Chr. Huygens | Oeuvres I

1655 , 1656 , 1659 , 1660



Vertaling van de

Briefwisseling met Andreas Colvius



In:  Briefwisseling van Constantijn Huygens, ed. Worp
[ 5, 240 ]

5414.*)

A. Colvius aan Constantijn Huygens.

Monsieur,

  Ik verheug me altijd als ik uw brief zie waarmee u mij wilt vereren, vooral wanneer zich een gelegenheid voordoet u te tonen hoezeer ik ernaar verlang u te dienen. Ik heb de inhoud van uw brief meegedeeld aan de heer Kalthof°), van wie we antwoord hebben gekregen; het is een andere Archimedes, die de uwe niet kent. Ik ben buitengewoon begerig een microscoop te hebben die bruikbaar is, in de plaats van die welke ik heb gehad; een heer had hem geleend, en aan een ander gegeven, en ik blijf ervan verstoken.
Dat heeft me buitengewoon betreurd, en ik heb erover geschreven aan de heer Morian#), die nu in Arnhem woont, om weer net zo een te krijgen als ik via hem uit Augsburg heb gekregen, maar het antwoord is dat hij er thans geen heeft. Als uw man daar in Den Haag ons een betere kan geven, zou ik wel blij zijn hem tevreden te stellen. Overigens, mijnheer, verzoek ik u uw welwillendheid jegens mij voort te zetten, en tot uw dienst te gebruiken dit weinige dat u in mij zult vinden.
Le bon Dieu vous donne cette annee bien-heureuse, et vous continue sa saincte grace.
Je demeure de grande affection

ondertekening
  De Dordrecht
  ce  9  de  Jan. 1655.
Monsieur
Vostre tres-humble, et tres-
obéissant serviteur
    André Colvius

Mijn Heere,
Mijn Heer van Zulichom etc.
    s' Graven-Haghe


[ *)  De brief lijkt niet van 9 juni (ed. Worp), maar van 9 januari 1655:
-  de datering toont in het origineel een verandering (misschien 1654-55);
-  'Jun.' mist het streepje of puntje op de 'u' dat bij Colvius steeds voorkomt, zoals bij 'Monsieur', 'humble', 'serviteur', 'Colvius' (het ontbreekt in deze brief nergens);
-  er is nog een 'a' die een 'u' lijkt in 'obeïssant';
-  "uw man [Archimedes] daar in Den Haag ... tevreden te stellen" was een fout volgens No. 5387;
-  aan het eind staat een nieuwjaarswens: "donne cette annee bien-heureuse";
-  op 9 juni had Colvius al een microscoop ontvangen van Chr. Huygens, zie hieronder bij maart 1655.]


Colvius, portret No. 2059, n.10:  Andreas Colvius (ca. 1594 - 1671), geb. te Dordt [66 jaar in sept. 1659, zie No. 661], studeerde te Leiden, was van 1623 tot 1627 predikant van onzen gezant te Venetië en sedert 1629 Waalsch predikant in zijne geboortestad [1655-56]. Hij bezat eene uitgebreide bibliotheek en allerlei verzamelingen, ook van handschriften van wis- en natuurkundigen inhoud.  [Portret in M. Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht, 1677.]
  [ Zie: C.L. Thijssen-Schoute, Uit de republiek der letteren, 67-89 ('s-Grav. 1967).
Th. Verbeek e.a., The Correspondence of René Descartes: 1643, Utrecht 2003, 'Biographical Lexicon' (255-7): hij vertaalde van Paolo Sarpi het werk over de Inquisitie (1638) in het Latijn (1651), ook verschenen in het Nederlands (1651).
  Een kennis van Colvius was Isack Beeckman, zie Journal, III, p. 39.  Op 20 maart 1637 deden ze samen een waarneming van de zonshoogte op de toren van de school in Dordrecht, met een kwadrant, op de tijd van de equinox, zie C. de Waard, Journal, IV, p. 263.]


[ °)  Calthof (Calthoff, Calthovius, Kalthoven) had in Engeland gewerkt, en zou er later weer heen gaan. In 1663 bezocht Christiaan hem daar (T. 22, p. 600). Zie ook T. 22, p. 457. Zie over hem:
J. A. Vollgraff, 'De rol van den Nederlander Caspar Calthoff bij de uitvinding van het moderne stoomwerktuig', in Physica 1932, p. 257-268.]


[ #)  Een Johannes Moriaen wordt genoemd in Is. Beeckman, Journal, III, p. 381.]


[ 5, 228 ]

5387.

A. Colvius aan Constantijn Huygens.

Monsieur,

  Ik heb die van u naar behoren doorgestuurd en op dezelfde manier aanbevolen. De heer Kalthof 2) heeft de bedoeling en wens van uw weledele zoon 3) goed begrepen, en heeft me beloofd dat u het over twee weken zult hebben, en hij zal ons iets geven dat zijn hand, en het verstand van meneer uw zoon, waardig is. Wij mogen preken over dingen die het oog niet heeft gezien, die grote uitvinders laten ons iets zien wat mensen noch aan de hemel, noch op aarde hebben gezien. Door de mijne heb ik heel kleine zaadjes gezien, verrukkelijk, maar hij is me tersluiks ontnomen en ik kan geen andere vinden*).
Doordat ik uit uw eerste brief uw zogenoemde Archimedes niet heb leren kennen, zonder dat u hem noemde, heb ik een fout begaan door geld aan te bieden aan zo'n verstand, dat meer dan goud en parels is. Ik verlang alleen een blik op zijn werk. Overigens bewondert iedereen die geschriften, die ik nog helemaal niet heb gezien. De heer van Leeuwen 4) had ze mij beloofd, maar ik heb ze nog niet ontvangen. Ik zal niet nalaten de heer Kalthof aan te sporen haast te maken met het werk.
Je baise d'affection les mains à vos nobles fils, et demeure

Monsieur
  Vostre tres-obéissant  
      serviteur
    A. Colvius

En grande haste, mr. le
Pensionaire me donnant la
visite, vous fera avoir celle-ci

De Dordrecht, ce 17 de Jan. 1655.

  A Monsieur
Monsieur de Zulichom,
secretaire de son Altezzi
a La Haye.


2)  Zie II, blz. 449. [No. 2092 (s.d.):
"Kalthof vous baise tres-humblement les mains, et m'a promis d'accomplir vostre desir, aussitot qu'il aura mis en oeuvre son engin aquatique dont il prendra l'espreuve bientot, en presence de Monsieur de With, qui est nommé de Mrs. les Estats Generaux pour en prendre l'inspection."
Volgens Worp is deze brief van 1639, volgens Vollgraff (p. 259) waarschijnlijk van 1649-50.
No. 4932 (31 maart 1649): "Kalthof n'a point encore mis a l'espreuve sa machine".
No. 4968 (13 aug. 1649): "il est encore apres son ouvrage d'eau qui a este consume par le feu".
No. 5035 (2 april 1650): "Mr. Kalthof a eu tant d'affaire avec son engin aquatique et autres novelles inventions qu'il oublie ses vielles promesses."]

3)  Christiaan.
[ *)  Christiaan stuurt hem een microscoop in maart 1655, zie O.C. p. 321 hierna.]
4)  Simon van Leeuwen (1625-1682) was advokaat te Leiden en een vriend der zoons van Huygens. Hij heeft o.a. de Batavia illustrata [1685] geschreven.
[ In 'Leydens Leewen-roem' vermeldt hij ook zijn burgemeester Leyden van Leeuwen (Korte beschrijving van het Lugdunum Batavorum, 1672, na Opdragt). En volgens Robert Fruin's verspreide geschriften, deel 8 (1908), p. 102 is de bedoelde persoon Diderik van Leyden van Leeuwen (1628-1682), aan wie Chr. Huygens op 1 oktober 1655 vanuit Parijs een vrolijke brief zal schrijven: No. 237. Zie ook bij het ongedateerde briefje hierna.]


[ 5, 229 ]

5390.

A. Colvius aan Constantijn Huygens.

  Ik heb zoveel gedaan als aanjager van het werk van de heer Kalthof, dat ik van zijn hand heb verkregen wat ik u stuur. Daar het ijzer van het eerste werk niet zo ductiel was, heeft hij een tweede gemaakt waarbij hij staal heeft vermengd. Ik hoop dat meneer uw zoon het naar zijn zin zal vinden, voor het werk ermee, om onze ogen te verlichten. Ik zal me gelukkig prijzen een keer iets te zien van zijn verstand en van zijn hand. Als hij een gebrek vindt aan dit toestel dat de heer Kalthof stuurt, geloof ik dat hij er de man naar is om het te verbeteren. Ik verzoek u mij te blijven eren met uw opdrachten .....
En grande haste, le 1 de Fevr. 1655.



5391.

A. Colvius aan Constantijn Huygens.

  Onze Vulcanus, Kalthovius, heeft met mij als aanspoorder deze ronde plaat, met een effen oppervlak, tenslotte voltooid. En hij hoopt dat deze aan uw zoon, de zeer scherpzinnige wiskundige, zal bevallen. Als beloning vraagt hij niets, om niet goud voor brons te ruilen*). Alchemisten beweren lood of ijzer in goud te veranderen, maar tot dusver tevergeefs. Maar hij wenst dat dit hardste metaal wordt veranderd in een hol en een bol glas, dat is de wissel die hij verlangt. Zo zal de bekwame hand van de één een andere verrijken.
Maar ik waardeer dat dankwoord van u. Het is niet iets van een oprecht iemand, een gunst te verwachten van degene aan wie hij zeer verknocht is. Ik kan me niet met Baudius op armoede beroemen, dat ik grote heren als schuldenaars heb, en daarin legde hij zijn rijkdom. Ondertussen had hij niet de gewoonte heerlijke giften van de goden te versmaden°).
Gezegend zijn naar mijn mening zij, die in deze zeer geleerde eeuw aan het gevondene iets kunnen toevoegen. Wij christenen moeten in het bijzonder de scherpte van het verstand en van de ogen meer oplettend op het vaderland gericht houden. .....
Dordraci, 10 Cal. Mart. (= 20 Febr.) 1655.


[ *)  Gr. 'chrusea chalkeion' was een staande uitdrukking, zie Eric M. MacPhail, Dancing around the Well, Leiden 2014, p. 127, n.a.v. Conrad Gesner, Bibliotheca universalis, 1545, f. 2r: het goud van de klassieken wordt ingeruild voor het brons van de modernen.
Erasmus: 'Diomedis et Glauci permutatio', De ruil tussen Diomedes en Glaucus (Adagia I 2,1, vert. Jeanine De Landtsheer, 2011) en in een brief (Corresp. deel 13, vert. Tineke L. ter Meer, 2016, p. 109).]

[ °)  Dominici Baudi Epistolae , Leiden 1650, p. 346-347: "ne spernantur 'theôn erikudea dôra'" (ook p. 104, 131, 164, 215, 426, 493).
Louis Du Moulin, Morum exemplar seu characteres, Leiden 1654, p. 136: "habere Principes & Magnates debendi reos", prinsen en magnaten als schuldenaars hebben (onder 'Superbus').
Worp: "divitias suas collocare" wijkt af van het origineel: "divitias suas collocavit" ]



In:  Oeuvres complètes de Christiaan Huygens, Tome I

[ 318 ]

No 213.

Constantijn Huygens sr. aan A. Colvius.  1)

26 februari 1655.

Kopie in Amsterdam, KNAW. [Worp 5, 5393]


Amplissime ac reverende vir.

  Grote dank zeggen aan u en aan Calthovius 2) twee zoons en één vader, die u met deze vriendelijkheid allen aan u beiden hebt gebonden; ze zullen daarom grotere dank betuigen, en wel van glas, aangezien u het zo beveelt, en om werkelijk grootmoedig te zijn, onthoudt u zich ervan de heel breekbare lenzen te verhandelen*) voor een edeler metaal. Eerst zult u met microscopen uit onze werkplaats ervan in kennis worden gesteld hoe groot wij zijn in het handwerk. Over macroscopen°) beloven we tot nu toe niets met zoveel zekerheid als we eens zullen verschaffen, zo God wil. Die van anderhalf voet, van drie voet en meer zijn met weinig moeite te maken; als je deze lengte verdubbelt, verdrievoudigt, ja zelfs verviervoudigt, wat mijn zoons nu al met succes hebben gedaan, is het een moeilijk werk, aangezien het door de geringste en ook onmerkbare fout van de hand wordt bedorven.
Die Calthovius, met hoeveel scherpzinnigheid vooral en, als we een gesprek hebben, hoe makkelijk hij het begrijpt, er is geen twijfel dat hij, als hij serieus te werk gaat, in staat is hier iets van het zijne aan bij te dragen, dat men later ook niet gaat uitwissen als het aan het gevondene is toegevoegd. Groet alstublieft namens ons in zo beleefd mogelijke woorden de voortreffelijke vakman, die geloof ik, als hij wil, ook kan doen wat in het oude spreekwoord is het ijzer ten volle leren #).
En u, het ga u goed, vriendelijke heer, en stel vast dat u te maken hebt met mensen die niet ondankbaar zijn.

Integerrimo affectu tuus &c.  

    Hag. Com. IV. Cal. Mart. MDCLV.


1)  Andreas Kolff (Colvius) ... geboren te Dordrecht in 1594 en daar overleden in 1671, werd protestants predikant te Venetië (1620-1627), daarna in Dordrecht (1629-1666). Hij had een uitgebreide correspondentie; zijn collecties schelpen en andere zeldzame objecten en ook zijn bibliotheek waren bekend.
2)  Caspar Calthof [<] was zeer bedreven in het maken van [slijpvormen voor] telescooplenzen; hij woonde in Dordrecht.]
[ *)  Lat.: "mercuri sustineris" is bij Woep "mercari sustinetis", zie de kopie.]
[ °)  'Macroscopium' voor 'vergrootglas' in brief No. 207, J. Wiesel aan Chr. Huygens, dec. 1654. Hier lijkt het om telescopen te gaan.]
[  #)  Gr.: 'sidèron plein didaskein'.]


[ 321 ]

No 217.

Christiaan Huygens aan A. Colvius.

[Maart 1655.]

Concept en kopie in Leiden, coll. Huygens.
Colvius' antwoord: No.
218.


Christianus Hugenius Andreae Colvio
Viro Clarissimo Eruditissimoque
S. D.*)

  Ik zend u een met eigen handen tot stand gebrachte kijker, namelijk dat oog dat een toegewijd natuuronderzoeker niet mag ontberen. Met behulp hiervan zult u de vormen van de nietigste insecten en zaadjes kunnen bekijken, en het eerste begin in de kiem zelf van grassen en bomen, en wanneer de illustere Franse gezant 1) bij u zal komen, aan hem ook dingen aanbieden om te bekijken.
De buisinstelling is aangegeven met lijnen rondom, tot waar de aparte stukken moeten komen. En als u de grote lens er eens uit hebt gehaald, omdat u het nodig vond het stof er af te vegen: er is binnenin een teken gezet zodat u hem op de oorspronkelijke plaats terug kunt zetten. De onderste buis zal vrijwel nooit van de ingegrifte lijn verwijderd moeten worden; de bovenste mag echter, als die eerste maar zo blijft, verder uitgetrokken worden, zodat nog grotere afbeeldingen zich aan het oog vertonen, maar te weten is dat ze dan ook minder helder worden.
[ *)  S. D. (te zien op Concept): "Salutem dicit", een groet. Zie 'List of classical abbreviations'.]
1)  Pierre de Chanut ... [1601-1662] werd ambassadeur aan het hof van koningin Christina in Zweden en stond Descartes bij. Na diens dood in 1650 verzamelde hij zijn papieren, en stuurde ze naar Frankrijk, waar ze na een schipbreuk op de Seine konden worden opgevist; ze zijn deels gepubliceerd door Clerselier. De Chanut werd later naar Lübeck gestuurd, tenslotte naar Den Haag (1653-1656), als opvolger van M. Brasset; daarna werd hij lid van de Conseil du Roi.

[ 322 ]

De oorzaken van de wonderbaarlijke vergroting die wordt voortgebracht door zo aan elkaar aangepaste glazen, zou ik u willen uitleggen, als het per brief kon. Overigens hoop ik hierover binnenkort een heel werk, waarin bovendien een uiteenzetting over telescopen van elke soort staat, uit te geven en u te doen toekomen. Nu zend ik wat ik eerder heb gepubliceerd, weliswaar van gering gewicht, maar van dien aard dat het niet snel geschreven, ja zelfs ook niet gelezen wordt. Ik verwacht op mijn beurt manuscripten met betrekking tot de lengtebepaling 2), en wat u misschien verder uit de nalatenschap van Galilei bezit; ik zal het teruggeven wanneer u wilt.
De telescoop die ik bestemd heb voor de zeer vernuftige Calthovius [<] zend ik daarom niet, omdat u de verwachting hebt gewekt dat hij dezer dagen naar ons zal reizen, want ik kan hem beter in zijn aanwezigheid het gebruik van zijn instrument leren dan ik per brief zou kunnen. Maar toch zal ik die terstond zenden, als ik verneem dat hij nog niet binnenkort verschijnt, opdat ik eindelijk de zware schuld inlos.
Ik denk dat hij, zodra hij de buis van twaalf voet naar het oog brengt en op maan en sterren richt, zal zeggen dat hij geen ondankbaar werk voor ons heeft verricht, en dat hij gemakkelijk ertoe te brengen is een derde slijpplaat te maken waarmee we glazen voor twintig voet lengte kunnen slijpen. Zo wordt naar de hemel gereikt, niet door bergen op elkaar te stapelen.*)
Het ga u goed, allervriendelijkste heer, en begunstig ons streven en pogen.

Jupiter en Saturnus 3)


2)  Galilei had tweemaal een briefwisseling over dit probleem van lengtebepaling: van 1612 tot 1616 met de Cortes van Spanje, en van 1636 tot 1640 met de Staten-Generaal der Nederlanden. De stukken zijn te vinden in Le Opere, ed. ALberi, Fir. 1841-1856: T. VI, p. 239-266 en T. VII, p. 73-137.  Het gaat hier om brieven van Diodati, Hugo de Groot, Hortensius (Ned.), Reael, Pollotto en Constantijn Huygens. Over dit probleem werd later gepubliceerd: [Opere, Fir. 1718, p. 123-191:
'Lettere di Galileo Galilei in proposito di trovare le Longitudini per via de' Pianeti Medicei' [en p. 425-456: 'Lettere di diversi'].
[ Aanleiding voor de vraag was kennelijk de 'inventie' van Placentinus die Huygens op verzoek van de Staten-Generaal beoordeelde, zie No. 214.]

[ *)   Ovidius, Fasti I, 307 (zie ook bij Ossa), met daarvoor r. 305: "admovere oculis" (naar het oog brengen), even eerder gebruikt, en ook in het anagram over de maan van Saturnus, en gegrift op de lens (brandpuntsafstand van 10 voet, buis van 12 voet, besproken in T. 15, p. 13), nu in het Universiteits­museum te Utrecht (UMU), zie de afbeelding hieronder. Zie ook Colvius in T. 3, p. 125 hierna.
Dit anagram staat in een brief aan Wallis (13 juni 1655), p. 332, en aan Kinner (juni 1655), p. 335 (oplossing: 15 maart '56 aan Wallis, p. 392).
"Sic petitur coelum ..." (zo wordt naar de hemel gereikt) ook in Joachim Sterk van Ringelbergh, Institutiones astronomicae, Basel 1528, na de titelpagina.]

3)  De twee figuren [zie T. 15, p. 35 en 39] staan op de conceptbrief, en schijnen hier niet bij te behoren. Het zijn waarschijnlijk Huygens' eerste tekeningen van de planeten Saturnus en Jupiter.
[ 8 maart 1656 aan Hevelius (p. 388), over Saturnus: "Mihi anno demum praecedente ..." (Mij is pas vorig jaar de kunst van telescoopbouw bekend geworden, en ik heb geen eigen oudere waarnemingen). De ontdekking van Titan was op 25 maart 1655.]


inscriptie op lens
Universiteitsmuseum Utrecht




No 218.

A. Colvius aan Christiaan Huygens.

23 maart 1655.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
217.


Nobilissime Domine,

  Tegelijk met de microscoop heb ik uw twee wiskundige verhandelingen ontvangen over de grootte van de Cirkel [>] en de kwadratuur [>] ervan. In de eerste heb ik met de ogen gekeken en hij liet ons zandkorrels zien

[ 323 ]

met een buitengewone en verbijsterende grootte. Werkelijk dat gezegde van Plinius: de Natuur is nergens vollediger dan in de kleinste dingen*), en wint het in bijna alles van het geloof. Wie van de Ouden heeft gezien wat wij zien, wie van de vroegere Filosofen is met de ogen van het lichaam en van het verstand in de geheimen der natuur zo doorgedrongen, als de wijzen van deze eeuw? Onder wie u, voortreffelijke, wordt gerekend, en u zult ook, als u tijd van leven hebt, door het nageslacht worden bewonderd.
Overigens ben ik u heel veel dank verschuldigd voor de voortreffelijke gift; die zal als het ware de levensadem en het oog zijn van mijn kabinet. Met veel verlangen zal ik de illustere Franse gezant verwachten 1); opdat er nadat hij gekeken heeft iets bij mijn Museumpje komt als beloning. Onze Kalthovius hoopt na het Paasfeest naar Den Haag te gaan, vooral om u te bezoeken en te zien en te horen, wat hij zelf als groot vakman niet weet.

  Ik stuur een verhandeling van Galilei, maar u zult me vergeven dat het niet netjes geschreven is, en met veel fouten besprenkeld. Ik heb er ook een ander manuscript°) van dezelfde Galilei aan toegevoegd, dat u in dit gebonden boek aan het eind zult vinden.

  Moge God, de vader van alle wetenschappen, dat uitstekende talent van u koesteren met zijn licht, zodat u laat naar de hemel gaat, die u nu met telescopen ziet. Brengt u aan uw uitstekende vader een groet over van mij en van de heer Vivien 2).

Tuus omni officio et obsequio  
Andreas Colvius.    
  Dordrechti 9 Kal. Apr. 1655.

Mijn Heer,
Mijn Heer Christiaen Hugens,
ten huijse van d'Ed. Heer van Zulichom
            s' Graven-hage.
met een pacxken.


[ *)  'Natura nusquam magis tota quam in minimis', Historia naturalis, Lib. XI, c. 2, p. 565 in ed. Johannes de Laet, Leiden 1635.]
1)  Pierre de Chanut (zie brief No. 217).
[ °)  'Del flusso e riflusso del mare' volgens de Waard in zijn biografie van Colvius — ook aan Beeckman uitgeleend, zie Journal III, p. 171.]
2)  Nicolaas Vivien, zoon van Anthony Vivien [aan wie Colvius in 1651 zijn vertaling van Sarpi had opgedragen: Lat., Ned.], heer van Bovignes, en Anthonia van den Corput, werd in 1631 geboren te Dordrecht. Hij werd in 1664 pensionaris van Dordrecht en was een intieme vriend van Johan de Witt, zijn neef.



Briefwisseling van Constantijn Huygens

[ n0595 ]

KA 42a.

A. Colvius aan Constantijn Huygens

3 oktober 1655

Brief in Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 42a, nr. 43.


Monsieur

  Le silence sur la vostre ne me doibt pas estre imputé: Mais plustost à Mr. Calthof, lequel croyant que vous estiez en France, ne s'est pas hasté pour s'acquiter de sa promesse: Or à ma novelle semonce il m'a promis de prendre en main au plustost vostre platine. Je lui ai laissé vostre lettre, afin de bien comprendre vostre intention: toutefois le filet dont elle faict mention, je ne l'ai pas trouvé. neantmoins il l'accomplira aisement sans cela. Il a un autre ouvrage en main de grande importance, neantmoins je ne laisseray point à le presser.     De stilte*) na uw brief moet niet mij worden aangerekend, maar eerder de heer Calthof die, gelovend dat u in Frankrijk was°), zich niet heeft gehaast om zijn belofte na te komen. Nu heeft hij me na mijn nieuwe aanmaning beloofd, uw slijpvorm zo spoedig mogelijk ter hand te nemen. Ik heb uw brief bij hem gelaten, opdat hij uw bedoeling beter begrijpt. Het draadje evenwel, waarvan daarin melding wordt gemaakt, dat heb ik niet gevonden; niettemin zal hij hem makkelijk voltooien zonder dat draadje. Hij heeft een ander werk onder handen, van groot belang, niettemin zal ik niet nalaten hem aan te sporen.
Cependant je prie le S r. de vostre en sa saincte grace [?] M r. vostre tres-noble pere, demeurant

Monsieur
Vostre tres-humble et tres-obéissant
  serviteur
  A. Colvius


De Dordrecht
ce 3.. d'oct. 1655.

  A Monsieur
Monsr. C. Huijgens de Zulichom.
s'Graven-Haghe.
port


[ *)  De vorige brief van Colvius aan Const. Huygens was van 17 juni 1655, Worp No. 5416.]
[ °)  Christiaan Huygens vertrok op 28 juni 1655 naar Frankrijk (Dagboek Const. Huygens, p. 57) en kwam op 19 december 1655 weer in Den Haag. De brief zal gericht zijn aan Christiaan of aan Constantijn jr., aan het eind staat: 'pere'.
Broer Constantijn jr. schreef aan Christiaan in Parijs:
-  op 2 september 1655 (p. 346), "Ik heb geen antwoord gehad van Kolvius, en ook niet van Kalthoven."
-  op 14 oktober 1655 (p. 355), "Ik heb weer geschreven naar Colvius en Kalthoven om een nieuwe slijpvorm, en de laatste heeft me beloofd die te maken".
Christiaan schreef terug:
-  22 oktober 1655 (p. 358), "Ik ben wel blij met de belofte die Calthof je heeft gedaan. Ik zie hier niets dat met zijn werk te vergelijken is, en ook niet een kijker die de mijne benadert."
-  29 oktober 1655 (p. 361), "Zorg er alsjeblieft voor dat ons ijzerwerk goed bewaard blijft zonder roesten, want naar alle waarschijnlijkheid zal ik binnenkort terugkeren naar mijn ambacht."
Constantijn jr.:
-  28 oktober 1655 (p. 360), "Ik heb de afgelopen dagen een brief ontvangen van de heer Kalthoven, die me verzoekt nog twee weken geduld te hebben".
-  11 november 1655 (p. 364), "Je zult onze ijzeren slijpvormen in goede staat en glimmend vinden ... De tijd van twee weken, waarin Kalthoven me in een tweede brief beloofd had onze slijpvorm van twintig voet af te maken, is al verstreken en toch komt hij nog niet ... Zonder twijfel is het de eerste vakman van het land voor deze zaken".]




n0072.

A. Colvius aan Huygens.

[s. d.]

Brief in Noord-Hollands Archief, Haarlem.


    Monsieur,

  Je ne me suis point acquité de mon devoir et de ma promesse, vous offrant de bouche mon service et sincere affection: faute de force aux pieds, qui estants affoiblis par vne fort picquante humeur m'ont empseché de cheminer. Cependant ie vous remercie de l'honneur de vostre gratieuse visite, et vous prie qu'une autre-fois passant par icy, elle puisse estre de plus longue dureè.     Ik heb me niet gekweten van mijn plicht en van mijn belofte, toen ik u mondeling mijn dienst en genegenheid aanbood; bij gebrek aan kracht in de voeten die, verzwakt door een zeer prikkelend vocht, me hebben belet te lopen. Evenwel bedank ik u voor de eer van uw vriendelijke bezoek, en ik nodig u uit een andere keer als u hier langs komt het langer te laten duren.
Mes baisemains à Monsieur vostre Pere, que i'honore, comme ie doibs, extraordinairement. esperant de voir un jour son Vitaulium, puis qu'il m'a honore de sa description. faisant tousiours grand estat du Possesseur, qui est infiniment plus que tout ce qu'il possede.   Mijn groeten aan meneer uw Vader, die ik buitengewoon vereer, zoals ik verschuldigd ben; hopend zijn Hofwijck eens te zien, aangezien hij mij met de beschrijving*) ervan heeft vereerd; ondertussen geef ik hoog op van de Bezitter, die oneindig veel meer is dan wat hij bezit.

Je demeure de grande affection
Monsieur
  Vostre tres-humble et  
  tres-obeïssant serviteur  
André Colvius.    


Mes baisemens à Mrs
van Leuwen°) et Doublet

A Monsieur

Monsieur Huijgens.


[ *)  Constantijn Huygens, Vitaulium. Hofwyck, Den Haag 1653.
De datum van deze brief is misschien omtrent 29 maart 1656, die van brief No. 273 van N. Colvius, waarin een epigram van Paget wordt genoemd (No. 274); Paget schreef namelijk een briefje met wijzigingen, zie No. 275, "aan de heer Colvius gegeven, toen hij zei dat hij naar Den Haag zou vertrekken, maar van de voorgenomen reis werd hij afgehouden."]

[ °)  Colvius noemt ook een van Leeuwen in de brief van 17 januari 1655. Het zal gaan om Diderik van Leyden van Leeuwen, die met zijn vrouw in februari 1661 een week bij Doublet logeerde (OC T. 3, p. 236), en van wie Chr. Huygens in november 1661 zegt (p. 388) dat hij in de Vroedschap Van Leiden zou kunnen komen — ook hij heeft last van een voet en moeite met lopen.
OC T. 1, p. 111, Chr. Huygens aan Const. jr. (1649): "Wandeling op Voorne ... met van Leeuwen ...".
OC T. 22, p 465: Dagboek op weg naar Parijs (1655): "... naar den Briel ... en we waren nog enige tijd bij van Leeuwen"; n.21: Misschien Assuerus van den Boetselaer, heer van Leeuwen.]



Oeuvres complètes de Christiaan Huygens

[ 375 ]

No 257.

A. Colvius aan Christiaan Huygens

20 januari 1656

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord van Chr. Huygens:
No. 261.


  Hier is de ijzeren plaat, met een hamertje, die ik u zend namens meneer Kalthof, in de hoop dat dit werk u zal bevallen; en dat het geschikt zal zijn voor datgene waarvoor het bestemd is. Als ik u met iets anders kan dienen verzoek ik u geheel over mij te beschikken. Ik heb per brief een woordje ontvangen van meneer uw zeer voorname vader, die geen antwoord verlangt; maar als dank voor de eer van zijn goede genegenheid jegens mij, die ik niet verdiend heb, bied ik hem in ruil alles wat ik ben; met grote genegenheid blijvend

Monsieur          
Vostre tres-obligé, et tres-obeissant serviteur
A. Colvius.      
  De Dordrecht ce 20 de Jan. 1656.

A Monsieur
Monsieur Chrestien Huijgens
    's Graven-haghe.
met een ijsere plaet.


[ 380 ]

No 261.

Christiaan Huygens aan [A. Colvius].

[8 februari 1656] 1).

Brief [concept] en kopie in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
257.


Samenvating:  uw brief en ijzeren plaat ontvangen.

    Monsieur

  Het was de 29e van de afgelopen maand dat ik uw brief ontving met de ijzeren plaat van meneer Kalthof, die mijn broer heeft besteld tijdens mijn reis naar Frankrijk. En we waren deze 10 dagen bezig er de volmaakte vorm aan te geven, zonder ophouden werkend tot we die verkregen. Deze grote naarstigheid was er de oorzaak van dat ik het uitstelde u te antwoorden en u dank te zeggen voor de moeite die u hebt willen nemen om mij iets te verschaffen dat ik zozeer wenste.

Ik hoop u weldra een mooi effect van mijn kijkers te tonen door u het Systeem van Saturnus te zenden, dat ik van plan ben te publiceren, en dat de oorzaak van alle verschillende verschijningsvormen van deze planeet zal uitleggen. Waarom ze nu eens verschijnt met twee hengsels aan de kanten, dan weer als door een as doorsneden, zoals vorig jaar, en soms geheel rond zoals nu. Ik verzoek u de ingesloten brief 2) aan heer Kalthof te geven, en te geloven dat ik als altijd ben

    Monsieur etc.


1)  De datum wordt aangegeven in de tekst van de brief.
2)  Brief No. 262.



No 262.

Christiaan Huygens aan [Calthof].

[8 februari 1656 1).]

Concept en kopie in Leiden, coll. Huygens.


    Monsieur

  Nu 10 dagen geleden zond de heer Colvius mij de ijzeren plaat waarvoor mijn broer u meer dan eens heeft lastig gevallen. Deze was buitengewoon goed bewerkt, en heeft ons die grote vaardigheid doen bewonderen die u de moeilijkste dingen tot stand laat brengen.


1)  Deze datum moet samenvallen met die van de vorige brief, waarbij deze was ingesloten.

[ 381 ]

Als wij een tiende deel daarvan zouden hebben, zou het niet 10 dagen geduurd hebben voordat we er de uiterste precisie en perfectie aan konden geven, die we tenslotte toch hebben aangebracht, maar met veel meer moeite dan bij oppervlakken van een kleinere bol. Nu staat te bezien of de glazen zullen lukken, en ons goede kijkers van 20 voet zullen geven. En ik zal niet nalaten u erover te berichten, steeds beseffend dat ik zonder uw hulp er nooit naar had kunnen streven. Overigens hoop ik dat het de laatste keer is geweest dat ik u moeite heb gegeven, en verwachtend dat u van mijn dienst gebruik wilt maken bij iets waarin ik u mijn dank kan betuigen*), verblijf ik

Monsieur
Vostre &c.


[ *)  In december 1656 (zie No. 359, p. 527) zond Chr. Huygens een paar lenzen aan Calthof.]


[ T. 22, 781 ]

Christiaan Huygens aan A. Colvius.

18 maart 1656.

Brief in Leiden, coll. Papenbroek, genoemd in No. 273, n.2.


Do. Andr. Colvio  Chr. Hugenius S. D.

  De waarneming van de Saturnus-maan zend ik u*), voortreffelijke heer, en wel verdiend, aangezien u ervoor gezorgd hebt dat het zover is gekomen dat ik niernaar heb kunnen streven. Doch ik meen dat ik u al eerder iets heb laten weten over dit nieuwe verschijnsel, zoals ook aan uw zeergeleerde collega, predikant van de Engelse kerk 1). En geeft u alstublieft hiervan één exemplaar aan hem. De overige aan wie u goed dunkt.
Verder als u Calthof ziet, zegt u hem dan dat wij met het meeste succes lenzen slijpen in die plaat die hij zeer onlangs voor ons heeft vervaardigd, en dat we sindsdien telescopen van 24 voet naar de hemel richten. Die stellen we op in de tuin, en we trekken ze met katrollen omhoog; en vergeleken hiermee worden die vorige van 12 voet geheel waardeloos, ook al zijn ze uitnemend voor hun lengte. Ik denk zeker dat ik ze wel kan verlengen tot honderd voet, en ik zou wel wonderlijke effecten willen beloven, maar ik zie nog niet hoe ze met zo'n grote omvang hanteerbaar gemaakt kunnen worden. Het ga u goed.

Hagae Com. 18 Mart. 1656.  


[ *)  'Christiani Hugenii de Saturni Lun‰ observatio nova', Hag. Com. Adrianus Vlacq. 1656. 4 pp. in 4o. Zie T. 15, p. 165 (Ned.); ook in: P. Borel, De vero telescopii inventore (verschenen in 1656) II, p. 62-63.
In de concept-brief (p. 572 van T. 2) staat i.p.v. de rest van de zin: "die ik, aangespoord door enige uitstekende mannen toen ik me in Frankrijk bevond, heb gepubliceerd", zie p. 390.]

1)  Robert Paget.


[ 393 ]

No 273.

N. Colvius 1) aan Christiaan Huygens.

29 maart 1656.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op een brief van
18 maart 1656. 2)


Monsieur,

  Op uw brief van de 18e van deze maand zou mijn Vader eerder hebben geantwoord, als hij niet door zijn gesteldheid belet was geweest de pen ter hand te kunnen nemen. Maar omdat hij het niet meer kon uitstellen u te bedanken voor het zenden van de waarnemingen omtrent de Maan van Saturnus, heeft hij me opgedragen u dit woordje te zenden; hij heeft een exemplaar van uw waarnemingen van Saturnus geleverd aan meneer Paget 3), Engels predikant, die u ook zeer hartelijk bedankt, en u dit epigram 4) zendt.

Meneer Calthof verheugt zich ook over de goede effecten van zijn slijpplaat, en biedt u voor de toekomst zijn dienst aan in dergelijke materie. Ik geloof dat zijn kijker in handen is van de Keurvorst van Mainz*), zodat we in deze stad niet zo gelukkig zijn aan de Hemel te zien wat u er ziet. Als we slechts een holle en een bolle lens konden krijgen zouden we de rest van het fabriceren van de kijker wel in orde kunnen brengen. We verlaten ons overigens op uw leiding, kortom we hopen uw uitstekende waarnemingen te zien, die u aan de Hemel hebt gedaan.
Biddend tot God, u vele jaren in goede gezondheid te houden, voor het algemeen welzijn, zal ik me gelukkig prijzen mij heel mijn leven te noemen, na mijn ootmoedige groet te hebben aangeboden, zoals ook namens mijn Vader, aan meneer Uw Vader, en aan u,

Monsieur,      

Vôtre tres-humble, et tres-obeïssant serviteur,  
N. Colvius.      

  De Dordrecht. le 29. Mars. 1656.

Mijn Heer,
Mijn Heer Christiaen Huygens,
  De Zulichem.
S'Graven-Haghe.
Port.


1)  Nicolaas Colvius ... (1634-1717) werd in 1656 predikant in Dordrecht, als collega van zijn vader Andreas; in hetzelfde jaar werd hij benoemd te Amsterdam; in 1711 legde hij zijn kerkelijke functies neer.
2)  De brief is niet gevonden [Add. in T. 2: het is brief No. 272a].
3)  Robert Paget, Magister Artium, bezette de Presbyteriaanse zetel te Dordrecht van 1638 tot 1684, hoewel hij werd beroepen naar Amsterdam en naar Utrecht [hij overleed te Dordrecht op 18 mei 1684]. Hij was zeer geleerd en een vriend van de de Witten.
[ *)  Johann Philipp von Schönborn (1605 - 1673), de 'Duitse Salomo' aan wiens hof later de jonge Leibniz verbleef, van 1669 tot 1672.]
4)  Zie het volgende stuk [p. 394: epigram op Huygens' ontdekking van de maan bij Saturnus].


[ 452 ]

No 312.

A. Colvius aan Christiaan Huygens.

12 juli 1656.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Huygens' antwoord: No.
321.


    Monsieur

  In deze stad was de heer Rijcklof van Goens 1), die gedurende lange jaren in Oost-Indië heeft gewoond, en er zeer eervolle functies heeft bekleed, en die daarheen terugkeert in de maand september als Commissaris van Indië, een zeer ervaren man. We hebben onder andere een gesprek gehad over uw verrekijkers. En hij heeft een sterk verlangen gekregen er een met zich mee te kunnen nemen naar Indi‘, om ermee de hemel in hun landstreken te aanschouwen. Hij zou niet nalaten u eerlijk erkentelijk ervoor te zijn, want hij is een bemiddeld man.

Hier ziet u hoe ver ik ga, vertrouwend op uw grootmoedige beleefdheid; als ik hierbij een goede koppelaar kan zijn, prijs ik me gelijkkig. Te zijner tijd zullen we uw


1)  Ryklof van Goens, ... (1619-1682) vertrok in 1628 naar Oost-Indië, en werd in 1653 lid van de Raad van Indië. In januari 1655 ging hij terug naar Holland [aankomst sept.]; in juli 1657 kwam hij weer in Batavia aan, werd admiraal en veldoverste; op 10 jan. 1678 werd hij gouverneur, in 1681 ging hij om gezondheidsredenen terug naar Holland.
[ Javaense Reyse, Dordrecht 1666, 1995.]

[ 453 ]

waarnemingen van Saturnus verwachten. De bovengenoemde heer zal u mettertijd de zijne kunnen leveren die hij in de Oost zal kunnen doen. Tenslotte verdient hij het dat men rekening houdt met zijn persoon. Ik zal een woordje verwachten van u, weledele heer, en na meneer uw Vader te hebben gegroet, noem ik mij

Monsieur
Vostre tres-humble et obeïssant serviteur,  
  A. Colvius.


De Dordrecht
ce 12. de Juillet 1656.

Mijn Heer
Mijn Heer Christiaen Hugens van Zulichom.
s'Graven-hage.    



[ 470 ]

No 321.

Christiaan Huygens aan A. Colvius.

[juli 1656.]

Concept en kopie in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
312. Colvius' antwoord: No. 330.


Reverendo Clarissimoque Viro Domino A. Colvio
Christianus Hugenius S. D.

  U vraagt van mij voor een vriend 1) van u die naar Indië vertrekt een telescoop te maken. Ik zend en geef deze echter niet aan hem, maar aan u, en u beslist erover zoals u wilt. Ik vind het namelijk beter om bij u dank in te oogsten of een schuld af te lossen, dan te streven naar beloning bij een onbekend iemand. Ja zelfs zou het onfatsoenlijk lijken, als ik werk en tijd tegen een prijs als het ware zou laten kopen, en ik heb er niet zo'n overvloed van, dat er iets overblijft om te verkopen.

Ik ben meer bezet, mijn Colvius, dan u misschien hebt geloofd, maar toch, waarom zou ik u niet ter wille zijn en vooral bij deze zaak, ik heb geen uitvlucht willen zoeken, want ik ben niet vergeten hoeveel last u meer dan eens hebt ondervonden door onze zaak. Ik erken dat ik ook aan Calthof wegens dezelfde zaak ook nu nog verplicht ben, en als ik verneem dat hij glazen*) verlangt van die soort waarmee hij een telescoop kan bouwen, ben ik heel bereid ze te sturen. Wat ik aan de zeergeleerde Paget had beloofd kom ik nu tegelijk na, en ik heb hem nauwkeurig voorgeschreven op welke manier hij de buis moet laten bouwen [>]. Zodra die voltooid is, kunt u gemakkelijk een dergelijke verkrijgen.

  Onze waarnemingen van Saturnus, die u me aanspoort uit te geven, meen ik niet eerder te moeten uiteenzetten, dan wanneer het hele systeem met de oorzaken van de wonderlijke fasen is ontward. Doch om het te ontwarren ben ik gedwongen af te wachten wat volgend jaar zal worden waargenomen. Onlangs heeft de zeergeleerde Hevelius een door hemzelf uitgegeven boek aan mij gestuurd [<] waarin dit zelfde onderwerp wordt behandeld, en toch heeft het mij niet van het voorgenomene afgebracht, maar veeleer aangemoedigd, aangezien hij een niet zeer waarschijnlijke hypothese lijkt te hebben aanvaard, die in elk geval veel verschilt van de onze. Het ga u goed.


1)  Rijcklof van Goens, zie brief No. 312.
[ *)  Museum Boerhaave heeft van Huygens uit 1656 een objectief-lens (10 voet 8 duim, diameter 9,5 cm) en een bijbehorende oculair-lens (diameter 3,5 cm), beschreven in: A.C. van Helden & R.H. van Gent, De Huygenscollectie, Leiden 1995.]

lens, 1656
Ch. Huijgens, lon. 10 ped. 8 po. A 1656
  Museum Boerhaave  



[ 484 ]

No 328.

Christiaan Huygens aan A. Colvius.

28 augustus 1656.

Concept en kopie in Leiden, coll. Huygens.
Colvius' antwoord: No.
330.


Colvio.
28 Aug. 1656.  
  Een maand is bijna verstreken sinds ik aan u twee paar glazen heb gezonden, ingesloten in een doosje, waarvan ik het ene aan u had gegeven en bij het andere had gevraagd 1) of u het samen met een brief wilde overhandigen aan de heer Paget. Als u die ontvangen hebt vraag ik u me ook te bevrijden van een ongerustheid; ik begin namelijk te vrezen dat ze niet overgebracht zijn, daar ik niets ten antwoord van u ontvang.
Het zal stellig een groot verlies zijn als ze verdwenen zijn, en voor mij des te ondraaglijker omdat ik dan bij u al die tijd voor onbeleefd gehouden ben, en dat buiten mijn schuld. Och, had ik maar niet zo lang gezwegen. Want als ze kwijtgeraakt zijn zullen ze denk ik moeilijk teruggekregen kunnen worden, en toch zullen we niets onbeproefd laten. Maar ik hoop dat het er beter voor staat. Het ga u goed en, als het niet ongelegen is, schrijft u zo spoedig mogelijk terug.


1)  Zie brief No. 321.


[ 486 ]

No 330.

A. Colvius aan Christiaan Huygens.

2 september 1656.

Brief in Leiden, coll. Huygens.
Antwoord op No.
321, 328.


    Clarissime Vir,

  De twee paar lenzen, bestemd voor de heer Paget en mij, hebben we allang ontvangen. Wij hebben beiden enkele dagen in Amsterdam vertoefd, ik vanwege de inwijding van mijn zoon 1), die gebeurde op 20 augustus in de Waalse kerk te Amsterdam. Meteen na mijn terugkeer hebben we ervoor gezorgd dat er een buis zou worden gemaakt, Kalthof hielp ons daarbij. Pas de


1)  Zie brief No. 273, n.1 [hierboven].

[ 487 ]

komende maandag of dinsdag zal de gelegenheid zich voordoen deze te beproeven. Dit is er de oorzaak van dat we u zó laat dank betuigen, en we zullen nog meer betuigen na de proefnemingen, voor een zó schitterend geschenk, waarmee we de voorhoven van de hemel zullen kunnen bekijken. En als er wellicht iets te kort schiet door onzorgvuldigheid van de buismaker, zullen we onze toevlucht moeten nemen bij u en uw welwillendheid. En dit was ook de oorzaak van ons zwijgen.
In Amsterdam heb ik gekocht een geschiedenis van de Telescoop 2), geschreven door P. Borel 3), waaraan zijn toegevoegd uw waarnemingen van Saturnus. Wie deze schrijver is weet ik niet. Er zijn verscheidene uittreksels uit andere schrijvers. Van u zal ongetwijfeld nog iets groters verschijnen. God beware u gedurende lange jaren, tot sieraad voor onze eeuw en ons volk.

  Het ga u goed, voortreffelijke Heer, en wees mij genegen.

    Dordraci   2 Sept. 1656.

Met alle gehoorzaamheid de uwe

A. Colvius.  

  De heer Paget groet u, en te zijner tijd zal hij dank betuigen.

Mijn Heer
Mijn Heer Christiaen Huijgens, van Zulichom.
S' Graven-Haghe.


2)  P. Borel, De vero telescopii inventore, Den Haag 1655 (1656 met Observationum micriscopicarum centuria), met Huygens in II, p. 62-63.
3)  Pierre Borel ... (ca. 1620-1671) was geneesheer, kwam (1653) naar Parijs, en werd benoemd tot gewoon geneesheer van de koning. Hij had één van de meest opmerkelijke kabinetten van natuurlijke historie van zijn tijd, en gaf er een beschrijving van.
  Catalogue des raretés de P. Borel, Castres 1645, in-4, met een 2e ed. in 1649, in-8.

[ De genoemde sterfdatum van 1689 is een verwarring met Jacques Borelly, zie David J. Sturdy, Science and Social Status (1995), p. 171.]


[ 527 ]

No 359.

Christiaan Huygens aan Calthof.

18 december 1656.

Concept en kopie in Leiden, coll. Huygens.


    Monsieur Calthof
18 Dec. 1656.  
  UE. heeft my soo seer hier te vooren geobligeert [<] dat ick blyde ben UE. wederom ergens in te connen dienen. Ick sende UE. dan volgens syn begeerte dit paer glasen, waer van het groote (daer het al aen is gelegen) een vande twee besten is die wij oyt van dese soorte gemaeckt hebben, ende heeft over lang alle proeven uytgestaen waer van de seeckerste is dat se de planeten van Jupiter en Saturnus distinctelijck sonder eenige schemering representeren.
De glasen die ick te vooren aen Myn Heer Paget en Colvius gesonden hebbe 1) hadde ick bij daegh beproeft en oock in de maene en waeren hier in perfect goet, doch in de planeten konde ick die niet proeven om datter doenmaels geen konden gesien werden. Indien myn Heer Paget daer niet mede kan te recht geraecken wilde ick wel dat hy my nu die oversondt, op dat ickse in de planeten mochte versoecken, en weten of er iets aen de glasen schort, in welcken gevalle ick die verslypen sal ofte andere maecken. Het gheene my doet twyffelen is dat hy mij niet en laet weten hoe het gaet met het observeren.
Tot mijn observatien gebruijck ick anders geen verkycker als die van 23 voet, die seer goet is, en noch eens soo veel vergroot als die van 12. Bij daech vind ick de beste te sijn van 4½ voet of daer ontrent, want die van 6 voet alreede te groot sijn, vertoonende alle dingen nevelachtigh. Het welck ick om dies wille segghe, op dat UE. niet en meijne dese glasen bij daghe met goet succes te gebruycken, maer alleen in de sterren en maene.
De buyse sal UE. konnen doen maecken volgens het gheen ick lestmael aen myn Heer Paget dien aengaende geschreven hebbe [<], en wesen altijt verseeckert dat aen de glasen geen faute sal sijn. Ick sal een woort tot antwoort verwachten hoe het UE. sal gesuccedeert hebben en blyven altyt


1)  Zie de brieven No. 321 [hierboven] en No. 322.



[ T. 2, 474 ]

No 661.

A. Colvius aan Christiaan Huygens.

4 september 1659.

Brief in Leiden, coll. Huygens.


    Clarissime et Nobilissime Vir,

  Heel kort geleden heb ik uw Systema Saturnium 1) ontvangen, een hemels geschenk. Daarvoor ben ik u heel veel dank verschuldigd en die spreek ik hierbij uit, en zelfs de hele wereld zal u die terecht verschuldigd zijn. U hebt


titelpagina Systema Saturnium 1)  Zie brief No. 640, n.2  [Huygens aan Boulliau, 24 juli: "het boek over Saturnus, dat helemaal klaar is"].

[ Op 7 augustus gaan 10 exemplaren naar Parijs, zie p. 453, met een lijst van personen aan wie Huygens het boek stuurde; bij Colvius staat: "29 Aug.", eronder: Paget; Calthof ontbreekt.]

[ T. 2, 475 ]

geopenbaard wat het oog niet ziet; we doorzoeken de buitenste regionen op aarde, en het is niet zo verwonderlijk dat die dagelijks worden gevonden; vanuit de hemel zouden we de hele aarde kunnen zien, vanaf de aarde zien we de hele hemel. Alleen de mens kan, zonder de voeten te bewegen, de hele horizon in het oog krijgen door het hoofd te draaien.
Dikwijls boeit mij de overeenstemming van de hemel met dit aardse van ons; aan de hemel vinden we de mens terug, en in de mens de hemel; daarom moeten astronomische en anatomische studies altijd met elkaar verbonden worden. Kepler heeft veel geschreven over de harmonische bewegingen van de Planeten 2), maar of dat u bevalt verlang ik te weten; het probleem is dat het te bewerkelijk is en uw hypothesen mist. Hoe het ook zij, deze beschouwingen van de hemel en dit zeer aangename samenklinken hebben de uitwerking dat ze ons tot God brengen; en de Atheïsten van deze eeuw moeten werkelijk zeer sterk zijn, als ze de kracht van het eigen geweten aanvoeren. Alleen Filosofen die zich van de Astronomie hebben afgewend, zijn dat openlijk zo geweest; ze hebben geen ogen en verstand om te zien.
Verwacht u van mij geen oordeel over wat u hebt geschreven, maar bewondering. Ik zou u met telescoop en vernuft moeten overtreffen, als ik me dit zou voorstellen. Nu zal de hele wereld wel meer van u verwachten en eisen; zo hebt u allen doen watertanden. En omdat u melding maakt van de Dioptrica, zijn we ook begerig die te zien. Aanzienlijken geven inderdaad omdat ze gegeven hebben. En te geven aan hen die niets kunnen teruggeven dan dankbetuigingen, dat is de vrijgevigheid ten top. Breng ons zo naar wat er aan de hemel is, voortreffelijke Huygens, en wij zullen te voet op afstand volgen.
Als oude man van zesenzestig jaar*) verlang ik er al lang naar, die originele handschriften van de hemel te bekijken, en de hemellichamen onder de voeten te zien; dan zal deze aarde, die we nu met de voeten betreden, voor ons nauwelijks als een punt verschijnen. Inderdaad groot en te prijzen is God die in de hemelen woont en omziet naar de aarde. Hem bid ik, dat u laat naar de hemel gaat; en dat u, nadat u voor ons nauwkeurig de tijdstippen kenbaar hebt gemaakt met uw heel ingenieuze uurwerken, de onsterfelijkheid deelachtig wordt. Ik groet uw weledele Vader, en vraag of hij mij altijd genegen blijft.


2)  Johannes Kepler, Harmonices Mundi ..., Linz 1619. [Zie de figuur bij p. 186.]
[ *)  Het geboortejaar lijkt eerder 1593 dan 1594.]

[ T. 2, 476 ]

De heer Paget 3) zal u binnenkort geleerdere dank betuigen 4). Het ga u goed, zeergeleerde heer
Tuus omni officio et obsequio  
Andreas Colvius.    
  Dordraci 4 Sept. 1659.

Mijn Heer,
Mijn Heer Christiaen Huijgens van Zulicom, etc.
s' Graven-Hage.


3)  R. Paget, zie brief No. 273, n.3.
4)  We hebben deze brief van R. Paget aan Chr. Huygens niet in onze collecties gevonden. [Zie No. 379, van 16 maart 1657.]



[ T. 3, 124 ]

No 778.

A. Colvius aan Christiaan Huygens.

9 september 1660.

Brief in Leiden, coll. Huygens.


    Monsieur

  Ik heb getwijfeld of ik u deze Almanak die hierbij gaat zou voorleggen; omdat die het niet waard was door u te worden gezien. Maar omdat de samensteller ervan

[ T. 3, 125 ]

via mij van uw Systema Saturnium gebruik heeft gemaakt, en hij er melding van maakt, heb ik het gewaagd u deze te sturen. Ook al zou het alleen al zijn om u bij deze gelegenheid mijn diensten aan te bieden. Ik twijfel er niet aan dat uw gedachten voortdurend naar de sterren gaan, en dat u ons daarover mettertijd meer helderheid zult geven. Deze verzen van Ovidius 1) bevallen mij zeer.

Gelukkig zijn gewis die Geesten, die 't gewigt
Dier Kunst eerst kenden, en, door hun bespiegelingen,
In 't hemelhuys en zyn' vertrekken konden dringen.
't Is wel te denken, dat die schrandre 't breinryk hoofdt
Veel hoger dan het Volk, dat in zyn domheid slooft,
Naar boven staken.

  Ik vind Manilius bewonderenswaardig in zijn Astronomica 2), vooral in zijn voorwoorden en uitweidingen. Maar in hun tijd was deze edele wetenschap nog heel onbekend. "Filosofie wordt nooit oud", zegt Boëthius 3). Seneca: "Eleusis bewaart iets dat het zal tonen aan degenen die er terugkomen" 4). "Het voornaamste in alle menselijke zakenis, alles met aandacht gezien te hebben en, wat de grootste overwinning is, ondeugden bedwongen te hebben" 5). Dat is wat u doet, boven het gewone, in de bloei van uw jaren alle oude mensen en volleerden overtreffend.

Ik bid God dat hij u lange jaren in volmaakte gezondheid behoudt. Meneer uw Vader groetend met bijzondere genegenheid blijf ik

Vostre tres-obligé et  
tres-humble serviteur  
A. Colvius.  


  De Dordrecht
  ce 9. de sept. 1660.

Mijn Heer
Mijn H. Christiaen Huijgens van Zulichem
s'Graven-Haghe
met een rolletien.
port


1)  Ovidius, Fastorum Lib. I, vers 297-300.
[ Hier in de vertaling van A. Hoogvliet (1719, p. 14), zie ook Voorrede in John Keill, Inleidinge tot de waare sterrekunde, Leiden 1741.
In het vervolg staat wat Huygens in 1655 op een lens had gegrift: "verre hemellichamen naar onze ogen brengen" (admovere oculis), en ook wat hij in maart van dat jaar aan Colvius had geschreven [<]: "zo wordt naar de hemel gereikt" (sic petitur coelum), "dat is de weg ten hemel" bij Hoogvliet:
          min, noch wyn, noch pleitgeslommer
Ontrusten hunnen geest, zoo min als de oorlogskommer;
Nooit kreukte heerschzucht, met haar averegs beleit,
Noch valsche glorizucht, noch vrekke gierigheit
Die edele zielen; maar zy stelden 's hemels boogen,
En 't hoog gestarnte, laag en zichtbaar voor onze oogen,
Door haar vernuft.  dat is de weg ten hemel; niet
Gelyk het reuzenrot, dat door de wolken stiet,
En stapelde eenen hoop van bergen op malkanderen,
den Ossa, Pelion, Olymp en noch meer anderen. ]
2)  Eerst gepubliceerd door Regiomontanus in 1572 [1473], en daarna in veel edities [W]. Colvius heeft waarschijnlijk gebruikt:
  M. ManilI Astronomicon a Josepho Scaligero ... repurgatum. Eiusdem Josephi Scaligeri Notae ..., Leiden 1600.

3)  Dit citaat hebben we niet gevonden.
["Philosophia nunquam senescit". Wel staat er "Sapientia enim nunquam senescit" (de wijsheid neemt immers nooit af) in De consolatione philosophiae libri quinque, met commentaren van Murmellius en Agricola, Col. 1535 (1e ed. 1514), p. 9, comm. bij 'Prosa prima' (Engl.).

Boëthius vande vertroosting der wijsheid, vert. D. V. Coornhert, Amst. 1616, p. 13:
... neven my stond een vrouwe van zeer eerwaardighen aanzichte ...
... van onuytscheppelycker kracht: hoewel zy zo vol was van Jaren / dat zy gheenssins en scheen van onzer ghewoonlycker oudheid te wezen ...
... bywylen voeghde zy haar zelve na de gemeyne mate der menschen; dan scheen zy wederomme metten oppersten toppe haars hoofds den Hemel te raken: ...
14
... Deze vrouwe / als zy die Poëtelycke Konst-godinnen zagh staan by mynen bedde / ...
... dit zynze die mette onvruchtbare doornen der hertstoringhen / het vruchtbare koorn des redens doden / ende der menschen herten tot ziecten wennen / maar niet daar af bevryen. ]
4)  Zie Naturales Quaestiones, Lib. VII; cap. 30, § 6.
5)  Zie Naturales Quaestiones, Lib. III; Praef. § 10.





Home | Christiaan Huygens | T. I | Colvius (top)