet er nog een kopie 5) van sturen aan meneer Digby (die twee dagen geleden is vertrokken, zegt men, naar Parijs, met meneer de ambassadeur van Frankrijk 6)), hoewel het zonder de toestemming van meneer doctor Wren is. Meneer Digby zal hem ongetwijfeld aan meneer Frenicle tonen, die daarin zal zien dat hij niet de eerste is geweest die aan die vorm van de ring van Saturnus heeft gedacht die hij zich voorstelde. Overigens twijfel ik er niet meer aan dat meneer Frenicle hierover spoedig een andere mening zal zijn toegedaan, zoals bij de ander bijzonderheden waarvan zijn gevoelen verschillend was van het uwe, wanneer hij heeft gezien


    1)  3 ex. van Brevis Assertio, zie brief No. 864.         2)  Ed. Florence [1660]. Zie brief No. 833 [en T. XV, 396].
    3)  Deze brief is [was] niet gevonden.         4)  Wren werd Doctor of Civil Law op 12 sept. 1661.
    5)  Moray stuurde Huygens een kopie op 23 dec. 1661.         6)  Graaf d'Estrades. Zie brief No. 908, noot 3.

[ 369 ]

wat u hebt geschreven aan de heer Chapelain, begrepen wat anderen ervan zeggen, en de zaak beter overdacht. Wat betreft de verhouding van de ring tot de bol van Saturnus, het is ontegenzeglijk dat de beste Telescopen deze steeds groter weergeven, zoals u zegt.

    Ik twijfel er niet aan dat u nu de boeken hebt ontvangen die meneer Swann u brengt. Ik zal u via de secretaris 7) van de ambassadeur van Holland ofwel via meneer Odijk 8) de Sceptical Chymist 9) van meneer Boyle sturen, een van de aardigste en origineelste stukken die hij tot nu toe heeft gepubliceerd. Als u wilt zal ik u ook een ander stuk 10) sturen dat hij kort geleden heeft gepubliceerd, over de stijl van de Heilige schrift.

    Ik zal aan meneer Boyle laten weten wat u zegt van zijn boek dat u hebt. Ik ben verheugd dat u een Machine hebt laten maken zoals de zijne. We hebben ons voorgesteld die welke hij aan de Society heeft gegeven te verbeteren, voornamelijk wat betreft het buiten sluiten van lucht uit de cilinder. Maar daar u bezig bent er een te bouwen volgens uw manier, geloof ik dat we de verbetering van de onze zullen uitstellen totdat u de uwe hebt gemaakt. Daarom moet u ons alles laten weten wat gaat over het maaksel van degene die u gaat maken.

    Meneer Oldenburg heeft uw brief gelezen. Mylord Brouncker en meneer Neile laten u groeten. De heer Boyle is nu in Oxford, waar hij geloof ik werkt aan een antwoord 11) op de heer Hobbes 12), die van alle kanten slecht behandeld wordt. Ik weet niet of ik u in een van mijn vorige brieven heb gezegd dat hij, nadat mylord Brouncker hem de fout in zijn redenering had aangetoond, een brief schreef aan de heer Bennet 13) (die hij eerder had ingeschakeld om zijn propositie te presenteren


    7Van Huls. Zie brief No. 855, noot 2.
    8Willem Adrianus van Nassau, tweede zoon van Lodewijk van Nassau en Elisabeth, gravin van Hornes. Hij was heer van Odijk, en was met zijn vader in Engeland.
    9)  Het werk aangehaald in brief No. 886, noot 6.
    10)  [1661]  De Latijnse vertaling kwam later uit: Cogitationes de S. Scripturae Stylo ..., Gen. 1680, in-4.
    11An examen of Mr. T. Hobbes his Dialogus physicus de natura aeris. As far as it concerns Mr. R. Boyle's book of New experiments ..., Oxf. 1662.
    12)  Over Hobbes, Dialogus physicus, zie brief No. 884, noot 5.
    13)  Henry Bennet, graaf van Arlington, 1618-1685, diplomaat, Keeper of the privy purse ...


[ 370 ]

aan de koning) waarin hij hem bekende dat hij zijn fout had opgemerkt kort nadat hij hem zijn papier had toegestuurd; maar de goede man heeft er een deel mee verloren van het weinige van de reputatie dat hem aan het hof nog resteerde. U ziet dat ik u een lange brief schrijf, terwijl ik maar heel weinig te kennen geef, en zonder dat ik me verdedig, maar dat is omdat ik weet dat u vriendschap hebt voor

        Monsieur
Vostre treshumble et tresobeissant serviteur
R. Moray.        

    Ik heb de Sceptical Chymist gestuurd naar de secretaris van de heren ambassadeurs van Holland, die op zich heeft genomen het u te doen toekomen.

A Monsieur
1 ß Monsieur Christian Hugens de Zulichem
XII. A la Haye.    



[ 383 ]

No 916.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

4 november 1661.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
909. Moray's antwoord: No. 935.

A la Haye, ce 4 Novembre 1661.    

        Monsieur

    Ik heb de 2 boeken 1) ontvangen die u mij hebt willen toezenden via de heer Swann, en ik begin al een hele bibliotheek te krijgen van die welke u me geeft. In de


    1)  Zie brief No. 886.

[ 384 ]

Dialogus physicus 1) van de heer Hobbes vind ik niets dat steek houdt, maar alleen pure hersenschimmen. Het is bij gebrek aan verstand of omdat hij er behagen in schept tegen te spreken dat hij niet de werkelijke redenen aanvaardt van de effecten van het luchtledige, die in het boek van de heer Boyle staan. Aangaande wat hij toevoegt over de verdubbeling van de kubus, ik heb het niet willen bekijken omdat ik op overtuigende wijze weet dat het iets onmogelijks is. En overigens is het al lang geleden dat de heer Hobbes op het gebied van de meetkunde bij mij alle crediet heeft verloren.
De Verhandeling over vegetatie 2) is geleerd, welsprekend en prettig te lezen, vanwege de voorbeelden die de schrijver vertelt. Hij dringt echter minder diep door in het geheim van de natuur dan men eerst verwacht. Want men denkt dat men alles te weten zal komen, tot in de kleinste bijzonderheden. Bij het verhaal van de bonenplant ben ik verbaasd dat hij niet heeft opgemerkt dat er maar een kleine knop of kiem is waaruit de gehele plant groeit, en dat de rest van het lichaam niets naar buiten duwt, maar zich slechts in tweeën opent, en langzaam vergaat; hoewel het blijkbaar ook bijdraagt aan de groei, wat men zou kunnen beproeven als men, alvorens de bonenplant in de grond te stoppen, er een deel vanaf zou snijden. Hij heeft het ook niet over de manier waarop planten en bomen vocht uit de grond trekken, en hoe hun daarbij de koude van de nacht van dienst is, die bij deze materie een belangrijke overweging is.

    Het verschil tussen meneer Frenicle en mij gaat niet over de vorm van Saturnus, want hij beweert hetzelfde als ik, maar over de beweging. En daarom begrijp ik niet wat u zegt, dat meneer Wren hiervoor dezelfde mening zou hebben gehad als hij, want als ik het me goed herinner was het niet de hypothese van meneer Wren dat Saturnus door een ring omgeven was maar dat hij twee hengsels had, aan beide kanten vastgemaakt. Maar wat betreft de beweging voor balans zou hij het zich zo hebben vooresteld als de ander nu doet. Meneer Frenicle heeft me sindsdien een lange brief 3) geschreven waarin hij zijn zogenaamde systeem afleidt, en ik heb hem geantwoord, maar mijn broer, aan wie ik de brief 4) heb gegeven toen hij met mijn vader naar Fontainebleau was gegaan, zonder in Parijs te stoppen, zal deze nog niet afgeleverd hebben.
Mijn machine is nog niet in goede staat, daar de cilinderholte niet nauwkeurig genoeg gemaakt was, wat ik nu laat verbeteren. Bij gebrek aan goede werklieden, die ook verstandig zijn, komt men hier en daar wat moeilijkheden tegen, maar ik ben vast besloten ze onder de knie te krijgen. Vraagt u alstublieft aan de heer Boyle of onderdeel 44 in zijn figuur*) gewoon van hout is, en of hij het niet beter zou vinden als het van koper was, omdat hout onderhevig is aan trekken, en nu eens dikker wordt en dan weer minder dik. Daar u profijt wilt hebben van mijn pogingen doordat ik verandering aanbreng in mijn constructie is het terecht als ik ook profijt heb van de uwe, en dat u voor mij niet geheim houdt wat de fouten en zwarigheden zouden kunnen zijn in de machine van meneer Boyle, en die volgens hem


    1)  Zie het werk aangehaald in brief No. 884, noot 5.
    2)  Deze verhandeling is van K. Digby. Zie brief No. 864, noot 4.]
    3)  Zie brief No. 901.         4)  Deze brief hebben we niet.
    [ *)  Zie voor de luchtpomp van Boyle: New experiments ... (1660), beschrijving op p. 13.]

[ 385 ]

verbeterd kunnen worden. Hoewel hij zou kunnen zeggen dat ik hem al genoeg verplicht ben doordat hij er een zo afdoende beschrijving van heeft willen geven. Men heeft hier een heruitgave gedrukt van de Latijnse vertaling 5) van zijn boek 6) in 12o. Ik verwacht met ongeduld de Sceptical Chymist waarover u zoveel goeds zegt, en ik zou me niet minder in het vooruitzicht stellen wanneer u het me niet zou zeggen. Welke andere druk hebt u gevonden van mijn boek? Is het niet de Romeinse uitgave van de Verhandeling van Divini 7) die u bedoelt, waarin mijn antwoord niet is bijgevoegd? Of zou het die 8) zijn die in Florence is uitgegeven, want men heeft het genoemde antwoord van mij daarin afgedrukt, maar na er iets aan te hebben veranderd.
    Ik verzoek u het mij te laten weten, en te geloven dat ik ben

Monsieur  
Vostre tres obeissant serviteur
Chr. Hugens de Zulichem.


    5Nova experimenta physico-mechanica de vi aeris elastica & ejusdem effectibus, Den Haag (Vlacq) 1661, in-12  [fig.].
    6)  Zie het werk aangehaald in brief 873, noot 4.         7)  Zie brief No. 765, noot 1.
    8)  Zie brief No. 782, noot 3. Zie over deze Florentijnse uitgave ook brief No. 833 [en T. XXII, 552 (Journal): "zonder enkele passages die schokkend zijn voor de Roomse religie"].



[ 415 ]

No 932.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

23 december 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
916. Huygens' antwoord: No. 940.

A Whitehall ce 13 Decembre.    

        Monsieur

    Daar ik op dit moment niet genoeg tijd heb om u uitgebreid te schrijven geef ik u alleen dit woordje om het bijgevoegde papier 1) te begeleiden en om u te zeggen dat de brenger de heer Arel de opdracht heeft u nog een exemplaar te geven van de Sceptical


    1)  Zie Aanhangsel No. 934 [Wren aan Neile over Saturnus, 1658; met plaat].

[ 416 ]

Chymist 2) aangezien het schijnt dat het andere u niet gegeven is. Ik wil u vanavond uitgebreider schrijven met de gewone post 3).
Je suis parfaitement

        Monsieur
Vostre treshumble et tresaffectionné serviteur
R. Moray.        


    2)  Zie het werk van brief No. 886, noot 6b.         3)  Zie brief No. 935.



[ 425 ]

No 935.

R. Moray aan Christiaan Huygens.

23 december 1661.

De brief is in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
916. Huygens' antwoord: No. 940.

A Whitehall ce 13 Decembre 1661.    

        Monsieur

    Uw laatste brief van 4 november is te lang bij mij in handen geweest zonder antwoord. Maar dit is slechts uitgesteld door het wachten op een papier dat ik u vanmorgen gestuurd heb 1) via een vriend die het u zal aanbieden naar ik hoop over 3 of 4 dagen, omdat hij zich morgen moet inschepen. Het papier dat hij brengt is een kopie 2) van wat ik op aandrang van de heer Digby verschafte van de heer Wren, om het over te zenden aan de heer Frenicle, en u zult daarin zien wat ik u heb willen zeggen 3) met de ovale vorm van de ring, of van de hengsels, die de heer Wren in die tijd aan Saturnus gaf.
Want hoewel het voornaamste verschil tussen u is 4) de heer Frenicle nu niet over de vorm van Saturnus gaat, niettemin, omdat de heer Digby ons zijn mening heeft weergegeven over de ovale vorm van de hengsels als iets waaraan hij waarde hechtte en waarvan hij de eerste bedenker was geweest, heeft men slechts gesproken over de vorm. En daarover is het dat, terwijl de heer Wren en de heer Neile aanwezig waren toen de brief 5) van de heer Frenicle werd gelezen in onze vergadering door de heer Digby die hem ons aanbood, de heer Neile hem zei, dat deze mening enige jaren geleden 6) door de heer Wren niet alleen was voorgesteld, maar ook verworpen; en dat hij er iets op schrift van had gezien, vanaf het eerste moment dat hij de gedachte erover had uitgewerkt. Dit gaf aan de heer Digby aanleiding een afschrift te vragen van dit papier waarover hij het had gehad, waarbij we allen moeite hadden hem te doen toegeven. En het is zonder zijn toestemming dat ik u er een ander afschrift van heb gestuurd.
Wat de heer Digby zich hierbij heeft voorgesteld was niets anders dan de heer Frenicle te laten zien dat hij niet de eerste was die van mening was geweest dat de rand van Saturnus een elliptische vorm heeft, en dat degene die de gedachte eerder dan hij had gehad, deze had verlaten om de uwe te omarmen. Dit is wat ik heb willen zeggen met de ovale of elliptische vorm waarover ik u in een van mijn vorige brieven heb gesproken. Ik moet u ook bekennen niet de gelegenheid te hebben gehad, dit papier van de heer Wren helemaal te lezen, of


    1)  Zie brief No. 932.         2)  Zie Aanhangsel No. 934 bij de vorige brief.
    3)  Zie brief No. 909, waar Moray echter niet het woord 'ovaal' gebruikt.
    4)  Lees: en.         5)  Zie Aanhangsel No. 894.         6)  Omstreeks 1658.

[ 426 ]

de brief van de heer Frenicle te herlezen. En u ziet dat ik zonder onderscheid de woorden ovaal en elliptisch gebruik als hetzelfde betekenend; en dat ik niet nalaat u vrij uitgebreid te schrijven, volgens de belofte die ik u vanmorgen heb gedaan via de heer Arel 7), aan wie ik ook nog een Sceptical Chymist 8) heb gegeven om naar u te brengen, vrezend dat dat het exemplaar dat ik heb toevertrouwd aan de secretaris 9) van uw ambassadeurs verloren is gegaan, daar u het immers zo al lange tijd niet hebt ontvangen.
De karakterisering die u geeft zowel van meneer Hobbes als van de verhandeling 10) van meneer Digby is zodanig, dat er niets toepasselijkers gezegd kan worden. Het is niet verbazend dat degenen die het uitbotten van planten niet waarnemen, & verscheidene andere daarmee verband houdende dingetjes, er geen nauwkeurig verhaal van opstellen, & dat dientengevolge de de filosofie die ze eruit afleiden gebrekkig is. Maar we zijn nog niet tevreden met die van planten die deze geleerde en welsprekende persoon 11) heeft gebouwd, mettertijd zullen we er nog wel dieper in graven.
Ik moet u nu namens meneer Boyle zeggen dat hij, geen van zijn boeken bij zich hebbend die over zijn Machine handelen, zich niet goed herinnerde welk onderdeel het is, dat aangegeven staat als 44. Maar veronderstellend dat het de bovenkant van de Klep 12) is, die en 13) bedekt met leer om nauwer aan te sluiten bij de binnenkant van de cilinder, zegt hij dat het wel beter is dat deze van hout is dan van koper. Maar hij heeft me nog niet de memorie gestuurd die hij me heeft beloofd, om u er stelliger over in te lichten, door de redenen voor u af te leiden. Zodra ik die heb zal hem u sturen.
Hij heeft me echter gezegd dat hij bezig is een andere Machine te maken, nog nauwkeuriger dan zijn eerste. En terwijl hij misschien nog niet alle andere bijzonderheden heeft bedacht, heeft hij me opgedragen u te zeggen dat het zijn plan is, zijn cilinder evenwijdig met de horizon op te stellen, in een vat vol met water, om beter te beletten dat er lucht inkomt. Wanneer hij me er meer over zegt zult u het ook weten.
Maar dit zal voldoende kunnen zijn om u aanleiding te geven alles uit te vinden wat daarbij nuttig kan zijn. Ik moet u alleen waarschuwen dat één van de dingen die het meest van belang zijn, en misschien het moeilijkst, is: de Kraan zo in te richten, dat er (weinig of) geen lucht blijft tussen de kraan en het eind van de klep, als deze bovenin de cilinder geduwd is; is 14) zelfs is het nodig dat het gat van de kraan heel klein is.
Het valt me nu in u te zeggen, dat ik van een vriend een kraanvorm vernomen heb, die het meest uitmuntend is om zowel lucht, als water en olie, binnen te houden of buiten te sluiten, die ik nog niet aan meneer Boyle heb meegedeeld. Dat is: de bus ervan,
    7)  Zie brief No. 932.         8)  Zie brief No. 886, noot 6b.         9)  Van Huls. Zie brief No. 855, noot 2.
    10)  Verhandeling over vegetatie, Zie brief No. 864, n. 4.         11)  Kenelm Digby, werk over vegetatie.
    12)  Inderdaad. Zie het werk [p. 13] van brief No. 863, noot 9.         13)  Lees: is.         14)  Lees: en.

[ 427 ]

of het buitenste en onbeweeglijke deel, van tin maken; en het andere (dat daar ingaat, en draait) van hoorn, met een wat konische vorm, of minder nauw aan het ene eind dan aan het andere. Degene die het mij heeft verteld, maakt lampen met zulke Kranen, die nooit een enkele druppel olie laten wegvloeien, en zegt dat hij verscheidene andere heeft uitgevonden voordat hij deze vond die volmaakt goed is. Als u wilt zal ik u een kleine sturen.
U ziet nu dat wij er zeker niet aan denken iets voor u te verzwijgen van alles wat we weten. En dat u eraan gebonden bent van uw kant vrijgevig te zijn voor ons. Maar u bent er uit eigen beweging nogal toe geneigd. Niettemin zie ik dat u ons aanleiding geeft u weer dingen in herinnering te brengen die u nog niet hebt meegedeeld, en ik geloof dat het slechts is doordat u het vergeten bent. Ik zal u nu daarvan alleen aangeven de wens die wij hebben, een afschrift te krijgen van de brief 15) die de heer Frenicle u heeft geschreven, en van het antwoord 16) dat u hem hebt gezonden. Ik zal u ook zeggen dat de heer Neile wenst te weten of u het manuscript 17) denkt te laten drukken dat hij u met dat doel geleend heeft. Ik geloof dat het gaat over enige verschijnselen van Venus &c. En wat mij betreft, ik verlang er sterk naar te weten hoe het staat met het drukken van de andere stukken die u ons beloofd hebt te publiceren.
We hebben veel zin te gaan graven in de wetenschap van Beweging, en van gewicht. Maar niemand durft er een hand naar uit te steken, omdat u zich ermee hebt bezig gehouden. Alleen zal ik u zeggen dat over het voorstel dat 2 weken geleden 18) in onze vergadering is gedaan, aangaande een Universele Maat, dat wil zeggen, zodanig dat men die overal exact gelijk kan maken zonder hem van te voren mee te delen (Zoals wanneer ik u zou vragen een el lint op te sturen, of een pond suiker, Engelse maat, zonder dat u de lengte van de Engelse el of van het Engelse pond zou hebben, zou u de mogelijkheid hebben ze mij te sturen door middel van een gemeenschappelijke maat die overal te vinden is.): men is ermee bezig om te zien of dat gedaan kan worden met de slinger, aangepast volgens uw uitvinding, met segmenten van Cycloïden.
Wat men zich erbij voorstelt is, als men bijvoorbeeld een slinger kan maken van de lengte die nodig is, om precies een seconde af te meten bij elke slingering, of uitwijking, zodat deze lengte altijd gelijk zou zijn op alle plaatsen; dan zal dit kunnen gelden als basis van een universele maat waarvan alle andere maten zijn af te leiden, zowel van verschillende soorten als van verschillende hoeveelheden van elke soort. Als nu, met uw Cycloïden, twee slingers van dezelfde lengte, gerekend vanaf het zwaartepunt van het aangehangen gewicht tot de top van de draad (waarvan men het gewicht verwaarloost) met verschillende gewichten eraan
    15)  Het gaat om Aanhangsel No. 901.         16)  Zie brief No. 905 van Chr. Huygens aan M. Thevenot.
    17)  De memorie van Horrocks, door Huygens aan Hevelius gezonden, door deze gepubliceerd in zijn Mercurius in Sole visus [... Venus in Sole pariter visa anno 1639 ..., 1662, p. 109 en 111-145; Engl.]. Zie brief No. 885, noot 8 [Ned.].
    18)  In de zitting van 15 februari 1662 werd deze kwestie opnieuwd opgerakeld door Chr. Wren.

[ 428 ]

gehangen, hun uitwijkingen in gelijke tijd maken, is de zaak afgedaan. Om dus te weten of dit zo is, hebben we slingers volgens uw manier laten maken, en we zijn bezig met het betreffende experiment, waarvan u de uitkomst zult vernemen.
U zult ons misschien met recht het ongeduld kunnen verwijten, dat ons ertoe brengt deze proef te doen voordat uw verhandeling gedrukt is. Maar verwijt u ons het ongeduld niet, aangezien het, als ik denk aan het verlangen waarmee we uw verhandelingen tegemoet zien, al tien jaar is dat we erop wachten.
Overigens denk ik dat u zich zult beklagen over de tijd die ik deze keer heb gehad om u hier zo onbescheiden het hoofd te breken met een hoop overbodige woorden. Maar vrees voor uw verwijten zal me toch niet beletten te kijken of er nog iets in uw brief staat dat ik nog niet heb aangeroerd en er nog een paar woorden over te zeggen. De druk van uw Systeem van Saturnus waarvan ik melding maakte 18) is niet een van degene die me aanduidt. Maar daar ik het slechts in het voorbijgaan heb gezien bij een boekhandelaar (met de heer mylord Brouncker) die ik me niet kan herinneren, zou ik er u niet meer over kunnen zeggen. Toch zal ik trachten me erover te informeren en dan zult u het weten.
Nu zal ik u ter verdediging alleen zeggen, dat als ik niet moe was van het schrijven, ik de mogelijkheid zou vinden u nog tweemaal meer te vermoeien dan u al bent, door te lezen wat ik heb geschreven. En ik laat u gaan om erover na te denken of het is als filosoof handelend, of als zijnde geheel

        Monsieur
Vostre treshumble, tresobeissant & tresaffectionné serviteur
R. Moray.        
A Monsieur
Monsieur Christian Hugens de Zulichem
XII A La Haye.    


    15)  In brief No. 909.



[ 437 ]

No 940.

Christiaan Huygens aan R. Moray.

30 december 1661.

De brief is in Londen, Royal Society.
Antwoord op No.
932, 935. Moray's antwoord: No. 964.

A la Haye, ce 30 Decembre 1661.    

        Monsieur

    U vergoedt uw lange stilte wel buitengewoon met een zo mooie, lange en kostelijke brief, waarvoor ik u ten zeerste bedank. Het was niet omdat ik dit antwoord afwachtte dat ik u zo lang niet geschreven heb, maar omdat ik zeer druk bezig geweest ben met de bouw van mijn pneumatische machine; waarvan ik u verslag wilde doen, maar niet voordat deze volkomen in orde was en naar mijn zin vervolmaakt, zoals nu het geval is. Ik zal eerst antwoorden op de onderwerpen van uw brief, en dan zal ik daarna bijzonderheden erover zeggen.
Ik ben heel blij dat u mij de kopie hebt gestuurd van het Systeem van de heer Wren 1). Ik had met deze laatste post naar Parijs geschreven 2) dat dit mij verschaft zou worden, omdat ik de hypothese van de heer Wren wel eens wilde vergelijken met die van de heer Frenicle; tussen deze twee is er dit verschil, naar wat ik er tot nu toe van heb kunnen begrijpen, dat in de eerste de kroon van Saturnus elliptisch is, en in de andere rond.
Hoe dat zit kunt u zien aan de brieven 3) van de heer Frenicle, waarvan ik u het origineel zelf stuur, omdat ik geen kopiist heb, en zelf geen zin ze over te schrijven. U wilt ze me wel terugsturen, want ik heb nog niet geantwoord op de laatste; van wat ik op de eerste heb geantwoord heb ik geen afschrift of concept bewaard, daar het niet mijn gewoonte is mijn brieven tweemaal te schrijven, slechts heel zelden doe ik het. Het waren in hoofdzaak dezelfde zaken die ik u heb geschreven, anders, als het de moeite waard zou zijn, zou ik afschrift kunnen vragen van mijn brieven, waarvan de meest uitgebreide is die aan de heer Thevenot 4), een van mijn vrienden in Parijs, en vriend van de heer Frenicle.
Ik heb er veel vertrouwen in dat waarnemingen van de twee volgende jaren al die mooie gedachten omver zullen werpen en mijn hypothese zullen rechtvaardigen. Wat betreft die van de heer Wren, die zou beter te verdedigen zijn en daarom, wanneer hij haar opgeeft 5) voor de mijne toont hij dat hij meer houdt van de waarheid dan van zijn eigen vondsten.
De Sceptical chymist is me al enige tijd geleden bezorgd. Ik zeg u er dank voor en ik heb het met groot genoegen gelezen. Het bevat talloze nuttige en


    1)  Aanhangsel No. 934.         2)  Aan broer Lodewijk, zie brief No. 931.
    3)  Zie de brieven No. 901 en 927.         4)  Zie brief No. 905.         5)  Zie Aanhangsel No. 933.

[ 438 ]

opmerkelijke zaken, en is mijns inziens zoveel waard als twintig andere van die boeken, die elke dag gedrukt worden over filosofie en chemie. Die Carneades 6) spreekt inderdaad heel goed, redeneert subtiel, en ongetwijfeld is hij op de goede weg om de waarheid over de dingen te vinden; hij zal tenminste niet licht op een dwaalspoor raken, als hij overal met zoveel terughouding en omzichtigheid te werk gaat.
Aan meneer Neile kunt u zeggen dat ik de waarneming van Horrocks, van Venus voor de zon, gezonden heb aan meneer Hevelius te Dantzig, om die te laten drukken samen met zijn laatste waarneming van Mercurius, gezien in een soortgelijke samenstand, waarvan hij alle omstandigheden beter heeft bekeken dan ik kon doen. Hij heeft de zorg ervoor op zich genomen 7), en ik geloof dat ik er niets beters mee had kunnen doen.

    De bouw van mijn machine heeft me enige tijd belet te werken aan de verhandelingen waarover u me om nieuws vraagt. Ik heb onder handen die van het uurwerk, waarvan een groot deel gewijd is aan bewegingen en in het bijzonder heb ik het erin gehad over dat gebruik van de slinger voor een universele maat, waarover u zegt dat men heeft gehandeld in uw vergadering. Ik vind niet dat het noodzakelijk is de beweging van de slinger gelijkmatig te maken door middel van de Cycloïde-delen, om deze maat te bepalen, maar dat het voldoende is hem te laten bewegen met heel kleine slingeringen, die vrij goed de gelijkheid van tijd aanhouden, en zo te zoeken welke lengte nodig is om bijvoorbeeld een halve seconde aan te geven a) door middel van een uurwerk dat al in gang is en goed loopt, en goed afgesteld met de Cycloïde.
In het experiment dat u over de deugdelijkheid van deze lijn gaat doen: als de uitkomst niet geheel en al overeenkomt met wat ik ervan heb bewezen, kunt u ervan verzekerd zijn dat de oorzaak daarvan het medium is, de lucht, die in de theorie niet wordt beschouwd, en een andere misschien nog werkzamer, namelijk het gebrek van de draad van de slinger, die zich meer uitstrekt dan anders op het moment dat het lood beneden aan de boog is die het beschrijft, en dientengevolde een beetje de vorm bederft van de cycloïde die het moet doorlopen.
Ik heb sedert enige tijd het middel gevonden om mijn uurwerk heel precies op zijn tijd af te stellen met een verschuifbaar loodje dat ik aanbreng op de koperen slingerstang, terwijl het lood aan de onderkant steeds vast blijft. Zo heb ik de loop ervan ingesteld op middelbare dagen, en ik ben al meer dan 2 maanden aan het waarnemen hoeveel het afwijkt van de zon, wat volkomen overeenkomt met de tabel die ik ervan heb berekend [<]; en het was aardig om te zien dat mijn uurwerk tot het begin van november steeds meer achter ging lopen*), en van toen af aan begon in te halen, terwijl het op dit ogenblik 20 minuten voor is op de zon.
Ik zou heel blij zijn te vernemen welke uitgave dat is van mijn Systeem. Als ik had geweten dat men het wilde ondernemen zou ik er graag nog iets aan hebben toegevoegd over de verbetering van de middellijn van de cirkel.

    U besluit uw brief met excuses dat u mij zo lang hebt onderhouden,


slinger
Korte slinger
van A. Bruce
(1662/4)
    6)  De Sceptical Chymist heeft de vorm van een dialoog tussen een 'nieuwsgierige' Eleutherius, en de 'chymist' Carneades [pref., p. 3].
[ Carneades (2e eeuw v. C.) was een skeptisch filosoof — eerst zien, dan geloven (zie Diogenes Laertius, ed. 1692, 263, Engl. 1853). Hij is Boyle's woordvoerder, met het voorbehoud (pref.): "I make not all that he says, especially in the heat of Disputation, mine".]

    7)  Zie brief No. 892.
    a)  Ik heb gevonden dat deze lengte 9½ duim is, heel nauwkeurig, van onze Rijnlandse voet, te weten vanaf het ophangpunt tot het middelpunt van de bol, die ik van verschillende grootte en materie nam 13).
    13)  9½ Rijnlandse duim is 248,56 mm. Nu is voor de breedtegraad van Den Haag de goede waarde van de seconde-slinger 994,25 mm, dus die voor een halve seconde is 248,56 mm, wat precies samenvalt met de door Chr. Huygens gegeven maat.
    [ *)  Zie de grafiek van de tijdsvereffening.]

[ 439 ]

waarop ik niets antwoord behalve dat ik niet weet waaraan u denkt wanneer u ze maakt. Zou u misschien geloven dat ik moe word van het lezen van uw brieven als ik u geen daartegen niet protesteerde? Maar ik kom op het onderwerp van de machine van meneer Boyle en die welke ik heb nagemaakt.
Het was inderdaad over het eind van de klep dat ik hem om raad vroeg; maar sindsdien heb ik deze moeilijkheid zelf opgelost door dit onderdeel op een heel andere manier te maken, die voortreffelijk lukt.
zuiger
Er zou bijna een hele brief nodig zijn om deze opbouw te beschrijven, maar het voornaamste ervan is, dat ik de zuiger*) niet pas in de koperen buis breng nadat hij helemaal is afgemaakt, maar daarvoor, en dat ik hem als hij er in is beetje bij beetje opvul met wol en andere dingen totdat er niet meer bij kan.
Het bewijs van een goedgemaakte zuiger is dat, als men hem van hoog in de buis (waarvan het luchtgat met de vinger gesloten moet worden) naar omlaag heeft getrokken, en hem langzaam laat terugkeren (want de lucht duwt hem terug, zoals u weet) hij weer gaat staan waar hij vandaan kwam zonder dat men er enige lucht uitlaat, en dat doet de mijne perfect. Meneer Boyle zal ook kunnen oordelen over de kwaliteit en precisie ervan wanneer hij weet dat om zijn 19e experiment te doen°), waarbij het water daalt in buizen die er geheel mee gevuld zijn, ik me bedien van een buis van ongeveer 11 duim, opgesloten in een vat van een voet hoog, maar met een breedte van slechts een hand die erin kan. De buis heeft bovenop een grote bol, waaruit al het water wegloopt en daarna ook uit de buis, op ½ duim na, waarmee het hoger blijft dan het oppervlak van het water dat de opening bedekt.
Maar ik zou nog honderd dingen te zeggen hebben over deze proef (waarbij er enkele zijn waarvan ik de reden nog niet begrijp) als ik het niet met opzet zou uitstellen totdat ik al het onderzoek gedaan heb dat ik me voorgesteld heb om helderheid te krijgen.
kraan
Ik heb ook gedaan gekregen dat de kraan*) heel goed houdt, waarvan de bus van koper is en de sleutel van hout bekleed met dun leer zoals bij mouwen van rackets en maliekolven.
Ik laat mijn luchtledige vat dikwijls hele nachten staan zonder dat er enige lucht in komt, wat niet alleen aanduidt dat de kraan zonder gebreken is, maar ook dat het cement bestand is tegen de kracht van de lucht. Ik maak dit van gele was en terpentijn maar van het laatste doe ik er veel meer in, opdat het zacht is; wat van heel groot nut is, omdat ik geen ijzer warm behoef te maken om het vat dicht te maken, maar ik druk het slechts op de plaat, waar iets van dit spul ligt, en zodra we beginnen de lucht weg te halen gaat het zo goed daaraan aansluiten, dat de lucht geen enkele toegang vindt. Daarna, als ik het wil, haal ik het vat weg door er gewoon aan te trekken, en met de vinger maak ik het cement een beetje plat, om het vat er weer op te zetten als ik er zin in heb. Tot nu toe heb ik geen opening bovenaan gebruikt, maar omgekeerde vaten zoals ik ze ook heb gezien bij meneer Boyle, waarvan ik er van verschillende grootte heb en sommige heel klein. Ik heb verscheidene experimenten gedaan van die welke meneer Boyle heeft beschreven en ook enkele nieuwe, maar ik heb nu geen tijd meer om u de bijzonderheden te vertellen, en daarom stel ik het uit tot een volgende keer.
Toch ziet u wel goed dat ook ik geen geheim maak van wat ik vind ter bevordering van dit mooie onderzoek.
    [ *)  De twee figuren komen uit de notities over het luchtledige in T. XVII.]
    [ °)  Boyle's Exp. 19 in deze notities: p. 317 bij 21 dec.]

[ 440 ]

Ik zou meneer Boyle niet aanraden die horizontale pomp in praktijk te brengen die onder water staat, waarvan ik zie 8) dat de heer Guericke 9) die ook heeft gebruikt, omdat het meer moeilijkheden geeft, en omdat hij evenveel zal kunnen bereiken met zijn machine wanneer de zuiger goed is aangepast, zoals die van mij.
Ik zal de Kraanvorm proberen die u zo goed bent me mee te delen wanneer ik een fles zal aanbrengen om het luchtledige enige tijd te bewaren, waarin ik zin heb de experimenten te doen die meneer Boyle 'van de tweede soort' noemt, hoewel ik wel weet dat die niet beter beter kan zijn dan de mijne waarover ik het hierboven had.
Ik heb een boek 10) dat ik u zou willen kunnen doen toekomen, dat handelt over het luchtledige, de schrijver is Deusing 11), professor te Groningen. Hij wil bewijzen dat er geen zwaarte en geen veerkracht is in lucht, en zegt niets van waarde, niet meer dan uw schrijver 12) die u mij hiervoor hebt gestuurd.
Je suis de tout mon coeur

        Monsieur
Vostre treshumble et tresobeissant serviteur
Chr. Hugens de Zulichem.        


    8Ottonis de Guericke Experimenta Nova ..., Amst. 1672.  [Gasper Schott, Mechanica hydraulico-pneumatica (1657), met 'Experimentum novum Magdeburgicum', door Huygens gezien in 1659 (T. II, 389).   Hierin blijkt dat de luchtpomp belangrijk was voor de natuurfilosofie: volgens Aristoteles was het vacuüm niet mogelijk, en de Jezuïten deden er alles aan om te bewijzen dat het er niet was.]
    9)  Otto von Guericke werd geboren op 20 nov. 1602 te Magdeburg en overleed op 11 mei 1686 te Hamburg. Hij studeerde rechten in Duitsland en wiskunde in Leiden, reisde enige tijd en werd in 1627 raadgever, vervolgens in 1646 burgemeester van Magdeburg. Hij bleef het, tot hij in 1681 naar Hamburg ging.
    10)  Anton Deusing, Disquisitio physico-mathematica gemina De vacuo itemque De attractione, Amst. 1661 [p. 145-: 'Experimentum novum Magdeburgicum'].
[ Deusing correspondeerde met Gaspar Schott (wiens brief No. 938 niet gericht was aan Huygens, zie IV, 582); een brief van Deusing staat in Technica curiosa (1664), 234-245.]

    12)  Chr. Huygens verwijst hier naar Franciscus Hall. Zie brief No. 884.




1662



Home | Christiaan Huygens | T. III
Briefwisseling met Robert Moray, 1661 (top) | vervolg