Chr. Huygens | Oeuvres XXII | < Biografie >

Vertaling van de

Biografie van Christiaan Huygens

in Oeuvres complètes XXII

(Brontekst:  Gallica , Archive , dbnl)



INHOUD

577

Jaren 1661 - 1666
579 §  1 Den Haag, mei 1661 - maart 1663
593:  Brief aan Bruce, 19 jan. 1663 
595 §  2 Parijs en Londen, april 1663 - juni 1664
605:  Brief van Bruce, 29 jan. 1664 
610 §  3 Den Haag, juni 1664 - april 1666

623

  ...



[ 577 ]

Jaren 1661 - 1666.


[ 579 ] [ n ]

§ 1.   Den HAAG  mei 1661 - maart 1663.


  Twee dagen na zijn aankomst in Engeland was Huygens naar Alexander Bruce gegaan — die in 1663 graaf van Kincardine werd — voor wie hij een boodschap had 1 ). Voor die tijd kende hij hem al, tenminste sinds 1658, aangezien men zijn naam vindt — in de vorm "Brus", zoals altijd als Huygens het over hem heeft 2 ) — in de lijst van personen die "Horologium" ontvingen 3 ). Dit laat tegelijk zien dat Bruce toen al belangstelling had voor uurwerken. Hij had in 1657 Schotland verlaten en was enige tijd in den Haag gevestigd na Duitsland te hebben bezocht. De naam Bruce is voor deze tijd niet te vinden in de Briefwisseling van vader Constantijn; volgens een noot van T. IV 4) kwam A. Bruce pas in 1659 naar den Haag; als dit zo is, wat ons onwaarschijnlijk lijkt, vragen we ons af hoe Huygens hem vanaf 1658 heeft kunnen kennen 5). Na juni 1659 kende Huygens hem ongetwijfeld nog beter, aangezien hij in die maand trouwde met een dochter van de diplomaat Cornelis van Aerssen, zoon van François 6). In Londen zag Huygens Bruce vrij dikwijls. We merken terloops op dat hij daar ook de werkplaats van de uurwerkmakers Fromanteel bezocht 7 ).
Over Bruce gaat het in de brief van Huygens aan Moray van 24 juni 1661 8 ). We vernemen uit deze brief dat Bruce in den Haag voor Moray een uurwerk had besteld met een slinger van drie voet. Het lijkt mogelijk dat al tijdens het eerste verblijf van Bruce in den Haag, Huygens en hij soms gezamenlijk de gang van bepaalde uurwerken hebben waargenomen, toen het slingeruurwerk iets nieuws was, en toen ze gesproken hebben over de middelen om de gang ervan te verbeteren, vooral voor het probleem van de lengtevinding, dus voor het vervoer van uurwerken over zee, want we zien niet dat Bruce belangstelling had voor sterrenkunde. Zeker is dat ze samenwerkten gedurende een tweede

[ 580 ] [ n ]

of althans gedurende een derde verblijf van Bruce in den Haag in 1662. Zie over de maand februari 1662 p. 160 van T. XVII. Op 9 november van dat jaar schrijft Huygens dat "M. Brus is teruggekeerd naar Schotland" 9), maar op 1, 14 en 20 december 10) spreekt hij van talrijke bijeenkomsten "sinds we zijn begonnen met het verbeteren van de uitvinding van de lengtebepaling" en zelfs al van getwist over het verdelen van de winst. Bruce vertrok omtrent 1 januari 1663 naar Londen en hij nam met zich mee "twee uurwerken voor de lengtebepaling" 11). Hij had geen succes: volgens zijn brief van 12 januari 1663 12), was er wel geen storm geweest, maar één van de uurwerken was gevallen en defect geraakt, het andere was stil blijven staan 13). Maar zowel hij als Moray stelden zich voor nieuwe proefnemingen te doen 14).



  We publiceren aan het eind van deze paragraaf de brief van 19 januari 1663 van Huygens aan Bruce die ons ontbrak en waarvan de kopie ons bereikte door toedoen van de heer Clifford Dobell (schrijver van de brochure "The Kincardine papers", Royal Society, London, Notes and Records, Vol. 4, mei 1947 [1946, descr.]) zowel van de Royal Society als van de National Library of Scotland.



slinger   Het was Bruce die Huygens ertoe gebracht had een korte slinger te nemen in plaats van een lange 15). Bovendien had Bruce "het handje waardoor de slinger wordt aangedreven" dubbel gemaakt; deze slinger (genoemd met omgekeerde F) is afgebeeld op p. 166 van T. XVII (behalve dat het gewicht in de figuur de vorm heeft van een lens — jaar 1664 — terwijl het in 1662 bolvormig was); het idee om het uurwerk op te hangen aan een stalen bol besloten in een koperen cilinder was ook van Bruce 16).

  Op de stang van de genoemde slinger zal men het schuifgewichtje opmerken dat dient voor het ijken. Al in 1659 — we hebben het gezegd op p. 500 en 503 hiervoor — had Huygens de lengte kunnen berekenen van een mathematische slinger met dezelfde slingertijd als een slinger met eveneens een staaf zonder gewicht maar met boven elkaar twee

[ 581 ] [ n ]

samengestelde en enkele slinger puntvormige gewichten 17). Daartoe was hij uitgegaan van de hypothese 18) dat als men elk gewicht vermenigvuldigt met de maximale hoogte die het bereikt boven een bepaald horizontaal vlak, de som van deze producten hetzelfde zal zijn in het geval waarin de gewichten vrij slingeren, als in dat waarin ze samen een enkel lichaam vormen; welteverstaan in de veronderstelling dat in het geval van de vrij genoemde slingering de gewichten (om hetzelfde ophangpunt) afzonderlijk beginnen te slingeren, in plaats van gezamenlijk, op het moment dat de twee gewichten zich in de laagste stand bevinden. Zoals Huygens laat uitkomen in het stuk van 1661 over het middelpunt van slingering 19), is het een toepassing op deze omkeerbare beweging van het grote principe — zie p. 509 hiervoor — dat het middelpunt van zwaarte niet kan stijgen met alleen zwaarte 20). In plaats van te veronderstellen dat de twee gewichten doorgaan met slingeren nadat ze "vrij" zijn geworden, kan men overigens ook veronderstellen 21) dat de twee bollen, na een halve slingering te hebben uitgevoerd, door de staaf zonder gewicht worden afgeworpen en zich vertikaal omhoog bewegen door terugkaatsing tegen vlakke oppervlakken, elk tot zijn grootste hoogte; of nog anders, zoals Huygens doet, dat de slinger na een halve slingering tot rust gebracht wordt door het feit dat de twee bolletjes, volmaakt hard verondersteld, in botsing komen met gelijke vrije bollen van dezelfde soort die (volgens de nieuwe stoottheorie) elk de gehele snelheid krijgen van de corresponderende slingerbol en elk omhoog gaan tot de maximale hoogte (waar ze blijven stilstaan) door de genoemde ideale terugkaatsing.
bolletjes-slinger Dit principe kan natuurlijk ook dienen in het geval waarin het aantal gewichten groter is dan twee; al in 1659 had Huygens er gebruik van gemaakt toen hij het geval beschouwde waarin de slingerende staaf niet zonder gewicht is maar samengesteld uit oneindig veel oneindig kleine gelijke gewichtjes; en deze staaf kon bovendien, bijvoorbeeld aan het uiteinde, een enkel bolletje dragen, puntvormig maar met een eindig gewicht. Het dispuut met Douw en andere uurwerkmakers 22) — we hebben het al gezegd op p. 503 — was een stimulans geweest voor dit onderzoek naar het middelpunt van slingering dat al tien jaar eerder was aangeprezen door Mersenne 23). De pagina's 105-112 van T. XVII bevatten de berekeningen van 1661 over het schuifgewichtje ["schuijflootje"] die aanknopen op die van 1659; p. 414-433 van T. XVI, eveneens van 1661, zijn het vervolg erop; al deze berekeningen dateren van de maand augustus of veeleer september en de volgende maanden. Bruce had er geen deel aan evenmin als aan de beschouwingen over de ongelijkheid der dagen. Zie over dit

[ 582 ] [ n ]

laatste onderwerp T. XV 24). Toen Bruce den Haag verliet, had Huygens al het plan 25) een instructie te schrijven over het gebruik van uurwerken om de lengten te vinden, met inbegrip van een hoofdstuk over de methode om de zonshoogte te meten 26).



  Dit waren echter niet de eerste onderwerpen waarop Huygens zich toelegde na zijn terugkeer in den Haag van 27 mei 1661.

  Vanaf 15 juni observeerde hij opnieuw de planeet Saturnus 27). Zijn brieven van september 28) en december 1661 aan Moray, en heel wat andere brieven, laten zien hoezeer hij er zich voor bleef interesseren. Zie ook over dit onderwerp p. 476-477 van T. XV.

  We wijzen ook op het aandeel dat hij had in de publicatie van 1662 [door Hevelius] van "Venus in sole visa" van Horrox  29).



  Men heeft gezien dat hij op doorreis in Antwerpen carillons heeft gehoord. Het was, denken we, op zijn verzoek dat een vriend hem vandaar op 16 juni de kopie stuurde van een pagina in het Nederlands — deze kennen we overigens niet — van een van de gebroeders Hemony, die de genoemde carillons hadden gegoten en geïnstalleerd [<]; het gaat over de "regel van het akkoord, hoe deze met een getalverhouding wordt gevonden" * ). Na dit gelezen te hebben schreef hij op 8 juli daaraanvolgend het stuk getiteld "Verdeling van het monochord" waarin hij zich bedient van "algebraïsche termen van een onbepaald systeem 30)": uitgaande van een snaar met lengte a berekent hij de snaarlengten waarvan de tonen met de grondtoon de intervallen van het Pythagoreïsche systeem vormen; hij stelt x voor de lengte van de snaar die overeenkomt met de kwint van de grondtoon, zodat de verhouding x/a van het basisinterval van de Pythagoreïsche constructie voor het ogenblik onbepaald blijft, en dan leidt hij alle tonen van het systeem af van de grondtoon, in navolging van Hemony, door sprongen van kwinten en tertsen met weglating van octaven.

[ 583 ] [ n ]

Dan pas vraagt hij zich af "op hoeveel x het meest passend gesteld kan worden". Als men neemt x = 2/3 a, zijn alle kwinten en kwarten rein; dit zal niet zo zijn met tertsen en sexten. Men kan ook reinheid van de grote terts verlangen, wat leidt tot x = a 4e machtswortel uit een vijfde, ofwel dat de kwinten kleiner zijn terwijl de grote sexten groter zijn dan hun werkelijke waarden, wat leidt tot dezelfde waarde x/a = 4e machtswortel uit een vijfde ; dit is de zogenaamde middentoonstemming waaraan Huygens de naam "echte stemming" geeft.

  Eveneens van 1661 31) dateert het stuk "Verdeling van het octaaf in 31 gelijke intervallen" waarin de berekeningen worden uitgevoerd "met logaritmen" wat nauwelijk anders kan, zoals Huygens naar voren brengt in zijn brief aan Moray van 1 augustus 32). Het voordeel van de nieuwe stemming waarmee deze verdeling in 31 intervallen in verband staat is dat de harmonische cyclus van Stevin, of van Aristoxenos, verkregen door de verdeling van het octaaf in 12 gelijke intervallen, er behouden blijft 33) zonder dat de afwijkingen der tonen van die van de "echte stemming" van enig belang zijn. In deze tijd dacht Huygens er niet aan iets over dit onderwerp te publiceren. Hij heeft kunnen weten dat Rembrantz. van Nierop in 1659 Stevin had bekritiseerd 34) die de genoemde verdeling in 12 gelijke intervallen niet beschouwde als een stemming maar, maar van mening was dat deze overeenkomt met de aard der tonen; waarbij Huygens het volledig eens is met zowel van Nierop als met wijlen Descartes 35).

  De meeste stukken van de bundel "Musica" zijn niet gedateerd. We geloven toch te kunnen zeggen dat het stuk dat deels is gepubliceerd in T. XIX onder de titel "Verband tussen samenklinkende snaarlengten volgens Pythagoras, en verband tussen hun trillingsgetallen volgens Galileï en andere geleerden" 36) en deels in T. XX onder de titel "Oorsprong van zang. Verbanden tussen de lengten enz." 37) dateert van deze tijd 38) hoewel de paragraaf over Galileï er later bijgevoegd kan zijn.

[ 584 ] [ n ]

Wat betreft de tromba marina  39), genoemd in de marge (naar aanleiding van de vraag of het getal 7, vergeleken met andere, in staat is een goede samenklank voort te brengen), die schijnt Huygens in Parijs te hebben leren kennen bij de familie Petit 40).



  De logaritmische berekening die we zojuist noemden leidde hem meteen — ook al voordat hij zich bezighield met slingers en uurwerken — tot een betere beschouwing van de logaritmen. Hij bediende zich tenminste sedert 1657 41) van logaritme-tabellen maar pas in juli 1661 42) zette hij zich werkelijk aan "het beschouwen van deze wonderbare getallen"; in deze zelfde maand leidde hij, uitgaande van een wiskundige beschouwing van Gregorius van St. Vincent over de hyperbool, een practische regel af om ze te berekenen; die is te vinden in ons T. XIV 43).
logaritmische kromme
BF is subtangens
 
Deze werd in september gevolgd door de constructie, per punt, van de logaritmische kromme 44) — zie wat we even verder zeggen over de constructie van 1652 — waarbij hij de onveranderlijkheid vaststelde van de lengte van de subtangens  45). De punten zijn oneindig in aantal, en Huygens veronderstelt dat er een continue kromme uit voortkomt, anders zou hij niet kunnen spreken over een raaklijn of subtangens. Men zou ook kunnen zeggen dat de constantheid van de subtangens (het "latus rectum") een continue kromme definieert. Maar dat zegt Huygens niet. De lengte van de subtangens kan, als deze niet wordt genomen als uitgangspunt (of liever -lijn), niet gevonden worden "met enige meetkundige methode maar uit logaritmen zo dadelijk als men wil" 46). In 1667 zal Mercator schrijven: "Een logaritme is niets anders dan het aantal verhoudinkjes bevat in de verhouding die elk absoluut [getal] tot de eenheid bezit" 47). Bij de continue kromme beschouwd door Huygens 48) kan er geen sprake zijn van eindige verhoudinkjes, hoe klein — we bedoelen: hoe weinig groter dan de eenheid — men ze ook veronderstelt. Als men van deze kromme uitgaat zijn logaritmen, lijkt ons, oneindig grote getallen, voorgesteld door lijnen van eindige lengte, of

[ 585 ] [ n ]

veel eerder eindige lengten overeenkomend met oneindig grote getallen. Huygens spreekt niet van oneindig grote getallen; hij neemt er genoegen mee te laten zien dat de verhouding van de waarden van twee logaritmen, d.w.z. van twee lengten, des te "nauwkeuriger" wordt verkregen naarmate de getallen die ze uitdrukken groter zijn.

  Hij laat bovendien zien dat men soms exacte resultaten kan verkrijgen, over de gelijkheid van bepaalde oppervlakken, door een volgens hem onberispelijke redenering die anders is dan de herleiding tot het absurde volgens Archimedes 49).

  Overigens moet opgemerkt worden dat hij al in 1652, zonder over logaritmen te spreken, een kromme had getekend, of liever bedacht, om een meetkundige reeks voor te stellen, een kromme die niet anders is dan de logaritmische 50). Het stuk van 1661 (?) van p. 291-294 van T. XX, waar gebruik is gemaakt van logaritmen, houdt er verband mee.
  Naar aanleiding van het begrip continuïteit merken we nog op, dat Huygens elke theorie verwerpt die discontinuïteit veronderstelt in het verstrijken van de tijd 51).



  Hoewel Huygens op 15 juli 1661 aan Moray had geschreven: "Ik verzeker u dat ik nog voor lange tijd er genoeg werk aan heb om in het net te schrijven verscheidene van mijn oude uitvindingen en enkele half voltooide verhandelingen die ik wil verbeteren en te voorschijn brengen", ziet men dat hij er zich niet van kon weerhouden interesse te hebben voor nieuwe onderwerpen, zozeer dat het genoemde voltooien en verbeteren niet de dagelijkse bezigheid kon worden.



  Het is mogelijk dat hij, na recentelijk een beschrijving te hebben ontvangen van de Poolse vliegmachine 52) heeft geprobeerd een dergelijk vliegtuig te bouwen, zoals hij dacht het te kunnen maken 53), of veeleer een automaat "naar het voorbeeld van de goede Archytas". We kunnen ons tenminste moeilijk voorstellen dat de reconstructie van de duif van Archytas die, zonder goede beschrijving, wordt gegeven op p. 316-318 hiervoor, werkelijk van 1692 zou dateren.


[ 586 ] [ n ]

  Een andere studie komt vanaf september 1661, of al eerder, zich voegen bij die waarover we zojuist spraken: de bouw van een pneumatische machine en het onderzoek van verschillende verschijnselen in het luchtledige. Huygens noemt er enkele op 54), en vergeet niet de glastranen waarvan hierboven 55) sprake was en waarvoor men zowel in Parijs 56) als in Londen 57) belangstelling had, en ook niet de mysterieuze opstijging van water in de kleine buisjes die Rohault in Parijs 58) had laten zien en waarover men gesproken had in Gresham College 59). Het is mogelijk dat het korte stuk over de aard van water waarin de kleine buisjes eveneens genoemd worden 60) van deze tijd dateert.
In Engeland had Huygens de luchtpomp van Boyle gezien, van wie hij bovendien een artikel had ontvangen over de opstijging van water in kleine buisjes en over andere verschijnselen die wij capillair noemen 61); ons Voorbericht van p. 258-264 van T. XVII heeft betrekking op deze pomp; in Parijs was er misschien alleen sprake van perspompen 62) — een onderwerp waarmee Huygens zich had bezig gehouden; zelfde Voorbericht — en van het luchtledige verkregen door uitstroming van water 63). Dit Voorbericht laat ook zien dat Christiaan zijn broer Lodewijk op de hoogte hield. Deze, teruggekeerd uit Spanje en vertrokken naar Parijs met vader Constantijn na een kort verblijf in den Haag, werd door Christiaan in aanraking gebracht met verschillende personen die hij er gekend had en aan wie hij aanbeveelt zijn experimenten te doen kennen. Lodewijk bleef in Parijs tot februari 1663.

  Overigens bleef Christiaan rechtstreeks met zijn Franse vrienden corresponderen. — Zie over naar Parijs gezonden uurwerken noot 5 van p. 158 van T. XVII. — In de brief aan Chapelain van 14 juli 1661, die verband heeft met die aan de Montmor van p. 76 hiervoor, schrijft hij: "Vous scavez quel est le dessein de ces Messieurs là, a scavoir de s'attacher plus a faire des experiences que des raisonnemens" enz. [U weet wat de opzet is van die Heren (de leden van de Royal Society), te weten zich meer te wijden aan het doen van experimenten dan aan redeneringen].

  We hebben een Franse vertaling toegevoegd aan het Nederlandse stuk van manuscript B waarin Huygens zijn experimenten met het luchtledige noteerde, die duurden van 29 november 1661 tot 20 februari 1662 — op deze laatste dag bepaalde hij het gewicht van lucht [<] —, terwijl een herbouw van het toestel nog vermeld wordt in oktober 1662 64). Maar al sedert 1661 onderscheidde het apparaat van Huygens zich op een belangrijk punt van dat van Boyle:

[ 587 ] [ n ]

luchtpomp de kom van de klok, door hem uitgevonden. De wet van Boyle, volgens welke de veerkracht van lucht verzwakt naarmate hij uitzet, aanvaardde Huygens pas toen hij in juli 1662 zijn verhandeling over dit onderwerp had ontvangen. Deze wet gaf echter niet de verklaring van het merkwaardige verschijnsel dat door Huygens ontdekt was tegen het einde van 1661: hij constateerde dat het water in een omgekeerde buis niet daalt als de kolf luchtledig gemaakt wordt (zoals het altijd scheen te moeten doen) in het geval waarin dit water goed ontlucht is. Dit verschijnsel van Huygens — we zullen het met deze term blijven aanduiden — gaf aanleiding tot heel wat discussie. Hij had het meegedeeld aan Moray in een brief van begin februari 1662 65) en aan broer Lodewijk, om het te berichten aan Thévenot en anderen, de 15e van dezelfde maand 66). Voorlopig gaf hij er zelf geen verklaring voor, nadat hij de wet van Boyle had leren kennen en goedgekeurd.


1662

2 raderen, tegen elkaar in draaiend   We wijzen terloops op de reproductie door Huygens 67), in 1662, van het raderwerk — we zouden kunnen zeggen: het raderwerk van Schwenter — dat dient om water omhoog te halen b.v. in mijnen.



sinuswet voor breking   Lodewijk gaf op zijn beurt vanuit Parijs informatie over wat zijn broers kon interesseren. Zo gaf hij aan Christiaan 68) kennis van de beroemde demonstratie van Fermat over de sinuswet, gebaseerd op een principe dat Christiaan aanvankelijk kwalificeert als deerniswekkend, vervolgens — als hij ziet dat het althans in dit geval leidt tot een opmerkelijk gevolg — als zeer wankel: dat is, om met Fermat te spreken 69), "dat zo gemeenschappelijke en zo gevestigde principe dat de natuur altijd met de kortste wegen werkt".

  Het kan zijn — we hebben het gezegd op p. 267 van T. XVII — dat Huygens toen de overtuiging heeft gekregen dat de brekingsindex gelijk is aan het quotiënt van de lichtsnelheid in het eerste medium gedeeld door die in het tweede.



  Hij zette in 1662 zijn onderzoekingen voort over kringen en bijzonnen. Het is mogelijk dat zijn manuscript, voor een groot deel in het Nederlands, zoals we het in 1932 hebben gepubliceerd,

[ 588 ] [ n ]

voor het eind van dit jaar voltooid was 70). We hadden al in een vorig hoofdstuk het experiment kunnen noemen van 1659 met de glazen cilinder, gevuld met water en met het middelste deel van hout, waarvan er sprake is 71), evenals de veroordeling in deze zelfde tijd van de grote cirkel van ijs van Descartes 72). Men kan in Aanhangsel XI bij de verhandeling zien dat de glazen cilinder een model was voor een cilinder van doorzichtig ijs met ondoorzichtige kern. lichtbreking in druppels Dergelijke cilinders, natuurlijk heel klein, en ook ronde ijskorreltjes met ondoorzichtige bolvormige kernen, waren volgens hem nodig om de waargenomen effecten voort te brengen: hij dacht in die tijd 73) dat de kleuren ontstaan op de grens van licht en donker, zodat de stralen langs ondoorzichtige kernen moeten scheren om ze voort te brengen.



  Nog steeds bezig met het slijpen van lenzen voor grote kijkers — zie o.a. over grote kijkers die men zich voorstelde te bouwen, of die men al bezat, in Engeland, te Danzig en in Polen, verschillende bladzijden van T. III 74) — slijptoestel liet Huygens daartoe in het begin van juni 1662 een draagbaar toestel bouwen naar een recent model afkomstig van hemzelf en van broer Constantijn die in deze jaren voortdurend in den Haag was. Het is, denken we, het toestel afgebeeld op p. 301 van T. XVII 75). Helaas voldeed het niet hoewel Christiaan zegt dat het "zo goed uitgevonden is als maar kon" 76). Hij concludeert er wat haastig uit dat geen ander toestel dienst kan doen dan dat van de stok met de punt 77) die eigenlijk gezegd er geen is.

  Haastig, zeggen we, aangezien de broers in de volgende jaren niettemin nog verschillende toestellen bouwden: zie de figuren van p. 302-304 van T. XVII, waarvan althans het eerste zeker van 1665 is. Zie ook wat Spinoza schrijft 78) over het "bouwsel dat er vrij goed uitziet" dat hij in dit jaar zag. Hoewel deze toestellen die er goed uitzagen niet altijd de gehoopte resultaten gaven. Het lijkt mogelijk

[ 589 ] [ n ]

— maar we geloven niet dat men moet zeggen waarschijnlijk, zoals G. Tierie doet 79) — dat deze volharding te danken is aan de invloed van vader Constantijn door een bewering dat Drebbel vroeger op deze manier lenzen maakte. Aangezien vader Constantijn zich al in oktober 1661 naar Parijs had begeven en uit de brief van Christiaan blijkt dat Lodewijk, die tegelijkertijd den Haag had verlaten, waarschijnlijk in het vaderlijk huis niets had gehoord van een dergelijk project van zijn broers, geloven we in elk geval te kunnen zeggen dat de bouw van het eerste toestel niet was te danken aan het initiatief van de vader.



  Kijkerbouw door de gebroeders Huygens in den Haag was blijkbaar een voortdurende zaak; in de brieven aan Lodewijk (die van L. ontbreken) is dikwijls sprake van stalen spiegeltjes bestemd voor deze kijkers 80) — de spiegeltjes zetten het beeld weer rechtop — of tenminste van dunne staalplaatjes, geleverd door P. Petit, die moesten dienen om er de spiegeltjes uit te snijden. Een van deze kijkers, van bescheiden afmetingen, werd in mei 1662 naar Parijs gestuurd aan maarschalk Grammont 81). Vader Constantijn had er een meegebracht die hij cadeau had gedaan — zoals hij ook deed met een uurwerk — aan Lodewijk XIV 82). We hebben al enkele woorden gezegd, op p. 522 hiervoor, over Constantijn aan het hof van de Zonnekoning.

  Het zij tussen haakjes gezegd, het voornaamste doel waarvoor vader Constantijn zich naar Parijs had begeven, was de onderhandelingen te vervolgen die betrekking hadden op de teruggave van het prinsdom Orange aan de jonge prins Willem; deze hadden pas succes na

[ 590 ] [ n ]

enige jaren, zodat hij pas in juni 1664 terugkeerde naar den Haag. Maar deze onderhandelingen vallen buiten het kader van de biografie van Christiaan zoals wij die opvatten.



  De uitvinding van het beroemde oculair van Huygens, we hebben het hierboven gezegd 83), dateert blijkbaar van 1662: op 5 oktober schrijft hij aan Lodewijk [<]: "wat betreft de oculairen: je ziet wel dat ik iets nieuws gevonden heb, dat die scherpte in de dagkijkers veroorzaakt, en eveneens in de langere, en het geeft ze tegelijk een grote opening". Zie over dit oculair ons T. XIII op de plaatsen aangegeven in de Tabel van behandelde onderwerpen. In de genoemde brief aan Lodewijk wordt verslag uitgebracht van experimenten om letters te bekijken uit de verte.
  Tegen het eind van 1665 begon Huygens te werken aan een kijker van 60 voet 84).



  Logaritmen konden in 1662 door Huygens gebruikt worden in een deel van de berekeningen met betrekking tot kringen en bijzonnen, die we bij elkaar gebracht hebben in Aanhangsel X bij de genoemde verhandeling 85). Een gedeelte van de berekeningen 86) is overigens van voor 1662.



  Een andere toepassing van logaritmen. Zodra hij in juli 1662 overtuigd was geraakt van de juistheid van de wet van Boyle — eerst had hij er aan getwijfeld 87) — begreep hij de mogelijkheid uit deze wet af te leiden wat hij noemt de hoogte van de atmosfeer, d.w.z. de wet volgens welke de dichtheid moet afnemen naarmate men hoger komt 88). Overeenkomstig zijn gewoonte publiceerde hij deze berekening niet, zich ertoe beperkend enkele getalsmatige uitkomsten te laten weten aan zijn vrienden 89).

  Ziedaar de wiskundige natuurkunde. Men ziet dat het volgens Huygens — hoe

[ 591 ] [ n ]

overtuigd hij ook is van de realiteit van atomen — mogelijk is door berekening waardevolle uitkomsten te verkrijgen over bepaalde meetbare grootheden, zonder beschouwing van deeltjes, zelfs wanneer het niet gaat over vaste of vloeibare lichamen, waarbij deze waarheid duidelijk is, maar over lucht.

  Hij probeerde echter de wet van Boyle min of meer te begrijpen door zich zoals hij 90) voor te stellen dat lucht bestaat "uit lichamelijke deeltjes die elkaar wederzijds raken" waaruit een "veerkracht" 91) ontstaat. Dit beeld komt niet overeen met wat Descartes zei in de passage van de "Principia philosophiae" {...}: "dat lucht niets anders moet zijn, dan een menigte deeltjes van het derde element, die zo fijn zijn, en van elkaar gescheiden [cursivering van ons], dat ze zich schikken naar alle mogelijke bewegingen van de hemelse bolletjes". Het komt ook niet overeen met een passage in het "Traité de la lumière" van 1690 92) volgens welke de "doordringbaarheid [van de lucht] die hij houdt ondanks zijn toestand van samengepersing, schijnt te bewijzen dat hij gemaakt is van deeltjes die zweven en die zeer snel heen en weer worden bewogen in de etherische materie, samengesteld uit nog veel kleinere deeltjes" wat min of meer de cartesiaanse opvatting is. Ook in 1668 zei hij 93) dat dankzij de "opschudding" veroorzaakt door de subtiele materie— de subtiele materie van 1667, p. 553 van T. XIX — de deeltjes van de lucht "heen en weer vliegen".
We stellen hier vast dat dit in 1662 niet de mening van Huygens was. De proef met de bijna luchtledige blaas die opzwelt in het luchtledige, een uitvinding van Roberval 94) door Mersenne 95) aan Huygens voorgelegd, was in 1648 door hem eenvoudig verklaard met het feit dat "de lucht die in de blaas gebleven is .. gedwongen wordt uit te zetten om gelijkelijk verdeeld te worden over de hele lege ruimte, zoveel als mogelijk is". Men zou zeggen dat hij in zijn jeugd — ofschoon men had kunnen veronderstellen dat hij in 1648 geheel onder de invloed van Descartes stond — niet denkt aan een spontane beweging van de luchtdeeltjes (hoewel hij al in 1648 zijn onafhankelijkheid van Descartes toont door over het luchtledige te spreken). Zoals we hebben gezien stelt hij zich in 1662 tevreden met de opvatting — de werkhypothese, om zo te zeggen — van opeengestapelde elastische deeltjes; men kan zich deze elastische deeltjes voorstellen als "in elkaar gewrongen veren" 96).


[ 592 ] [ n ]

  Een dag voor deze toepassing [van logaritmen, op de hoogte van de atmosfeer], op 15 [16] juli 1662, had Huygens opnieuw de verbanden tussen logaritmen en de hyperbool 97) beschouwd: hij had met logaritmen de benaderde kwadratuur van een willekeurig hyperbolisch vlak verkregen, evenals de benaderde rectificatie van een willekeurige paraboolboog die ervan afhangt.



balk, verdeling in stukken     In september 1662 schreef Huygens het opmerkelijke stuk over het breken van een balk die op twee plaatsen wordt ondersteund: hij weidt er stoutmoedig uit, en met succes, over het principe dat het zwaartepunt zoveel mogelijk daalt, in het geval waarin de balk breekt 98). Zie over dit onderwerp het betreffende Voorbericht 99), waarin we nog meer hebben uitgeweid over een andere bijzonderheid van dit stuk, te weten de moderne opvatting van "moment" als product van een gewicht en een afstand, en algemener over de stijlvorming van de klassieke mechanica. Recent heeft dit Voorbericht nog aanleiding gegeven tot een artikel in het tijdschrift "Faraday" 100).



  De briefwisseling met de Sluse en anderen gaf in dit zelfde jaar aanleiding tot enige andere meetkundige beschouwingen die men kan zien in T. XIV. Er is sprake van (behalve de regelmatige zevenhoek) constructies van raaklijnen aan bepaalde krommen. Enkele van de methoden van kunnen merkwaardig worden genoemd 101). Weldra vond hij daarna een algemene methode, waarmee de raaklijn aan een kromme met gegeven vergelijking voor elk punt bepaald wordt door berekening van de lengte van de subtangens; het gaat hier — anders dan in het geval van de logaritmische kromme (waarvan de subtangens constant was bevonden) — om "meetkundige krommen" of, zoals wij zouden zeggen, algebraïsche, d.w.z. krommen voorgesteld door vergelijkingen die slechts gehele machten van de twee coördinaten (x en y) bevatten. Hij slaagde erin z (de subtangens) uit te drukken als functie van x en y. Het is deze methode die Huygens uiteenzet in zijn stuk van februari 1663 aan Joh. de Witt 102). Als hij gewild zou hebben, had hij er kunnen "spreken van Fermat, van Hudde en van Slusius 103)".

[ 593 ] [ n ]

  Tenslotte wijzen we op het antwoord, van december 1662, op een kritiek van Hobbes die werd gelezen en goedgekeurd bij de Royal Society 104).



  Hier volgt de brief aan "Brus" waarvan sprake was op p. 580.


CHR. HUYGENS aan A. BRUCE.

Deze brief is het antwoord op die van Bruce van 12 januari 1663 (T. IV, Nr. 1090).
[ Antwoord van Bruce (26 januari, in het Engels): T. IV, p. 301.]

Den Haag. 19 Januari 1663.

      Mijnheer,

  Ik was bezorgd over wat er van u was geworden aangezien men zelfs bij meneer van Somersdijk geen nieuws van u had ontvangen, maar tenslotte heeft de brief waarmee u mij hebt vereerd me verheugd door me te berichten dat u voorspoedig in Londen bent aangekomen. Ik betuig u dank voor het verhaal dat u bereid was mij te doen betreffende wat er gebeurd is met de uurwerken, dat voldoende toont dat onze uitvinding niet gemaakt is voor kleine barken zoals de pakketboten, maar voor de grote schepen, zoals die welke lange reizen maken. En omdat ik weet dat de beweging van de laatste veel langzamer is en minder ruw dan die van de andere, maak ik me niet bezorgd over de de ongunstige afloop die u hebt gehad, en ik verlies daarom ook niets van het goede gevoelen dat ik heb over die van onze zaak. Ik geef toe dat de ongeregeldheid waarin u zich bevond groot was, met uzelf ziek, een van de uurwerken op de grond gevallen, en het andere zonder beweging, maar behalve dit laatste punt was de rest toevallig, en zelfs dat andere moet ons niet verbazen, gezien het buitengewone schommelen waarin u zegt te zijn geweest. Wanneer mijn uurwerk gemaakt is zal ik niet nalaten u bericht te geven van wat het kan doen, maar ik zal niet veel tijd hebben om het te testen, omdat ik haast zal hebben om naar Parijs te gaan. Ik geloof dat het echter goed zal zijn alvorens te vertrekken een verzoekschrift aan de Heren Staten aan te bieden, dat ik, als u het goed vindt, zal opstellen uit ons beider naam.

  Ik ben wel blij dat mijn repliek tegen meneer Hobbes de illustere vergadering niet heeft mishaagd, en zal het nog meer zijn als het de arme man van zijn ziekte kan genezen. Verder, meneer, hebt u geen aanleiding mijn gezelschap te missen, aangezien u

[ 594 ] [ n ]

dat van zoveel waardiger personen geniet. Maar ik kan met reden dat van de minste van hen wensen, zoals u weet heb ik hier niemand om mee te praten wanneer u er niet bent. In de verwachting dat ik de eer heb u hier weer te zien verzoek ik u die van uw goedgunstigheid voor mij voort te zetten en te geloven dat ik ben

Mijnheer
Uw ootmoedige en gehoorzame dienaar
Chr. Hugens de Zulichem.


    Aan Mijnheer
Mijnheer Ridder Moray te Londen.
Wonend in Whitehall aan de kant van de tuin.
  Om te doen toekomen aan Mijnheer Bruce.




  We geloven de activiteit van Huygens tijdens de 22 maanden van zijn ononderbroken verblijf in den Haag of tenminste in Holland 105) voldoende te hebben samengevat. Hij vertrok in maart 1663 om naar zijn vader in Parijs te gaan, daarbij Lodewijk vervangend die pas in den Haag was teruggekomen.

  Gedurende deze tijd had hij nog meer willen reizen: hij beklaagt zich — om een wat sterke uitdrukking te gebruiken — "teveel vrienden en verwanten" te hebben "om nuttig gebruik te kunnen maken van de tijd zoals ik zou wensen" 106).



  Op 15 februari 1663 toonde vader Constantijn zich al overtuigd van het slagen van de lengtebepaling met slingers: hij schreef:

Christiano filio definiendae longitudinis inventum gratulor pater.
Ergo quod errarunt tot saecula, corrigit ista
Machina, quae aeternum spondet tibi Pendula nomen?
Macte, meus sanguis, tanti te laude coronas,
Quanti erit hoc, digito monstrari et dicier, Heic es.

[ Oftewel:  De vader feliciteert zoon Christiaan met de uitvinding van de lengtebepaling.
Dus waarin zoveel eeuwen hebben gedwaald, corrigeert dit toestel, de slinger, die jou een eeuwige naam belooft?
Bravo, mijn bloed, je omkranst je met zoveel lof, als dit zal zijn: dat met de vinger gewezen wordt en gezegd: Hier ben je.]

Men zal opmerken dat de laatste regel bijna identiek is met die van een gedichtje uit 1635 dat we hebben gepubliceerd op p. 450 hiervoor. De auteur voegt zo de naam van zijn zoon bij die van Galileï.



[ 595 ] [ n ]

§ 2.   PARIJS  en  LONDEN  april 1663 - juni 1664.


  De brieven die tussen de broers zijn gewisseld tijdens het verblijf van april 1663 - juni 1663 van Christiaan in Parijs 1 ) laten zien, zoals steeds, dat het niet uitsluitend over wetenschappelijke onderwerpen was dat ze converseerden.

  We zien er — om ons tot deze onderwerpen te beperken — broer Constantijn zeer geïnteresseerd in kijkers, wat duidelijk toont dat ook hij in den Haag er voortdurend aan heeft gewerkt. "Ik hunker er zeer naar iets te horen over hoe je die grote kijkers vindt, bewerkt in die grote slijpplaten van Petit en d'Espaignet" 2). Het lijkt zelfs waarschijnlijk dat Constantijn, die blijkbaar niet over theoretische vragen nadacht ook al had hij er belangstelling voor, meer tijd had gewijd aan het praktische werk, en in het algemeen wijdde hij er meer tijd aan dan Christiaan. Deze berichtte dat men in Parijs, evenals hij gedaan had in den Haag, met kijkers letters bekeek op grote afstand, vastgemaakt aan een klokkentoren. De eerste keer 3) leek hem een glas van Auzout minder goed dan het zijne, een andere keer zegt hij dat de kijker van Auzout minstens even goed was en de glazen van d'Espagnet zeer uitstekend 4 ). Hij vindt de Parijse kijkerbouwers echter "minder ver gevorderd met hun grote plannen van kijkers van 80 en 100 voet" dan hij gedacht had 5). Hij had zelf bijna elke dag mensen die kwamen kijken naar de meegebrachte telescopen en microscopen 6 ). Het lijkt waarschijnlijk dat hij aan verschillende toeschouwers de ring van Saturnus heeft laten zien die goed zichtbaar was in die maand 7 ).

  Zodra hij in Parijs kwam, brachten de Montmor en Sorbière hem een bezoek om hem te verzoeken opnieuw op de bijeenkomsten te komen, o.a. om er "de nieuwe wetten en ordonnanties te horen" 8 ).


  Christiaan verliet Parijs tegelijkertijd met zijn vader. Blijkbaar is een gedeelte van zijn dagboek niet bewaard gebleven, aangezien de bladzijden die we bezitten en die slechts betrekking hebben op Engeland de titel dragen "Du Voiage de Paris et de Londres". {...}


[ Het dagboek is geschreven in het Nederlands, hier gemoderniseerd.]

[ Op 25 sept. 1663 was Christiaan in Calais, zie de albuminscriptie voor Cornelis de Glarges: "Novit paucos secura quies", onbekommerde rust kent weinigen; uit Seneca, Hercules Furens, r. 175: "Known to but few is untroubled calm".]

[ 596 ] [ n ]

DAGBOEK:   LONDEN  1663.


  Aangekomen te Londen op 10 Juni 1663.
  Gegeten met vader bij de Lord Chamberlain * ). Naar de Duc d'Albemarle 1 ). Naar de Lord Mayor ° ), die een van de Gilden onhaalde. Bij de Sheriffs nadat wij het rechtspreken bij de King's Bench hadden gezien 2 ).

  Naar Lord Devonshire 3 ). Naar Lady Devonshire te Rohampton 4 ) met M. Swan 5 ) en zijn vrouw. Te Beddington naar Mr. Raleigh, die een fraaie dochter had. Naar Mrs. Ferijn en Boreel 6 ) 2 maal, en eenmaal alleen. Bij Mr. Treasurer. Naar Mr. Lely  7 ) de schilder eenmaal, 3 maal alleen. Naar Sir Henry de Vicq 8 ). Naar Sir Edw. Brett 9 ) met Lady Griffin 10) 2 maal. Naar Mil. Craven  11) 2 maal, de laatste op de dag dat wij vertrokken. Naar Mil. Barclay 12).

  Ik naar Mr. Brereton 13) 2 maal, in Gravesend met een deel van de Royal Society op hun feest van de Readings 14). Naar Lady Needham 15) te Lambeth 3 maal. Uitnodiging van Lady Strickland 16) te Chelsea en van Mr. Palmer 17), kon niet komen.

[ 598 ] [ n ]

  Bal in Whitehall gezien 18), plaats aangewezen door Sir Edw. Brett. Met hem mee geweest om Hamptoncourt en Windsor te zien. Te Windsor ontbeten by doctor Flud, een zeer wellevend man en een milde Chimist. Mooi uitzicht op het terras te Windsor. Bij terugkeer gezien Sion een fraai huis van de Graaf van Northumberland 19), met lood gedekt waarop men wandelt. Voorraad cederhout, uit de Bermuda's. Ook nog het huis van de Graaf van Holland 20).

  In Gresham College een hond de milt uit zien snijden, die in 8 dagen weer genezen was en geheel in orde, door dr. Charleton  21).

  Verscheidene insekten door een vergrootglas getekend door Mr. Hooke 22). Bollen van dik ijzer met buskruit daarin en dan dichtgeschroefd en in 't vuur gelegd zien springen; waren wat minder dan een kaatsbal groot, 2 rijksdaalders dik. Aurum fulminans * ), daarin gedaan, wilde niet aangaan, tot 2 maal toe geprobeerd, doch het had zich rondom van binnen tegen 't ijzer gezet. Een die met water gevuld was ging ook niet aan, maar ik weet niet of de schroef dicht genoeg was, en 't vuur heet genoeg 23).

  Mijn experiment van 't gezuiverd water in 't vacuum heb ik daar 2 a 3 maal goed zien lukken, waarbij in een pijp van 7 voet hoog het water bleef staan zonder neer te dalen. Mil. Brouncker en Mr. Boyle en vele anderen waren erbij aanwezig 24).

  Hun machine staat omgekeerd ten opzichte van de mijne, en geheel onder water; de kraan heeft een lang ijzer dat bovenaan uitkomt, om open en dicht te draaien, en het luchtgaatje is in de zuiger, waar een stokje in steekt dat met de zuiger op en neer gaat.  M. Sorbière  25), en abbé de Beaufort 26) daar gezien. Kregen daarna een vergulde plak van de koning van 600 gl. die voor de President gedragen werd en gelegd op een violet damasten kussen. Ook een wapen voor de Society.
handtekening Chr. Huygens
Handtekening in 'Charter Book'
(Signatures ... Fellows, 1e blz
1e kolom, 6e van onder)
 
Uit: B. Bryson (ed.), Seeing further, R.S. 2010  
 

  Lieten mij intekenen in het Society-boek 27).

  Mijn experiment beproefd met een glazen pijp onderaan omgebogen, dus * ) met een zuiger in 't omgebogen open eind; zo een laten maken.

  Mistress Ferijn 28) getekend en profil, meegenomen om een betere na te maken. Bij Mis Mary (Tharenton) gevonden Mr. Tolder, een van de mensen van Hannibal Sehested  29), liet mij Mr. Pinel horen op de luit. Mis Romi.

[ 600 ] [ n ]

  Naar Lely, een kopie gemaakt van Mis Middleton 30), daarna naar haarzelf verbeterd; 2 maal naar Brereton; eenmaal te Lambeth, de 8e September zaterdag [N.S.], bleef daar eten.

  tekens 31)
Ging op weg met vader en Boreel om de ceremonie [31 aug. O.S.] van de bisschop van Canterbury te zien; ging naar Miss Middleton, begon haar profiel daar; haar broer had Crommon 32) te Antwerpen gekend. 's Namiddags kwam M. Evelyn  33), daarna vader met Boreel. Ik bleef tot s'avonds. Donderdag 13 Sept. haar geschreven. 14 Vrijd. voortgetekend, gegeten bij Brett. 15 Zat. weer getekend; daar gegeten, adieu gezegd, "Wil Mr. H. kome again and you wil be very welcom, you doe understand that doe not you?" 34)

  De Tower gezien, oude wapens. Leeuwen; the treasure. De Munt, uitvinding om de munten plat te maken, veel tegelijk. Een andere om elk op zijn gewicht te vijlen.

  Mr. Laniers 35) tekeningen gezien, veel van Raphael.

  Calthof 36) bezocht, waar de uitvinding stond van Mil. of Woodster 37) die mislukte. Op de houten toren van 't waterwerk geweest, gaat met blaasbalg-pompen, een uitvinding van Mr. Toogood 38). Heeft een nieuwe van tapijten te schilderen.

  Mr. Brereton ging aan zichzelf beproeven het recept van 't ens primum * ), om nieuw haar, tanden en nagels te hebben.

  Mrs. Warwick 39) op de luit gehoord met Dufault  40), speelde excellent goed; haar zuster schilderde, Lady Frethwel is haar moeder.

  Kabinet van de koning gezien, daarin fraaie miniaturen van Olivier 41) naar Italianen. Mr. Chiffins 42) toonde ons het hoofd van Cromwell, dat op 't leven was afgegoten, en glazen ogen ingezet en geschilderd.

[ 602 ] [ n ]

  Hieronimo Senti bezocht, eiste 60 pond st. voor een klavecimbel dat 2 halve toonen gesneden zou hebben 43), en met het uittrekken van 't klavier een toon hoger gaan; zoals hij voor de koning gemaakt had; alle snaren van koper.

  Mr. Reeves 44) had een buis van 60 voet doen maken; maar zijn glas daarvoor was niet goed.

  Mad.le le Fevre in S. James park bezocht. Vogels aan d'ene zijde van 't park. Mr. May 45).

Bartholomew fair gezien. Zijden kousen weven [<]; het Paradijs; Charterhouse.

  Jonge Duke of York zien dopen, in de kapel in S. James.

  Met de koning in zijn sloep te Woolwich geweest * ), waar hij mij zijn nieuwe schip en jacht, en scheepstekeningen toonde. Duke of Monmouth 46). Sir Robert Moray. Mil. Barclay. Mil. Crafts 47). Duke of York toonde mij de lijst van al de koningsschepen, die hij in een boekje bij zich droeg.

  The queen's apartment; buiging gemaakt voor hare majesteit; voor de duchess of York 48), zwanger.

  Prins Rupert 49) bezocht en zijn draaibank gezien. Toonde mij zijn methode van graveren.

  In een coffee house geweest met Boreel.

  De komedies van de French Lawyer en the Englisch Mounsieur ° ) gezien.

  Mil. Killigrew  50) aan 't hof gezien.


[ 604 ] [ n ]

  Huygens heeft al in Londen 51) kunnen vernemen dat zijn naam voorkwam op de lijst van gratificaties die Lodewijk XIV, geïnspireerd door Colbert, had besloten te verlenen aan een groot aantal personen van verdienste, onder wie enkele Nederlanders, o.a. zijn vriend de taalkundige Heinsius 52). Terug in Parijs, waar hij aankwam op 1 oktober 1663, ontving hij weldra 400 van de 1200 écus die voor hem waren bestemd. Al in deze tijd — we hebben het gezegd voor het jaar 1666 op p. 15 hiervoor — had de Republiek van de Verenigde Nederlanden een goede verstandhouding met Frankrijk.

zuiger van luchtpomp
  Tijdens de 8 maanden die hij in de Franse hoofdstad doorbracht, steeds in gezelschap van zijn vader, woonde hij regelmatig de zittingen bij de Montmor bij, waar men in november experimenten met het luchtledige begon te doen met het toestel dat deze had laten maken volgens zijn verordening 53). We hebben erover gehandeld op p. 191-192 van T. XIX * ). In het algemeen was er elke week een zitting 54). Men sprak er o.a. over het verschijnsel van Huygens 55). Het was misschien bij de Montmor dat hij een der gebroeders (Claude?) Perrault leerde kennen, bij wie hij in oktober te Viry logeerde 56). In november was hij aanwezig bij een waarneming met de telescoop zonder buis van Auzout 57).
sjees Op p. 203 hiervoor hebben we melding gemaakt van zijn belangstelling in deze tijd voor de Parijse wagenmakerij; hij nam zelf de proef van de nieuwe en uitstekende koetsjes [chaises], ook genoemd "machines pour la Poste", uitgevonden door de hertog van Roannez  58).

  Klein detail: hij leerde toen pennen van glas kennen; tot die tijd had hij zich bij het schrijven bediend van vogelveren 59).


1664

  In deze tijd zette Bruce zijn experimenten voort — Huygens zegt hem in Londen deze keer niet te hebben ontmoet. Met de uurwerken werd een proef op de grote vaart gehouden, te weten een reis naar Lissabon van april tot september [1663] 60).

  We bezitten een brief van 9 januari 1664 van Huygens aan Bruce; het is een antwoord op een brief die we niet kennen. Vervolgens schreef Huygens op 1 februari 1664

[ 605 ] [ n ]

aan Joh. de Witt de brief die men vindt op p. 80 van dit deel: hij verklaart erin te vrezen dat Bruce tijdens zijn afwezigheid een verzoek aan de Staten richt om, voor hem alleen, een privilege voor scheepsuurwerken te verkrijgen. Hij zegt dat hij het succes ervan heeft vernomen — zie de brief van 11 november 1663 aan Moray — en dat hij zich erover verbaast geen antwoord ontvangen te hebben van de graaf van Kincardin [Bruce] op wat hij hem had voorgesteld over de privileges. Al op 9 december 1661 ['63] 61) had hij aan Moray geschreven met ongeduld een antwoord van Bruce te verwachten op zijn vraag over "zijn redenen — die van Bruce — waarom hij zou wensen dat de privileges gevraagd zouden worden uit naam van de Royal Society" en van mening te zijn dat het althans voor Holland beter zou zijn dat hij het privilege uit eigen naam zou vragen of gezamenlijk met Bruce. Maar hij had geen nauwkeurig antwoord op deze vraag ontvangen. Het verbaast dus niet dat hij zich tot de Witt wendde. * )

  Weinige dagen later 62) schreef Bruce hem een vrij lange brief; we hebben hem uit dezelfde bron als die van p. 593; ziehier deze brief:


A. BRUCE aan CHR. HUYGENS  63)

Culros Janr 29th — 64  

    Mijn goede vriend

  Mij dunkt dat ik heel wat meer redenen heb verbaasd te zijn over wat u aan mij schrijft, dan u had om vreemd over mijn laatste brief aan u te denken; want ik verwonder me er ten zeerste over, te bevinden dat u termen van overeenstemming noemt, terwijl ik er heel zeker van ben dat we helemaal geen overeenkomst hebben gesloten. Want het enige waarover we ooit gesproken hebben, betrof alleen uw eigen land, zoals u zich wel kunt herinneren, want ik ben er zeker van dat ik het me heel goed herinner; en wat dat betrof, mijn achting voor u was zodanig dat ik bereid was het patent op uw naam alleen te laten zetten, of op ons beider naam samen; maar wat andere plaatsen betrof: daarover hebben we het niet gehad. En daarom, nu ik bericht gekregen heb over het succes van die proef die met mijn uurwerken op zee gedaan is, zou ik geen stap willen zetten in het aanspraak maken op de voordelen die uit de uitvinding kunnen voorvloeien zonder eerst u in kennis te stellen. En ik dacht dat de wijze waarop ik dit deed voldoende oprecht was: dat ik, na u gezegd te hebben welke argumenten volgens mij in mijn voordeel waren, toevoegde dat ik er toch tevreden mee zou zijn als de verschillen tussen ons beslist zouden worden door wijze personen. En zo dacht ik elke verdere twist te hebben afgesneden; maar het schijnt dat u niet tevreden bent met die wijze, daar u zo uitweidt over de twist erover, aan het eind bewerend dat elk redelijk mens het met u eens zal zijn, wat mij dwingt iets hierover te zeggen,

[ 606 ] [ n ]

hoewel ik had besloten in deze zaak niet meer te redetwisten. En ten eerste zal ik u eraan herinneren dat we bij mijn eerste aankomst in den Haag — na de proef die ik had gedaan tussen Schotland en [den Haag] * ) met mijn uurwerk, toen u zo vriendelijk was mij op mijn kamer te bezoeken — op het onderwerp kwamen van de gang van slingeruurwerken op zee; en dat u mij toen stellig zei dat het naar uw mening onmogelijk was, dat u er experimenten mee had gedaan, en de uitkomsten ervan waren samengevat in die mening van u; evenzo voerde u redenen aan voor de onmogelijkheid ervan. Later kwam ik dat uurwerk bekijken waarmee u uw experiment had gedaan; en ik geloof dat u zult erkennen dat het alleszins zozeer verschillend was van het mijne, dat het niet is alsof ze ooit naast elkaar gestaan hebben. En veeleer denk ik dit, dat ik u in Londen 18 maanden voor die tijd hetzelfde uurwerk liet zien dat daarna heel kleine wijzigingen onderging; en als u die manier een kans van slagen gegeven had, zou u op grond van dat bekijken er een hebben kunnen laten maken voor uw experiment. En nu, nadat u zelf alle hoop had opgegeven, en zelfs ook van deze manier, die u gezien hebt voordat u de hoop opgaf, nu ik een proef ermee doe en vind dat het aan mijn verwachtingen voldoet voorzover de ongeregeldheid waarin het uurwerk toen was kon toestaan; en dan uit vriendschap de ontdekking ervan toevertrouw aan u, hoewel ik beken dat het niet onder enige verplichting was, daar ik het beneden de vriendschap die u toedroeg vond om iets van u te eisen, dat u nu, zeg ik, meer aanspraak wilt maken op die uitvinding dan ik zou willen toestaan, dat vind ik heel vreemd.
Niemand kan ontkennen dat de eerste toepassing van een slinger op een uurwerk de uwe is; maar ik denk dat u evenmin kunt ontkennen dat zonder deze toevoeging van mij (hoe weinig subtiel ze ook is) dit op zee niet van nut had kunnen zijn. En ook al vind ik deze inderdaad helemaal niet subtiel, ik ben er toch zeker van dat het mijn uitvinding is, en het zijn niet altijd de meest subtiele uitvindingen die het nuttigst zijn. Want werkelijk, ik zie de toepassing van de slinger op een uurwerk helemaal niet als subtiel, want ik weet zeker dat ik menigeen ken die, als het maar in zijn gedachten gekomen was de ene op het andere toe te passen, het gemakkelijk en vlug gedaan zou hebben; en toch vind ik het een uitstekende uitvinding en heel nuttig. En over het geheel weet ik zeker dat elk redelijk mens zal oordelen dat niemand anders aanspraak zou moeten maken op de voordelen van deze uitvinding, dan degene die haar tot het gewenste einde heeft gebracht, daar alle vorige uitvindingen die erin gebruikt worden al gepubliceerd zijn, omdat hij heeft laten zien hoe het precies was. En daarom zal ik nu eindigen om u aan uw verdere gedachten over te laten, en wachten op kennis daarvan; want het zal zeer tegen mijn zin zijn een verschil te hebben met iemand voor wie ik een zo grote vriendelijkheid heb, in het bijzonder in een zo lege twist als deze misschien nog kan blijken te zijn ondanks het feit dat het er nu nog mooi uitziet.

  Aan de Heer
De Heer Cristian Hugens
  Van Zulichem
      te Parijs.
Ik ben
Mijn goede vriend
Uw meest toegewijde vriend
    en dienaar
      A. Kincardin.    

[ 607 ] [ n ]

  Dit antwoord werd niet door Huygens ontvangen: zoals men hierboven heeft gezien correspondeerden de twee uitvinders met bemiddeling van Moray. Moray nu wilde niet dat de woordenwisseling zou verbitteren, en hield deze brief voor zich 64). Het lijkt ons niet nuttig samen te vatten wat men nog over dit onderwerp kan vinden in onze delen, temeer daar we alle passages die erop betrekking hebben al aangegeven hebben in noot 6 van p. 177 van T. XVII, er aan toevoegend dat volgens een aan ons gerichte brief 65) van J. Drummond Robertson, schrijver van het boek "The Evolution of Clockwork" van 1931 66), de zaken zodanig werden geregeld dat Bruce 25% van de winst ontving, Huygens eveneens 25% en de Royal Society 50%. Zo verdeelde men de huid van de beer 67).

  De bewaard gebleven brieven in de "Kincardine papers" die gewisseld werden tussen Moray en Bruce over dit onderwerp staan niet in onze delen.

  Het is zeer goed te begrijpen dat dit voor de pas opgerichte Royal Society een kwestie van prestige was, temeer 68) daar de bepaling van de lengte op zee niet alleen noodzakelijk was voor handelsschepen maar ook voor oorlogsschepen. Anderzijds is het te begrijpen dat Huygens, eveneens bezield door vaderlandslievende gevoelens, een middel ging zoeken om niettemin, voor Holland, een privilege voor hem alleen te krijgen. Als hij het niet had gedaan, zou hij "heel onnozel" geweest zijn in de ogen van zijn vader 69).

  In 1673 zond Huygens zijn "Horologium oscillatorium" aan Bruce, maar er was naar het lijkt geen sprake meer van briefwisseling of vriendschap.



  Aangezien we juist aangehaald hebben "The Evolution of Clockwork" waarvan de schrijver gebruik heeft kunnen maken van wat ons T. XVII over uurwerken bevat, en we hierboven 70) al aangehaald hebben de recente biografie van Huygens door A. E. Bell, geloven we nog te moeten noemen het boek in 1946 verschenen in Zwitserland "Les savants du XVIIe siècle et la mesure du temps" 71) van L. Defossez: men begrijpt dat de persoon van Huygens en zijn

[ 608 ] [ n ]

verschillende uurwerken daarin eveneens een grote rol spelen, zoals ook zijn relaties met andere geleerden en bouwers.



  Toen Huygens tegen het einde van 1656 het idee bedacht de slinger toe te passen als regelaar bij uurwerken met tandwielen, dacht hij nauwelijks 72) aan het voordeel dat hij ermee zou kunnen behalen. In 1663, en al voor die tijd, was het anders gesteld: al etende krijgt men trek. Bedacht moet ook worden dat de drie broers nog altijd hun jaarlijkse toelagen van hun vader kregen: er is in deze tijd verscheidene malen sprake van in de briefwisseling van Christiaan met Constantijn die in den Haag was gebleven 73); en dat het dus heel natuurlijk is dat Christiaan er wel de voorkeur aan gegeven zou hebben op dit punt minder afhankelijk te zijn van zijn vader.

  We merken nog op dat Huygens in deze tijd in relatie kwam met de Parijse uurwerkmaker Isaäc Thuret die zijn vader al in april 1662 had geroemd 74) toen Christiaan in den Haag was. Christiaan noemt hem tenminste in drie brieven aan Lodewijk van april en van mei 1664.



  In juni 1664 75) zien we Huygens aan Moray zenden het "Traité de l'équilibre des liqueurs et de la pesanteur de la masse de l'air" van 1662 [1663] van wijlen Blaise Pascal, dat blijkbaar te laat verscheen om nog een grote indruk op hem te kunnen maken.



  Waren er in deze tijd vrij nauwe betrekkingen tussen de Royal Society en de Académie-Montmor? Het antwoord moet wel ontkennend zijn: men keurde in Parijs de aanwezigheid van Sorbière op een bepaalde bijeenkomst van de Royal Society af door te zeggen, hoewel het feit werd ontkend door Oldenburg 76), dat Sorbière zich gedragen zou hebben als een min of meer officiële afgevaardigde van de Académie die "a nearer correspondence" trachtte tot stand te brengen. Op 12 juni, kort voor zijn vertrek naar Holland, moest Christiaan zelfs aan Moray schrijven dat "de Academie bij meneer de Montmor voor altijd beëindigd is" hoewel "het schijnt dat uit de overblijfselen ervan weer een andere zou kunnen opkomen".


[ 609 ] [ n ]

  Vader Constantijn had wel gewild dat zijn zoon hem opnieuw naar Engeland zou vergezellen, maar deze keer meende Christiaan te moeten terugkeren naar den Haag; hij kreeg toestemming ervoor in mei. In deze zelfde maand had de vader de gelegenheid hem voor te stellen aan Lodewijk XIV — hij was overigens al op 22 december 1660 op audiëntie bij de koning geweest — die hem "enige zeer hoffelijke woorden" zei 77). Kort daarna vertrokken ze samen. Aangekomen in Engeland 78) maakte vader Constantijn, trouw aan zijn gewoonte, onderweg verzen. Het was een gedicht in het Latijn, gericht aan Christiaan 79): hij noemt hem eerst

Dure puer
Echter . . . Scio quam te iusta vocarit
Caussa domum. . . .

[ Hardvochtige jongen ... Ik weet welke rechtmatige zaak je naar huis heeft geroepen.]

  Wat hem zelf betreft, hij vergelijkt zichzelf met Odysseus, over de wereld dwalend. Maar hij hoopt weldra terug te komen en Penelope weer te zien: zijn Penelope was zijn familie en het vaderland.



[ 610 ] [ n ]

§ 3.   DEN  HAAG  juni 1664 - april 1666.


  Teruggekeerd in den Haag, waar zich dus de drie broers bevonden, had Huygens twee belangrijke taken in gedachten. Hij moest eerst scheepsuurwerken laten bouwen van een nieuwe vorm, beter dan de vorige, met het oog op het verkrijgen van een privilege. Ten tweede moest hij een berekeningsmethode uitbreiden tot slingerende lichamen van verschillende vorm: de methode die al het middelpunt van slingering had geleverd voor rechtlijnige staven beladen met b.v. twee puntvormige gewichten; dit eerst voor slingers van uurwerken, maar ook met het oog op de bepaling van de universele maat met de lengte van de secondeslinger: in 1661 was er in Engeland 2) al sprake geweest van deze bepaling. In de derde plaats moest hij de instructie voor zeelieden schrijven, zoals hij zich al had voorgesteld in 1662 of 1663 3 ).

  Ondanks het belang van deze onderwerpen kan onze samenvatting in deze biografie maar kort zijn, gelet op de Voorberichten in de voorgaande delen.

uurwerk met remontoir
Fig. 73
 
  Het nieuwe scheepsuurwerk, gebouwd in den Haag door Oosterwijck, was een remontoir [uurwerk met opwind­mechanisme]. Het eerste exemplaar was al gereed in augustus 1664 4), het tweede in november. Huygens had er een toespeling op gemaakt, misschien voor de eerste keer, in een brief aan Moray van december 1663 5 ). In zijn brief aan de Witt van 1 februari 1664 * ) zegt hij eveneens, zonder verder uitleg, dat hij kort geleden een nieuwe vorm voor het uurwerk had bedacht. Het is dus mogelijk dat de vier tekeningen van remontoirs van een apart blad van de "Chartae mechanicae" die we hebben gereproduceerd op p. 171 van T. XVII al dateren van Parijs: te zien is dat deze remontoirs zijn voorzien van koorden en niet van kettingen. De mogelijkheid om deze koorden te vervangen door kettingen wordt echter aangegeven met kleine figuurtjes naast de hoofdfiguren; we hebben er maar twee van gereproduceerd; in het origineel zijn de kleine figuurtjes talrijker. Het remontoir van augustus werd bekritiseerd door Huygens: zie p. 173 van T. XVII over de aan te brengen veranderingen. Zie o.a over de kwestie van de kettingen onze noot bij no. 7, over de ophanging aan twee bollen in plaats van één — ophanging van Bruce — no. 12. In november, na de bouw van het verbeterde remontoir, diende Huygens zijn verzoek in bij de Staten-Generaal die hem op 5 december het gevraagde octrooi of privilege verleenden 6 ).

  Fig. 72 op p. 178 van T. XVII is een ruwe voorstelling van dit remontoir volgens een blad geplakt in Manuscript B; de datum is dus onzeker; het zou hier ook kunnen gaan

[ 611 ] [ n ]

om een project daterend van Parijs, wat ons echter niet waarschijnlijk lijkt aangezien men er een ketting ziet en niet een koord.

  Hoe het ook zij, de welgemaakte fig. 73 van Manuscript C stelt ongetwijfeld het remontoir van november 1664 voor — zie evenwel de tweede alinea van p. 181 van genoemd deel —, aangezien deze figuur dateert van eind 1664 of begin 1665. Men vindt de uitleg op p. 179-182 van T. XVII, waar we bovendien de geschiedenis verhaald hebben van remontoirs aangedreven door veren, die voorafgingen aan die met aandrijfgewichten; we zeiden er o.a. dat de eerste remontoirs met aandrijfveren — die echter geen frequente opwinding hadden — misschien die van S. Coster waren en dat Thuret ze eveneens had gemaakt.

  Het verschijnsel van sympathie van uurwerken 7 ) dat toevallig werd ontdekt, interessant voor wie zich bezighoudt met theoretische mechanica, was niet van praktisch belang 8 ).

  Wat het Engelse privilege betreft, dat werd verleend aan Abraham Hill, penningmeester van de Royal Society, het dateert van iets later, te weten van 3 maart 1665 9 ). Op dat moment hadden de scheepsuurwerken een tweede succes behaald; kapitein Holmes (die naar het lijkt ook de eerder genoemde reis naar Lissabon had gemaakt) was na een lange afwezigheid omtrent eind januari 1665 teruggekomen in Londen en had van de uurwerken een gunstig rapport uitgebracht 10).

titelblad
 
  Huygens maakt er melding van tegen het eind van zijn "Kort onderwijs aengaende het gebruyck der horologien tot het vinden der lenghten van Oost en West" dat hij in februari voltooide en liet drukken. Zijn vader liet niet na hem te schrijven, op 13 maart, dat hij deze instructie zeer netjes en duidelijk vond 11).

  Aan het eind van het genoemde "Kort onderwijs" noemt Huygens de nieuwe scheepsuurwerken, de remontoirs, die hij aanduidt met het woord "kettingwercken"; deze, doet hij verstaan, zouden Holmes in staat hebben gesteld tot een nog nauwkeuriger lengtebepaling 12).


[ 612 ] [ n ]

  Ondanks alles wilden de "Stuurlieden en zeelieden" 13) tot wie Huygens zich richtte niets weten van deze methode om de lengte te bepalen. En zij hadden gelijk. Wat men ook doet, op zee is de slinger niet te vertrouwen.



  De remontoirs hadden bovendien het nadeel dat ze heel duur waren. De prijs — 300 gulden — is al tweemaal genoemd in dit deel 14); de eerste maal door Spinoza aan wie Oldenburg had gevraagd wat men in Holland dacht van de nieuwe scheepsuurwerken. Spinoza kon er "niets zekers" op antwoorden; wat hij wist, was dat Oosterwijck ze in september 1665 nauwelijks meer produceerde aangezien hij ze niet kon verkopen. We kunnen niet beweren dat ze nooit op zee zijn getest; maar als ze er enig succes hadden gehad lijkt ons dat Huygens niet zou hebben nagelaten het in een van zijn brieven te zeggen. Het is niet de fout van Spinoza dat hij geen lof had voor deze uitvinding noch voor die van de toestellen voor het slijpen van lenzen. Om onpartijdig te zijn voegen we terloops eraan toe dat ons niets resteert van de microscopen of telescopen die Spinoza samenstelde, waaruit wel opgemaakt moet worden dat het onmogelijk is te beweren dat dat deze instrumenten voor hun tijd van de hoogste kwaliteit zijn geweest. Wat zeker is — we hebben het al gezegd op p. 12 — is dat zowel Constantijn als Christiaan Spinoza zeer serieus namen; zie b.v. de passage van p. 158 van T. VI waar Christiaan het heeft over "zijn zeer uitstekende kleine lensjes".

  Huygens verkreeg eveneens van Lodewijk XIV, op 5 februari 1665, voor hem alleen, dankzij de invloed van zijn vader, een privilege voor Frankrijk op de scheepsuurwerken gebouwd volgens de "nieuwe en zeer nauwkeurige manier 15)". Thuret, met wie hij begon, of trachtte te beginnen, te onderhandelen had dus de remontoirs met aandrijfgewichten kunnen bouwen door aan de uitvinder voor elke verkocht uurwerk een zeker bedrag te betalen; maar het is een feit dat Thuret deze constructie niet goedkeurde; dat kan men lezen op p. 7-10 van ons T. XVIII.



  Toen hij zocht naar het middelpunt van slingering van verschillende figuren nam Huygens 16) niet de moeite de overwegingen van Descartes en van Roberval te onderzoeken. Behalve de motieven

[ 613 ] [ n ]

waarvan al sprake was, was er voor hem het genoegen een nieuwe theorie uit te vinden. Als we zijn talrijke berekeningen van september en oktober 1664 17) beschouwen geloven we zelfs te kunnen zeggen 18) dat dit voor hem het krachtigste motief was. Hier openbaarde zich werkelijk de grote wiskundige. Het blijft zeker waar 19) dat hij in deze tijd niet was bezield, en dat hij dit later ook maar zelden en gedeeltelijk werd 20), door de platonische geest — om niets te zeggen van de spinozistische geest — die ernaar streeft waarheden vast te stellen door zoveel mogelijk te abstraheren van de zichtbare, tastbare, of voor het gehoor waarneembare wereld 21).

  We hebben op p. 357 e.v. van T. XVI gesproken over de algemene toepassing op slingers van het basisprincipe van de dynamica van Huygens — het woord "dynamica" is echter modern, zoals ook het woord "statica" —, evenals we hiervoor 22) gedaan hebben toen er sprake was van het instelgewichtje enz.; en vervolgens 23) over de verschillende methoden waarvan hij zich bediende om de berekening tot een goed einde te brengen; we hebben ze aangeduid met de uitdrukkingen "directe methode", "methode van de parabool", "methode van drie-vierden", methode van vier vijfden", "methode van de wig", wig "methode van de tronk", "methode van herleiding van de zijwaartse slingering tot de slingering loodrecht op het vlak van tekening", "algemene methode voor symmetrische vlakke oppervlakken die slingeren in hun vlak", "algemene methode voor omwentelingslichamen"; getrouw de gedachte reproducerend zoals ze zich aan ons openbaarde, behalve dat we voor sommatie een teken Σ gebruikten, of aan het eind zelfs het getal π, die niet bij hem te vinden zijn.
tronk De berekeningen, vaak kort 24), zijn bovendien uitgelegd in de noten. Huygens stelde er vervolgens een klein deel van op in een passende vorm, nog steeds in het Latijn 25). Men ziet er weer verschijnen delen van cilinders (wiggen of tronken) die al beschouwd waren in de verhandeling "Over dingen die op water drijven" 26); maar deze keer dienen ze om bepaalde sommaties te bewerken. We hebben bij dit deel een Franse vertaling toegevoegd.


[ 614 ] [ n ]

  Er bleef in 1664 voor Huygens tijd over om zich met andere onderwerpen bezig te houden.
meetdriehoek
  Zoals in 1652 27) mat hij de brekingsindex voor water, al of niet met zout 28). Hij tekende bovendien — en gebruikte ongetwijfeld — een driehoek van glas om voor verschillende hoeken de breking van deze stof te meten 29).

  In juli, na vernomen te hebben dat Hooke een apparaat bouwde om de versnelling van de zwaartekracht precies te bepalen 30), stelde hij Moray in kennis van de afstand die in de eerste seconde door een vallend lichaam wordt afgelegd, zoals hij die in 1659 had gemeten of liever berekend 31), te weten 15 voet en 7½ duim Rijnlandse maat 32). In september vinden we ook bij hem figuren van apparaten bestemd om direct valtijden te meten 33); we kennen geen waarnemingen die met deze apparaten zijn gedaan en het lijkt ons dat ze na de in 1659 verkregen waarnemingen wel overbodig moesten zijn; het apparaat geschetst op p. 212 hiervoor is naar ons lijkt niet gebouwd. Huygens heeft het over waarnemingen met deze apparaten gedaan zowel in "Horologium oscillatorium' van 1673 34) als in zijn brief van 1674 aan zijn vader 35).

  Saturnus werd waargenomen in september 36); vervolgens, vanaf 15 december, een komeet, waarvan de loop tot in januari kon worden gevolgd 37). We voegen eraan toe dat in 1665 nog een komeet werd gezien in april en dat Huygens in september waarnemingen noteerde over de standen van de satellieten van Jupiter die hij vergeleek met de voorspellingen van de grote Cassini die hem niet allemaal nauwkeurig toeschenen 38). De zonnewijzer "bij breedte 52°" beschouwd in 1664 39) bevond zich misschien in de tuin van het huis op het Plein of in Hofwijck. We noteren nog dat een kort stuk uit 1665 over de middellijn van de schaduw van de aarde op de maan 40) laat zien dat Huygens nog steeds de "Nederduytsche Astronomia" van Rembrantsz van Nierop bij de hand had.

[ 615 ] [ n ]

  In november 1664 41) wilde Huygens — met zijn broer Constantijn, denken we — lenzen slijpen volgens de methode van Campani  42). In deze maand heeft hij een briefwisseling met Auzout over dit onderwerp en men ziet dat zijn vader er eveneens belangstelling voor heeft 43).

  De tekening van het toestel om lenzen te slijpen die staat op p. 302 van T. XVII 44) is van maart 1665.


1665

  In dit laatste jaar, na de verschijning van het "Kort Onderwijs", ging Huygens een briefwisseling aan met Hudde over problemen van kansrekening. Het ging nog steeds over de kwestie van de verdeling van de inzet in het geval van een niet beëindigd spel. De eerste brief van Huygens, van 4 april 45), laat zien dat twee kwesties, die we niet kennen, al waren voorgesteld, waarschijnlijk door Hudde 46). De briefwisseling ging door tot 21 augustus; de brieven waren talrijk en soms lang. Formules zijn rijkelijk aanwezig. Daarop hebben de berekeningen van Huygens betrekking waarvan we de Aanhangsels II-V hebben gemaakt van p. 96-150 van T. XIV. In het Voorbericht van genoemd deel gaat p. 31-48 over de tussen de twee wiskundigen uitgewisselde problemen, die op dat moment geen enkel praktisch belang hadden. Het was een spel van de geest, een zuiver genoegen.

  De laatste brief van Huygens aan Hudde — die een lang antwoord schreef — was die van 28 juli 1665; hij zei erin "dese onse Exercitatie" te willen beëindigen. Blijkbaar waren zijn gedachten bij iets anders. Hij wilde zijn Dioptrica aanvullen met geschikte berekeningen. Het 'heurèka' van een handschrift van 11 bladen is van 6 augustus. Wat had hij gevonden? De berekening had hem laten zien dat de sferische aberratie van een dubbelbolle lens van gegeven brandpuntsafstand en grootte een minimum bereikt als de "straal van de bolling aan de kant van het object" zich verhoudt tot de "straal van de bolling aan de binnenkant" als 1 tot 6 — het gaat dus over de verhouding van de twee kromtestralen. P. 355-378 van T. XIII zijn een weergave van het genoemde handschrift met de titel "Kladboek aangaande de Dioptrica, waarin gezocht wordt de afwijking

[ 616 ] [ n ]

der stralen van het brandpunt 47)". Huygens berekent er de sferische aberratie ook voor de meniscus, d.w.z. de hol-bolle lens 48).

  Het is niet alleen dit kleine manuscript, lijkt het, dat van deze tijd dateert. Alle berekeningen en overwegingen (goed opgemaakt) in "Over de afwijking der stralen van het brandpunt" — onze uitgave geeft de datum 1666, terwijl onze Vergelijkingstabel 47) zegt "omtrent 1666" — kunnen zijn van vóór het vertrek van Huygens naar Parijs in april van dat jaar. Zie wat gezegd is op p. VII van T. XIII over de kopie die in Parijs van de "Dioptrica" was gemaakt door een zekere Niquet, weliswaar niet gedateerd maar die we konden beschouwen als zijnde gemaakt in 1666 of 1667.

  Van deze berekeningen en overwegingen is een deel, dat p. 272-313 van T. XIII beslaat (met de [Franse] vertaling), gepubliceerd door de Volder en Fullenius in de "Opuscula Postuma" van 1703; maar de rest 49) is door Huygens met een veto 47) belast. In deze "Rejecta" bevindt zich o.a. het ontwerp ter compensatie, bij de Hollandse kijker, van de sferische aberratie van het objectief met die van het oculair, waarover handelt p. LIX van het Voorbericht van T. XIII. Het hele gedeelte van p. LII-LXXXIII van dit geleerde Voorbericht handelt over het "Tweede deel van de Dioptrica", d.w.z. over de sferische aberratie; maar overwegingen over een vinding van Huygens uit 1669 zijn er ingevoegd 50) en het "Geschiedkundig overzicht van de onderwerpen behandeld in dit tweede deel van de Dioptrica" 51) overschrijdt ver de grenzen ervan 52).

  We geloven echter niet, ons beperkend tot wat schijnt te zijn of kan zijn van 1665-1666, hier te moeten treden in nieuwe beschouwingen over het grote werk van Huygens over de genoemde aberratie.

  Het idee de sferische aberratie van het objectief te compenseren met die van het oculair had Huygens zeker in 1665 opgedaan; in de korte inhoud van een brief aan de Sluse van 11 september schrijft hij: "Dat ik een uitvinding heb gedaan: de volmaking van het benaderen van de hyperbolische vorm voor bolvormige lenzen die elkaar corrigeren in een telescoop die uit slechts twee lenzen

[ 617 ] [ n ]

is samengesteld". We hebben al gesproken over deze compensatie in noot 8 van p. 87 hiervoor bij gelegenheid van een opmerking van Spinoza over dit onderwerp. Het gesprek van Spinoza met Huygens moet zijn van voor 11 september — waarschijnlijk kort daarvoor — aangezien Huygens volgens Spinoza zei te zoeken wat hij in de brief aan de Sluse verklaart te hebben gevonden.

  Een reden om te geloven dat het kort na zijn aankomst in Parijs was dat Huygens zijn Dioptrica liet kopiëren, is dat hij op 22 juni 1666 aan prins Leopold schrijft: "Naar vermogen zal ik proberen het te laten voldoen aan het verlangen van zo lang geleden [van uwe hoogheid]" (het gaat hier om publicatie van zijn geschriften in het algemeen) en op 19 november 1667, juist sprekend over de Dioptrica: "Het grootste deel van de figuren heb ik nu, ze zijn ingesneden, en binnenkort zal ik het aan de drukker leveren". Zie echter wat hij nog in mei 1668 schrijft 53): "Als mijn Dioptrica niet verder komt is het alleen door gebrek aan vrije tijd, en omdat het moeilijk is zich bij tussenpozen op deze materie toe te leggen". In deze tijd was hij niet meer van mening dat de Dioptrica voorafgegaan zou kunnen of moeten worden door een verhandeling over de aard van het licht 54).



  Hij kon evenwel sedert 1664 niet zijn belangstelling verliezen voor Engelse bespiegelingen over de aard van kleuren en van het licht in het algemeen. Zijn vader, die Moray voor was, had hem vanuit Londen het boek van Boyle gezonden over de theorie van kleuren 55). In maart 1665 ontving hij de beroemde "Micrographia" van Hooke — verschenen in januari — waarvan een twintigtal bladzijden is gewijd aan kleuren. Hooke beschouwt er o.a. de kleuren van dunne plaatjes. Maar al voor deze laatste publicatie had Huygens opgemerkt, wat niet in het boek van Boyle staat 56), de "kleuren van de regenboog" die te zien zijn in twee stukjes glas die stevig tegen elkaar gedrukt worden "of er nu water tussen zit of alleen lucht". We hebben vervolgens gezegd 57) als gevolg van welke interferentie (om dit moderne woord te gebruiken) de kleuren volgens Hooke ontstaan. Hij had niet de dikte van zijn dunne plaatjes kunnen bepalen. Dat stelde Huygens voor te gaan doen.

  Het beste middel leek hem te zijn de dunne laag lucht te beschouwen die zich bevindt, dichtbij het contactpunt van de bolle oppervlakken, tussen twee platbolle lenzen op elkaar, aangezien berekening in dit geval de dikte van de laag doet kennen op elke

[ 618 ] [ n ]

2 platbolle lenzen op elkaar
plek. Deze waarneming van de "ringen van Newton", zoals men ze niet zonder reden noemt aangezien Huygens nooit iets over dit onderwerp heeft ge­publiceerd 58) vond plaats in november 1665. Hij gebruikte geen ander licht dan daglicht.

  Volgens onze notities was de dikte van de luchtlaag overal geringer dan hij dacht, als gevolg van de vervorming van de lenzen: hij heeft het over "krachtig samengedrukte oppervlakken" en het schijnt dat hij deze vervormingen had kunnen verwachten, waarvan hij evenwel nauwelijks de grootte had kunnen schatten.

  Huygens nam de ringen waar met een microscoop. We hebben kunnen laten zien 59) dat volgens hem de gekleurde ringen (althans gekleurde als men met een microscoop kijkt) verschijnen op plaatsen waar een dikte is van 0,000034 + 0,000014 N duim (N = 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6 of 7) of 890 + 370 μμ (miljoenste millimeter), terwijl de ware formule zou zijn geweest: dikte = 0,000011 + 0,000010 N duim of 275 + 263 N μμ.

  Hij concludeert er niets uit over de aard van het licht. Terwijl hij van Hooke zegt "een beetje vermetel om hypothesen te vormen" beschouwt hij "zijn gedachte aangaande de oorzaak van kleuren" als mooi. Hooke nam twee basiskleuren aan 60).

  Maar Huygens gaf geen mening over de diamanten, waarover Boyle spreekt in 1663, die lichtgevend worden als men ze wrijft 61), wel wetend — vergelijk p. 436 hiervoor — dat het probleem van het ontstaan van dit licht voor het moment onoplosbaar was.



  Wat het ook is dat men zich voorstelt te meten, men moet een welgekozen eenheid of eenheden hebben. Dat is altijd duidelijk geweest bij het meten van afstanden en lengten. De kwestie van een universele maat, die men hoopte te verkrijgen met de secondeslinger die een "pes horarius" [uurvoet] zou definiëren is eerder aangeroerd [p. 610].

  In zijn brief van 2 januari 1665 aan Moray had Huygens voorgesteld — voor de eerste keer, geloven we — "te denken aan een universele en vastgestelde maat voor koude en warmte" en te nemen "als begin de graad van koude waarbij water begint te bevriezen, of de graad van warmte van kokend water" (hij voegt er niet aan toe: bij normale luchtdruk)  62).

  Geen experimentele wetenschap, deze naam waardig, zonder standaardmaten. Weliswaar kon men er in de zeventiende eeuw nog niet aan denken een heel grote nauwkeurigheid te eisen.

[ 619 ] [ n ]

  Een onbetwistbare universele lengtemaat, een werkelijke "uurvoet", kan natuurlijk slechts worden verkregen als de lengte van de secondeslinger overal dezelfde is. Huygens oordeelde dat men bij stijging tot een hoogte van 3000 voet geen enkele verandering in de gang van een slinger merkt of zou merken. Hij schreef deze mening op toen hij in 1666 op het punt stond naar Parijs te vertrekken 63). Maar is deze gang overal op het oppervlak van de aarde hetzelfde, op de evenaar zoals bij de polen of elders? Al in 1659 had hij berekend hoeveel de centrifugale kracht de zwaarte bij de evenaar doet afnemen 64). Op het punt van vertrek, toen de koffers ongetwijfeld al gepakt waren, had hij noch de getalsmatige uitkomst van deze berekening bij de hand, noch bepaalde andere gegevens. Hij deed dus de berekening opnieuw 65), daarbij een verkeerde waarde nemend voor de straal van de aarde. Op dezelfde plaats 66) berekende hij, zich baserend op dit verkeerde resultaat, hoeveel een slinger langzamer moet gaan dichtbij de evenaar dan op een breedte van 45° of 90°. In elk geval is de orde van grootte goed: enkele minuten in 24 uur. In die tijd had niemand anders dan hij deze berekening kunnen maken, als we het goed zien 67).



  We merken in het voorbijgaan op dat we op drie verschillende plaatsen van de delen XVI en XVII hebben gepubliceerd — zie de noten — gedeelten van deze berekeningen en overwegingen die in de gedachten van Huygens een geheel vormden. Het is een nieuwe illustratie van wat we met een ander voorbeeld hebben laten zien in ons artikel van 1940 "Deux pages consécutives du Manuscrit G de Christian Huygens", te weten dat de groepering van de stoffen ons soms heeft genoodzaakt het ene van het andere te scheiden van dingen die onderling nauw verbonden waren in de gedachten van Huygens. We zijn blij dat we in deze biografie de uitdrukking van de gedachten hier en daar kunnen aanvullen, beter rekening houdend met bepaalde verbanden en gelijktijdigheden.



  Huygens maakte in zijn brieven aan Moray geen melding van deze invloed van de rotatie van de aarde op de gang van slingers. Ondanks deze invloed leek hem, naar het schijnt, een universele maat die voldeed, of voorlopig voldeed, te kunnen worden verkregen door middel van een slinger.


[ 620 ] [ n ]

  Deze vermindering van de zwaarte bij de evenaar moet bestaan, zou men zeggen, als de aarde draait. Welnu, zij draait 68). Maar anderzijds is de natuurkunde een experimentele wetenschap. En er zijn mensen die deze rotatie ontkennen. Dat was ook een reden voor Huygens in het openbaar niets te beweren over het onderwerp van de genoemde vermindering van de zwaarte, en zelfs om er zelf niet absoluut van overtuigd te zijn 69). In het programma met de titel "Delen te beschouwen in de mechanica 70)" zal hij zich aan de Académie des Sciences van Parijs als volgt uitdrukken: "De kracht van de cirkelbeweging om van het middelpunt weg te werpen en het experiment om te weten of de aarde draait door middel van slingers 71)". Als men in het openbaar spreekt, en men wordt als een autoriteit beschouwd, moet men bescheiden en voorzichtig zijn.



  We hebben gesproken over het einde van de Académie-Momtmor [p. 608], dat evenwel niet het einde was van elke onderneming van deze soort. De Académie-Bourdelot volgde haar op en bleef bestaan tot 1685. Een van de publicaties van deze academie, van 1674, is aangehaald in T. XIX; zoals op die plaats 72) verwijzen we de lezer — aangezien we er nauwelijks nog iets over te zeggen zullen hebben — naar het boek van 1934 van H. Brown "Scientific Organizations in seventeenth Century France" dat er uitgebreid over handelt.

  Al in februari 1665 ontving Huygens van zijn vader 73) een zeker plan dat, denken we, niets anders is dan dat, gedrukt in ons T. IV 74) dat de titel draagt: "Plan van de Compagnie van wetenschappen en kunsten", waarop Huygens heeft genoteerd "Gemaakt door de heren die als privé-personen bijeenkwamen". Het programma is veelomvattend en spreekt van "briefwisseling met alle andere academies, en met alle geleerden van alle landen om elkaar wederzijds te onderrichten" en heel veel dingen waar te nemen; "zeer nauwkeurige geografische kaarten maken, wat een van de dingen is die het meest ontbreken

[ 621 ] [ n ]

in deze Staat" ..., "De koning zal bij zijn grote voornemens en bij alle nieuwe voorstellen die men hem zal doen een Raad hebben die in staat is hem oprechte en ware adviezen te geven als hij deze de eer aandoet haar te raadplegen." Enz. De heren die als privé-personen bijeenkwamen voedden kennelijk de hoop dat deze Compagnie heel wat gunsten zou genieten en een officieel karakter zou hebben. Het lijkt waarschijnlijk dat Thévenot een van deze heren was, hij die in 1664 een brief aan Huygens had gezonden (die we niet bezitten) waarop deze antwoordde op 27 november (concept): "Antwoord op wat hij me bericht over de waarschijnlijkheid van de oprichting van een Academie, het zal een grote eer voor mij zijn eraan deel te nemen". Uit Christiaans brief van 15 juni 1665 aan broer Lodewijk 75) vernemen we dat, zes maanden later, Colbert door bemiddeling van Carcavi, berichtte "dat het de koning zou behagen als ik in Parijs wilde komen wonen" enz. De uitgevers van deel V hebben niet opgemerkt dat de Latijnse passage van de brief waarin Huygens te kennen geeft dat dit voorstel hem toelacht een citaat is van Horatius 76):

        Rectius hoc et
splendidius multo est, equus ut me portet, alat Rex

[ Dit is veel juister en schitterender, dat een paard mij brengt, laat de koning mij onderhouden.]

  Men heeft hierboven gezien dat Huygens in 1662 [1663] 1200 pond had ontvangen namens Lodewijk XIV. In 1665, hoewel nog in den Haag wonend, ontving hij 1500 pond 77).

  Het is onmogelijk te zeggen of Colbert sterk geïnspireerd was door de schrijvers van het "Plan van de Compagnie van wetenschappen en kunsten". Het is moeilijk aan te nemen dat hun invloed nihil zou zijn geweest. Als het waar is dat Thévenot een van deze heren was, was zijn prestige echter niet zo groot dat Colbert zich tot hem richtte 78).

  Hoe het ook zij, Colbert nam zijn initiatief en schiep in 1666 de Académie Royale des Sciences.




Académie, 1666 - 1681



Home | Huygens | XXII | < Biografie 1661-66 (top) | Noten | >