Stevin | Varia

Stevin , illuster , gedichten , portretten , v. d. Aa , familie , broer , de Waard , recent , Noten


Jan de Groot

(1554 - 1640)
portret
Foto: UB Utrecht

Jan  1  of Johan de Groot (of: Cornets de Groot) verdient meer aandacht dan alleen als vader van Hugo de Groot. Hij was een veelzijdig man: algemeen ontwikkeld geleerde, dichter en musicus, maar ook organisator, politicus en raadgever. Kortom, een steunpilaar voor de jonge republiek.

1572:  studie (filosofie en rechten) in Douai,
1576:  derde student (rechten) in Leiden,
1582:  huwelijk en vestiging in Delft,
1591 - '95:  burgemeester van Delft,
1594 - 1601 (- '17):  curator van de Leidse universiteit.
Na 1600 (?):  raadgever van de graaf van Hohenlohe.


Stevin en de Groot

Jan de Groot was een goede bekende van Simon Stevin:
  1. In 1585 werd L'Arithmetique aan hem opgedragen, en hij schreef er twee gedichten voor, als Iagius Tornus Philomathès, en als Darie Togon.

    Stevin noemt hem "mon Treshonnoré Seigneur", met een onverzadigbare en openlijke begeerte om de dingen te begrijpen, en die ook verscheidene mysteries opgelost heeft. Hij spreekt van "vostre benigne & communicative affection" en noemt hem "ferme refuge de mes difficultez".
    Geroemd wordt zijn veelzijdigheid: wiskunde, optica (met experimenten), muziek (ook compositie en theorie), jurisprudentie, fysica, poëzie.
    Van bijzonder belang noemt Stevin zijn bevordering van zaken de Republiek betreffende.

  2. Voor de Weeghconst (1586) schreef hij ook twee gedichten, en hij wordt in dit werk genoemd als medewerker bij de valproef:
    den hoochgheleerden  H.  I A N   C O R N E T S   D E   G R O O T  vlietichste ondersoucker der Naturens verborghentheden
  3. In 1588 werd hij mede-eigenaar van twee octrooien op de watermolen.  2
  4. In 1589 tekende hij een contract voor de bouw van een watermolen in IJsselstein.
  5. In De Sterctenbouwing (1594) wordt 'Burgmeester' de Groot genoemd als medewerker.
  6. De Groot wordt genoemd in een resolutie uit 1594 van de Staten van Holland, als één van de gecommitterden, om Plancius "te hooren ende de Staten te doen rapport" over diens 'inventie' aangaande de lengtebepaling op zee.
    Stevin zat in 1598 in zo'n commissie-lengtebepaling (Plancius en Sievertsz).
  7. Zijn zoon Hugo vertaalde in 1599 De Havenvinding in het Latijn, en dichtte enthousiast over de zeilwagen.
  8. Dezelfde Hugo leverde een literatuurlijst voor het stuk over de Wijzentijd (1608).



Illuster

In Illustrium Hollandiae & Westfrisiae Ordinum Alma Academia Leidensis (1614)  3 kreeg Ianus Grotius als curator een portret, 2 pagina's over zijn leven, en 2 met gedichten:

I A N I   G R O T I I.

 
Over Jan de Groot.

NATVS & educatus est Delphis, nobili Bataviæ civitate. Patrem habuit Hugonem Grotium, qui anno M.D.LXVII consulatu quinto mortuus est. Geboren en opgevoed is hij in Delft, de bekende Bataafse stad. Tot vader heeft hij gehad Hugo Grotius, die in het jaar 1567 tijdens zijn vijfde burgemeesterschap overleden is.
Grotiorum familia Delphis & circum patritia a quadringentis annis & quod excurrit. Mater ipsi fuit Elesina ab Heemskerca, quæ etiam prosapia celebris apud Batavo-Lugdunenses ab aliquot centenis annis. De familie der Grooten behoort in Delft en omstreken al gedurende vierhonderd jaar tot de patriciërs. Zijn moeder was Elesina van Heemskerc, een familie die eveneens al ettelijke honderden jaren vemaard is bij de Leidenaren.
Præceptoribus Delphis usus est in linguis Latina & Græca Henrico Iunio, Victore Giselino & Laurentio Ducholio, & eorum hypodidascalis. Als leermeesters heeft hij in Delft gehad voor de Latijnse en Griekse taal Henricus Iunius, Victor Giselinus en Laurentius Ducholius, en hun ondermeesters.
Anno decimo octavo Duacum profectus, in collegio Regio conviva fuit Iohannis Huveterij a Ferrarijs, ubi in eadem tunc mensa inter cæteros erat Ioannes Montanus Sacræ Theologiæ Doctor, amanuensis quondam magni illius Erasmi Roterodami. Op zijn achttiende naar Douai getrokken, is hij in het Collège Royal tafelgenoot geweest van Iohannes Huveterius van Ferrara, waar toen aan dezelfde tafel o. a. aanwezig was Ioannes Montanus, Doctor in de gewijde theologie, eertijds klerk van die grote Erasmus van Rotterdam.
Ibi Philosophiæ operam dedit sub Ioanne Sartio a Senephra, cujus auspicijs magister artium & philosophiæ declaratus est. Daar hield hij zich bezig met de filosofie onder Ioannes Sartius van Senephra, op wiens gezag hij de titel magister artium & philosophorum gekregen heeft.
Inde se ad Iurisprudentiam contulit, auditor Piethij, Præij in institutionibus, Vendevilij, Putij, Boetij Eponis, Vibrandi & Viti, in alijs utriusque juris partibus. Daarna wijdde hij zich aan de rechtsgeleerdheid, als toehoorder van Piethius, Praelius over de instellingen, Vendevilius, Putius, Boetius Epo, Vibrandus en Vitus, over andere onderdelen eveneens van het recht.
Eodem tempore celebres illic erant in Theologicis Matthæus Galenus Westcappellius, Rubus, Albanus, Stapletonus. quorum etiam lectionibus & disputationibus, cum ab alijs studijs otium erat, frequenter interfuit. In die zelfde tijd waren daar bekend in de theologie Matthaeus Galenus van Westcapelle, Rubus, Albanus, Stapletonus. Wier lessen en besprekingen hij ook, als hij van andere studies vrij was, vaak bijgewoond heeft.
Postquam urbs Lugdunensis Batavorum obsidione liberata, ibiq; Academia ab Illustrissimo Principe Arausino instituta, fratris Cornelij Grotij [>] literis, qui magistri libellorum supplicum munus professione Academica mutaverat, Na het ontzet van de stad Leiden, en de oprichting aldaar van de Academie door de doorluchtigste prins van Oranje, met officiële stukken van zijn broer Cornelis de Groot, die de taak van meester voor de verzoekschriften ingeruild had voor de academische professie,
in patriam, atque inde in ipsam illam se Academiam contulit; in cujus albo sive matricula, tertius omnium tunc temporis studiosorum reperitur; begaf hij zich naar het vaderland, en daarop naar deze zelfde Academie; in het album of inschrijvingsboek hiervan wordt hij gevonden als derde van alle toenmalige studenten;
ubi apud matrem fratremque habitavit ad annum usque M.D.LXXXII. quo tempore se matrimonio junxit Aleidæ Borriæ Delphensi, ex Overschiaca & Adrichemica prosapia, unde filios tres, filiam unicam sustulit. waar hij bij zijn moeder en broer gewoond heeft tot het jaar 1582, waarin hij trouwde met Aleida Borren uit Delft, uit Overschiese en Adrichemse familie, met wie hij drie zoons en één dochter kreeg.
Adscitus in ordinem judiciarium, consulatus deinde continuos gessit quatuor, moxque Curator Academiæ factus est. Zeer ervaren in rechtszaken, was hij vervolgens vier achtereenvolgende jaren burgemeester, en weldra werd hij tot curator van de Academie benoemd.
Nec pœnituit hac in dignitate constitutum Doctoratus in Iure titulo hactenus omisso, honorari, qui prius cum adhuc Lugduni viveret, omnibus Professoribus tam usus erat familiariter, ut non tantum auditor, verum etiam præcipuorum collega videretur. En het speet hem niet langs deze weg vereerd te worden met de waardigheid van het Doctoraat in de Rechten, een titel die hij tot dusver niet had, hij die eerder en nu weer in Leiden woonde, en met alle professoren zo vertrouwelijk omging, dat hij niet slechts als toehoorder, maar ook als collega van de voornaamsten beschouwd werd.
Tandem a consilijs factus est Illustriss. Principibus Hohenloicis, quo nomine etiamnum contentus vivit. Tenslotte is hij benoemd tot raadgever van de doorluchtigste graven van Hohenlohe, in welke functie hij nog altijd tevreden het leven geniet.

ornament 1
 

I A N I   G R O T I I
in effigiam suam.

Consilium patriæ præbens sic ora ferebam,
    Quando Academiæ credita cura mihi est.
Iamque videns dicas, quantum mutatus ab illo,
    Sed senio & curis hoc venit ex alijs.


Van Jan de Groot
op zijn portret.

Raad voor de vaderstad gaf ik met zulke gezichten,
    Toen mìj Academie's beheer werd vertrouwd.
Zeg nu maar als je me ziet: wat heeft dàt hem veranderd!
    Maar ouderdom deed dit en andere zorg.


H V G O N I S   G R O T I I
in eandem.

Talis eram quondam ille tuus mea patria Consul,      
    Curatorque domus sancta Minerva tuæ.
Multum ætas, multum duri trivere labores,
    Et subit hoc tantum dicere, talis eram.


Van Hugo de Groot
op hetzelfde.

Zó was ik eens, o mijn vaderstad, ùw burgemeester,
    Uw zorger, verheven Minerva, van 't huis.
Veel doet de leeftijd, veel doen ook ècht zware werken,
    Rest dit nog te zeggen: zó was ik eens.


D A N I E L I S   H E I N S I I
in eandem.

Præfectus Delphis patrijs Musisque Batavis,
    Apollinem terris dedi.


Van Daniel Heinsius
op hetzelfde.

Leider voor vaderstad Delft en voor Muzen, Bataafse,
    Gaf ik deze landen Apollo tot heer.


G V I L I E L M I   G R O T I I
in eandem.

Hic fuerat vultus quondam juvenilibus annis,
    Cum tibi consilium, patria, terra darem.
Nunc aliam faciem curæque ætasque dederunt,
    Verum animi remanet qui fuit ante vigor.
Ille virum turbæ doctorum me addidit, illa
    Parte hospes, lætor me superesse mihi.


Van Willem de Groot
op hetzelfde.

Dit is 't gelaat eens geweest in de jongere jaren,
    Toen 'k raad gaf aan u, mijn vaderlijk land,
Nu heb 'k een andere facie, van zorgen en leeftijd,
    Toch blijft nog de kracht van de geest zoals eerst.
Díe heeft mij zwermen geleerden gegeven, de facie
    Is deels er nog, blij dat ik mij overtref.


ornament 2

portret

Jan, ca. 1600   4




Jan 1582

Jan, 1582

Alida, 1582

Alida, 1582


Jan, 1636

Jan, 1636


Alida, zonder jaartal

Alida, z. j.   4



    Johan

Uit het Biografisch Woordenboek van A. J. van der Aa (1862), p. 451:  5

    GROOT (Johan Hugo de),  meestal slechts Johan, ook Janus Grotius genoemd, was een jonger broeder van den voorgaande [Cornelis, zie hier onder] en werd op den huize Kraaijenburg nabij Delft den 8sten Maart 1554 geboren. Hij studeerde te Douay, en verwierf aldaar den graad van meester in de vrije kunsten en van Doctor in de regten [? in Leiden]. In het vaderland teruggekeerd, werd hij, in 1589 Schepen en in 1591 Burgemeester van Delft, welke waardigheid hij vier achtereenvolgende jaren bekleed heeft. Hij stond in hoog aanzien bij het huis van Oranje en werd gekozen tot Raad van den Graaf Philips van Hohenlohe, toen deze, in de jongelingsjaren van zijnen zwager Prins Maurits, een groot aandeel in de zaken van den lande had. Ook werd hij in 1594 aangesteld tot Curator der Leidsche Hoogeschool, van welke waardigheid hij, om onbekende reden, omstreeks 1617 afstand deed. Hij overleed den 3den Mei 1640 en was gehuwd met Alida Borren van Overschie en verwekte bij haar vier zonen, waarvan er twee op jeugdigen leeftijd stierven, en de beide anderen volgen [blz 452 e.v.]. Zijne afbeelding ziet het licht.

    Als Curator der Leidsche hoogeschool heeft Johan de Groot zich zeer verdienstelijk gemaakt. Een groot gedeelte van het lot dier instelling was in zijne handen gesteld. Zijn warme ijver voor de bevordering der wetenschappen maakte hem dat vertrouwen ten volle waardig. De geleerdste mannen van zijnen tijd gaven hem eenparigen lof, en de beroemde Lipsius achtte hem zeer hoog; hield briefwisseling met hem en schreef hem, onder anderen: "gij bemint de Muzen; de Muzen beminnen u, en zullen u blijven beminnen, en ik met haar."  [ 6]  Als beoefenaar der Latijnsche en Nederduitsche dichtkunst deed hij zich kennen; in de eerste taal door een paar gedichten, die in de Poëmata van zijn zoon Hugo en in de Deliciae Poëticae van L. van Santen (Fascier VIII) voorkomen, en in de tweede door eenige verzen in de Overgebleven Rijmstukken van en op J. H. W. en P. de Groot, in 1722 te Delft gedrukt.

    Zie: Brandt, Leven van Huig de Groot, D. I. bl. 5, 7, 20, D. II. bl. 272;   Witsen Geysbeek, Woordenb. van Ned. Dicht,;   Siegenbeek, Geschied. der Leidsche Hoogesch. Toev. en Bijl. bl. 6, 7;   Luden, Hugo de Groot, enz. bl. 2, 3;   Jhr. Cornets de Groot, Levensschets van Mr. Pieter de Groot, bl. 8, 9;   Muller, Cat. van Portrett.


    Voorouders

Van der Aa behandelt (p. 449-) de geschiedenis van het geslacht de Groot bij Cornelis (de oudere broer van Johan), "een der geleerdste mannen van zijnen tijd". Hier wordt duidelijk waarom Stevin hem noemt: Cornets de Groot.

    GROOT (Cornelis de).  De voorvaderen in de vrouwelijke linie van dezen en der hier volgende leden [Johan, Hugo] van het geslacht de Groot, reeds vóór 1200 als regeringspersonen te Delft voorkomende, hadden den bijnaam de Groot verkregen, omdat door hen uitstekende diensten aan het vaderland bewezen waren. Zij bewoonden eertijds het kasteel Kraaijenburg, tusschen Delft en den Haag gelegen, en begaven zich vervolgens veiligheidshalve naar eerstgemelde plaats. Onder die voorvaderen wordt met name genoemd Hugo Groote, die een zeer vermogend man was en vele gezantschappen bekleed had.

    De voorouders in de mannelijke linie, Cornets genaamd, waren edellieden uit Bourgondië afkomstig, die zich in de Nederlanden hadden nedergezet. Onder hen wordt de zeer edele Corneille Cornets genoemd, die lid der regering van Delft was en zich in het huwelijk begaf met vrouwe Ermgarde, dochter van Diederik de Groot van Kraaijenburg en van Maria van der Dussen. Deze Diederik had geene zonen; en dewijl dus het mannelijk oir van zijn geslacht met hem zou uitsterven, bedong hij dat de kinderen door Cornelis Cornets, in diens echt met Ermgarde verwekt, den naam de Groot zouden dragen.
Een zoon uit dit huwelijk werd dan ook Huig de Groot of Huig de Groot van Kraaijenburg genaamd. In 1511 geboren bekleedde hij vijf malen de waardigheid van Burgemeester der stad Delft en was door het huwelijk vereenigd, eerst met vrouwe Maria Wisse, dochter van den Burgemeester Gerrit Wisse van Haarlem, en daarna met vrouwe Elselinge van Heemskerk, insgelijks uit een oud adelijk geslacht gesproten.

    Uit het eerste huwelijk werd eene dochter, Maria, geboren en uit het tweede twee zonen, waarvan de oudste Cornelis was, aan het hoofd van dit artikel genoemd, en Johan Hugo, die mede volgt [zie hier boven].


    Broer

    Cornelis de Groot dan werd te Delft den 25sten Julij 1546 [1544] geboren. Reeds op jeugdigen leeftijd vertoefde hij geruimen tijd te Parijs, waar hij zich op de wijsbegeerte en de geschiedenis met vlijt toelegde, en vertrok vervolgens naar Orleans, waar hij in de regtsgeleerdheid studeerde en waarschijnlijk den doctoralen graad verwierf. In het vaderland terug gekeerd werd hij niet alleen door Prins Willem I tot zijnen requestmeester verheven, hetgeen in dien tijd eene hooge bediening aan het Hof der Prinsen van Oranje was, maar hij had ook in 1575 een belangrijk deel aan de oprigting der Leidsche Hoogeschool; was bij hare inwijding tegenwoordig, en had zich mede verbonden tot het geven van eenige lessen in de wijsbegeerte. Eerlang aanvaardde hij echter het hoogleeraarsambt in de regten, hetwelk hem reeds in het jaar 1575 werd opgedragen, en dat hij met grooten lof bekleedde tot het jaar 1583, toen ligchaamszwakte hem hetzelve deed nederleggen. Vier jaren later liet hij zich door Curatoren bewegen, om zijne dienst op nieuw aan de Hoogeschool te wijden, en hij volhardde daarin, met afwijzing van herhaalde aanzoeken, om eene plaats in den Hoogen Raad aan te nemen, tot aan zijn overlijden, dat op de dag zijner geboorte in 1610 plaats had. Hij was gehuwd met vrouwe Geertruide Uyteneng, uit het adelijke geslacht van dien naam gesproten, welk huwelijk echter kinderloos bleef.

    Cornelis de Groot wordt een der geleerdste mannen van zijnen tijd genoemd. Hij was zoowel in de letteren en wijsbegeerte als in de regtsgeleerdheid ongemeen bedreven. Zijne gematigdheid, wijsheid en zedigheid veroorzaakten dat hij meermalen met de waardigheid van Rector der Hoogeschool bekleed werd [1581, '94 - '96, 1603, '08]. Er zijn geene gedrukte geschriften van hem bekend, doch hij liet in handschrift de volgende werken na:
    Commentaria ad libros quatuor institutionum Juris Civilis.
    Commentaria ad primam partem sive libros quatuor priores Digestorum.
    Commentaria et observationes Feudalium.
    Tractatus singularis de differentiis Feudorum a Feudis Hollandicis.

    Zie: van Bleiswijk, Beschrijv. van Delft, bl. 791;   Foppens, Bibl. Belg. p. 202, die hem verkeerdelijk voor den vader van den vermaarden Hugo de Groot houdt; Alma Academ. Leidensis [1614], p. 76 - 81;   Brandt, Leven van Hugo de Groot, D. I. bl. 4, 5;   Siegenbeek, Geschied. der Leidsche Hoogesch. D I. bl. 23, 28, 53, 92, Toev. en Bijl. bl. 52, 53;   Luden Hugo de Groot, enz. bl. 1, 2;   Jhr. J. P. Cornets de Groot, Levensschets van Mr. Pieter de Groot, bl. 7, 8;   Delprat, de allereerste Series Lectionum der Leidsche Hoogeschool in Nieuwe Reeks der Werk. van de Maatsch. der Nederl. Letterk. te Leid. D. VII. St. I. bl. 85.

[ Recent: M. Ahsmann, Collegia en colleges, p. 39-45 (Groningen 1990).]




    Nogmaals: Johan

In het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (1912) schreef C. de Waard:  7
    GROOT  (Johan Hugo de),  Cornets de Groot  of Janus Grotius, geb. op Kraayenburg tusschen Delft en den Haag 8 Mrt. 1554, gest. te Delft 3 Mei 1640, zoon van Hugo Cornelisz. en Elselinge van Heemskerk, is wellicht identiek met zijn naamgenoot, die 5 Febr. 1575 ['76] als stud. iur. en een der eersten werd ingeschreven aan de leidsche hoogeschool, waaraan zijn stief[ 8]-broeder Cornelis als hoogleeraar was verbonden; den graad van lib. art. mag. en mag. phil. verwierf hij echter te Douay.   Jan. 1582 huwde hij te Delft Alida Borren van Overschie (geb. 22 Oct. 1561, gest. 8 Jan. 1643), dochter van Frans B. van O. en Adriana van Adrichem.
Uit de opdracht aan hem van Simon Stevin's Arithmétique (Leyde 1585), voorafgegaan door lofdichten van de Gr. (anagram: Jagivs Tornus en Darie Togon) blijkt, dat hij was "heureusement parvenu à la cognoissance de plusieurs mystères," wat Stevin van veel hulp geweest was; bijna geen deel van de philosophie was er, waarin hij niet ervaren was "non pas selon le vulgaire, mais par solide intelligence des causes," daaronder niet alleen de wiskunde, maar ook de katoptriek, waarvan hij de theorema's van Alhazen, Witelo en Euclides door proeven toetste en de theorie der muziek; uit de "conclusion" volgt, dat Stevin's Weegconst (Leyde 1586) proeven bevat volbracht "par l'assistance et continuelle diligence" van de Gr. "lequel comme philosophe louable, aiouste volontiers à toute theorie sa pratique." Laatstgenoemde uitgave zelve wordt insgelijks voorafgegaan door een latijnsch en een grieksch gedicht van de Gr., ook op het toen weinig begrepen denkbeeld en verloren gegane werk van Stevin over het "lochtwicht". Ook Stevin's Waterwicht (Leyde 1586) bevat proeven in gemeenschap met de Gr. "vlietichste ondersoucker der naturens verborgentheden" in "d'ervaringh teghen Aristoteles," als a. w. 66, die omtrent den vrijen en door hem even snel bevonden val van lichamen van verschillend gewicht (van der Haeghen, Bibl. belgica S. I, T. 23 (1880 - 90) in voce Stevin; Bierens de Haan, Bouwstoffen XXV (Amst. 1884) 6).
Niet minder was de Gr. bevriend met zijn toenmaligen stadgenoot Ludolf van Ceulen, ten wiens behoeve hij Archimedes' Kukloumetrèsis in het nederlandsch vertaalde en die omgekeerd zijne in 1586 gevonden sterke benadering van pi aan de Gr.'s oordeel onderwierp (Lud. van C., van den Circkel (Delft 1596) voorrede).
Raad en schepen van Delft is hij geweest in 1589, burgemeester van 1591 tot 1595. In dit tijdvak citeert Adriaan Romanus (Ideae mathematicae (Antw. 1593) praef.) 9 hem ook onder de goede mathematici van zijn tijd. Met diens ambtgenoot Lipsius (1578 - 91 hoogleeraar en in het begin de G.'s leermeester te Leiden) stond hij in correspondentie (zie diens Epp. cent. III (Antw. 1605) 85 benevens Burman Sylloge epp. I, 222, 342 - 43 (zie ook 151) en II, 63).
In hetzelfde jaar 1594, dat van Ceulen eene betrekking aan de leidsche hoogeschool verwierf, werd de Gr. daarvan curator ("nihil amplius habet" zeide Scaliger volgens de Scaligerana (Lud. Bat. 1668) 131) en werd er 30 Nov. 1596 dr. iur. Onder zijn medecuratorschap werd van Ceulen in 1600 ook benoemd aan de ingenieursschool.  10
Na [?] zijn aftreden in 1617 werd de Gr. raadsheer van den graaf van Hohenlo. Zijn portret is opgenomen in de Ill. Holl. et Westfris. ord. alma Acad. Leid. (Lugd. Bat. 1614).
Gedrukt van hem is nog briefwisseling met zijn zoon Hugo (Hugonis Grotii Epp., Amst. 1687); ms. brieven aan dezen en aan Gerard Tuning ter leidsche univ. bibl. Gedichten aan hem gericht komen voor in Jani Dousae Poemata (Lugd. Bat. 1609) 672; van hem in Hugonis Grotii Poemata (Lugd. Bat. 1639) [449, 451; aan hem: 248]; L. van Santen, Deliciae Poeticae (Lugd. Bat. 1783 - 85, maar vollediger in hs. bibl. univ. Leiden) en de Overgebleven rymstukken van en op J.H.W. en P. de Groot (Delft 1722).
Uit zijn huwelijk sproten vijf kinderen o. a. Franciscus (geb. 4 Aug. 1586, gest. 1612), Adriana (geb. 22 Juli 1592, gest. 10 Dec. 1639, geh. 14 Febr. 1614 met Frederik van Losecaat (1583 - 19 Mei 1669), baljuw van Liesvelt, landdrost van de Alblasser- en Krimpenerwaard en commissaris van de monstering), voorts Willem en Hugo (kol. 523).

    Zie voorts: Brandt, Leven van Hugo de Groot I (1727) 5, 7, 20 en II (Dordr. 1727) 272; J.P. Cornets de Groot, Levensschets van mr. Pieter de Groot ('s Grav. 1847) 8 - 9; Vorsterman van Oyen, Hugo de Groot en zijn geslacht (Amst. 1883) 6 - 7; Elias, Vroedschap I, 78.

de Waard.


    Recent

In De Hollandse jaren van Hugo de Groot (1996) staan de volgende gegevens.
  • p. 18 (Cornelia M. Ridderikhoff):
    Het doctoraat in de rechten behaalde Jan de Groot in 1596. Zoon Hugo kon een rij studieboeken overnemen.
    In 1601 kreeg hij moeilijkheden: burgemeesteren van Leiden schrijven aan die van Delft (waar Jan nu secretaris is) dat hij in 1594 voor een weeskind geld ontvangen had zonder dit te verantwoorden. Ook dat hij in 1601 failliet is gegaan, en als stadssecretaris verlaten om kwade zaken. Hij zegde zijn 'poortrecht' op, en verklaarde elders te willen gaan wonen. In 1602 is hij in een vaderschapsproces veroordeeld tot betaling aan de moeder van het kind, dat inmiddels overleden was.
    In februari 1601 verscheen Jan de Groot voor het laatst op een zitting der curatoren.

  • p. 71, 72 (Harm-Jan van Dam):
    Volgens Hugo de Groot heeft zijn vader aangetoond dat een werkje over muziektheorie (Inleiding in de harmonieleer) niet van Euclides kon zijn. Later is dit als juist erkend.

    Al in 1586 werd de juridische geleerdheid van Jan de Groot geprezen in een elegie van Janus Dousa.

    Hugo Grotius vermeldt dat zijn vader een belangrijk manuscript bezat, en hij noemt voorbeelden van goede tekstverklaringen die deze hem aan de hand deed.

    De latere Nederlandse gedichten "(die niet vrolijk stemmen)" moeten gezocht worden onder Oovergebleeve rym-stukken (1722/31). Latijnse gedichten zijn, behalve de boven genoemde voor Stevin, bijv. een Bruiloftszang op Hugo, en een Gelukwens op de geboorte van zijn eerste zoon (in Hugo's Poemata Collecta, 1617), en een drempeldicht in Dousa's Odae Brittannicae (1586).

  • p. 94 (Arthur Eyffinger):
    Jan de Groot verleende hulp aan zijn zoon bij het overschrijven en vertalen van stukken. De naam 'Hugeianus', waarmee Hugo in zijn eerste jaren tekende, was wellicht meer dan louter een patronymicum.

In de levensbeschrijving van 1614 staat opvallend weinig over het curatorschap. Nu kunnen we vermoeden waarom dat zo is: met ruzie weggegaan. Toch moet hij voor de universiteit veel goeds gedaan hebben, als een van drie curatoren in een belangrijke periode: studenten-onlusten, bibliotheek, ingenieursschool.




    Noten

  1. Is het Johan of Jan? Zijn biografen noemen hem Johan (Johan Hugo, zie DBNL) evenals E. J. Dijksterhuis in 'Stevin en de Grotii' (De Gids, 1942, p. 166). Zo heet hij in een octrooi-acte (zie volgende noot): 'Mr. Johan de Groot'. In het Album studiosorum Acad. Lugd. Bat. staat hij als 'Johannes de Groot Delfensis', derde student aan de Leidse universiteit (5 febr. 1576).
    Maar Stevin noemt hem bij de valproef 'Ian', en zo ondertekent hij ook zelf zijn gedichten voor Stevin: Ian of Ianus. Zijn beroemde zoon is op 15-jarige leeftijd afgebeeld als HugeIanus Grotius, Huig Jansz. De Groot, en boven zijn eigen portret staat "Iani Grotii".   «

  2. Voor de octrooien op de watermolen zie The Principal Works of Simon Stevin deel V, 13, 29.   «

  3. Illustrium Hollandiae & Westfrisiae Ordinum Alma Academia Leidensis werd in 1614 van onbekende hand uitgegeven bij Jacobus Marcus en Justus à Colster. Behalve een vermeerderde tekst van Meursius' Illustris Academia (1613) zijn ook de portretten uit dit werk opgenomen, maar nu in spiegelbeeld, en het ovaal, waarin het portret gevat is, werd iets verkleind.
        Bron: J.A. de Waard, De portretten van Marnix van St. Aldegonde.
    Zie ook: J. van Voorst, 'Verhandeling over de letterkundige verdiensten van Hugo de Groot' (1826), p. 40-45, in Gedenkschriften ... van het Kon.-Ned. inst. van wet. ..., 4 (1833).
    Marijke Tolsma, 'Smoelenboek uit de zeventiende eeuw', in Omslag, 1-2011.

    De figuur van de inwijdingsoptocht ontbreekt in de Google-uitgave, zie daarvoor: R. van Luttervelt, 'De optocht ter gelegenheid van de inwijding der Leidse Universiteit', in: Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden, LJb 50 (1958) 87-104.  Bij Orlers (1614), p. 136-7 vinden we de namen, o. a. (rechts onder in de figuur, het laatste drietal, voor de 'Arcus Triumphalis' [daarin staat: D. Gentius]):
    Cornelis de Groot, Licentiaet in beyden Rechten/ ende Request meester van sijne Furst. Gen. als aengenomen hebbende eenighe Lessen inde Philosophien te doen/ geleyt wesende tusschen den Eersamen ende Voorsienigen Pieter Oom Pietersz ende Pieter Pieter Iorisz, Schepenen der voorsz. Stadt Leyden.
    Bij Meursius worden Cornelis en Jan de Groot alleen terloops genoemd:
    Ad Lectorem [de optocht]
    Cornelius Grotius, JC. & libellorum supplicum magister, Philosophiam instauraturus; eumque Petrus Omius, ac Petrus Georgius, item Senatores, medium Ducebant.

    Hugo Grotius
    Patruus Cornelius Grotius Lugduni jus Ciuile professus est, cum laude & summa bonorum gratia. Pater erat Ioannes Grotius, cujus exstant carmina, & Lipsij ad ipsum literae Dousaeque versus, nec pauca aliorum monumenta ipsius inscripta nomini.
    In het werk uit 1614 zijn beiden aanwezig. Cornelius Grotius met zeven pagina's, maar de portretlijst is leeg (p. 75-81, zie tekst; hij wordt ook vermeld op p. 103 en 108). Johannes Grotius wordt nog genoemd bij Banchemius (^) als collega, en op p. 97 als een van de vrienden van Gerard Tuningius.   «


  4. F. Muller, Beschrijvende Catalogus van Portretten geeft op p. 397 als leeftijd "(aet. 46)" als toevoeging bij de gegevens op p. 103 van het curator-portret. Zie voor de overige portretten:
    E. A. van Beresteyn, Iconographie van Hugo Grotius (Martinus Nijhoff, 1929), p. 65
    (1582: J. W. Delff?, 1636: M. Jz. Mierevelt). Jan in 1582 is genomen uit:
    H. J. M. Nellen en J. Trapman (red.), De Hollandse jaren van Hugo de Groot (1583 - 1621) (Hilversum, 1996, preview).   «

  5. A. J. van der Aa, Biografisch Woordenboek der Nederlanden, 7e deel (Haarlem 1862), 451.   «

  6. Zie voor de contacten met Lipsius: C.L. Heesakkers, 'Lipsius, Dousa and Jan van Hout: Latin and the vernacular in Leiden in the 1570s and 1580s'. Het schijnt dat Johan de Groot poëzie-lezingen bijwoonde in het 'Gezelschap' van deze drie geleerden. Het huwelijk van de Groot vond plaats in januari 1582, en daarom vertrok hij uit Leiden. Het Gezelschap bleef niet lang bestaan, zoals Lipsius hem schreef in 1586:
    "De graftoortsen voor de Muzen en al haar dienaren zijn aangestoken door uw bruiloftstoortsen".
    Zie ook: 'Een netwerk aan de basis der Leidse universiteit' (Tentoonstelling bij de uitgave van het album amicorum van Janus Dousa), waar we broer Cornelis de Groot vinden als ondertekenaar van Conceptstatuten uit 1575 (zie 'Netwerk', 5.3).

    detail album-inscriptie     In het Album amicorum van Dousa (^), f.100r-101r, schreef Jan de Groot in 1578 drie bladzijden vol, met:
    -  een citaat van Aristoteles in het Grieks,
    -  een dialoog tussen filosoof en muze in het Grieks ("Mousa moi ennepe Dousa ...", zie afb. rechts),
    -  een gedicht in het Latijn.
    De ondertekening is:
    "Cl. V. Jano Douzae Nordevici domino poëtae optumo scribebam poëta pessumus J. de Groot Delphensis VII Cal. Jan. MDLXXIIX Huic monimento".


    C.L. Heesakkers beschrijft in 'Zes viercante witte manden' een affaire die de Groot als een van de drie curatoren van de universiteit meemaakte in 1594: Janus Dousa had ontdekt dat een verzameling boeken in het Hof van Holland onder stof en vogelpoep lag te vergaan.
    Een lofdicht van I. Grotius vinden we in Justi Lipsii Ad Annales Cornelii Taciti liber commentarius, sive notae, Lugd. 1585 (Lipsius had in 1584 de Opera omnia van Tacitus uitgegeven).   «


  7. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Leiden, 1912) 2e deel, kol. 528, 529.
    Bij het Galileo project: De Groot, Jan Cornets, door Richard S. Westfall (gegevens uit NNBW).   «

  8. Het 'stief'-broeder Cornelis (NNBW, de Waard) komt niet overeen met wat van der Aa zegt onder 'Voorouders'. Willem Otterspeer noemt hem wel stiefbroer in Groepsportret met Dame (Amsterdam, 2000). En we vinden in Scaligerana (1667), p. 100:
    Grotius le Curateur & le Professeur sunt fratres Germani, non uterini, ‘ομοπατορες. Pater Grotii nihil amplius habet. Filius erit aliquando Pensionarius alicujus urbis; est prudens Politicus, optimus Graecus, Iuris-Consultus, modestus, praestantissimus in epigrammatibus ... incredibile est quam multi sint docti juvenes in his regionibus.
    [Grotius de curator en de professor zijn stiefbroers, ze hebben niet dezelfde moeder, wel dezelfde vader. De vader van Grotius heeft verder niets. De zoon zal nog eens pensionaris van een stad worden: hij is bekend met staatkunde, zeer goed in Grieks, rechtsgeleerde, gematigd, zeer voortreffelijk in epigrammen ... het is niet te geloven hoeveel geleerde jonge mannen er zijn in deze streken.]
    Daarentegen schrijft Cornelia M. Ridderikhoff, in Hollandse jaren van Hugo de Groot, p. 16: "zonen van de Delftse burgemeester Hugo Cornelisz. de Groot uit diens huwelijk met Elselinge, dochter uit het geslacht dat ook de beroemde zeevaarder Jacob van Heemskerck heeft voortgebracht".
    De in Illustrium ... Academia Leidensis, p. 76 als moeder van Cornelius Grotius genoemde Elisæa Heemskerckia zal toch dezelfde zijn als Elesina ab Heemskerca, moeder van Ianus Grotius.   «

  9. Vertaling van Romanus' notitie (1593):
    Johannes Cornets de Groot, een edelman, zeer uitstekend filosoof, vernieuwt de Muziek (waarin hij zowel met de stem als op instrumenten boven alle overigen uitmunt) vanaf de onderste fundamenten. In de statica, catoptrica en overige delen van de Wiskunde, ja zelfs ook in de gehele Physica, onderwerpt hij een werk gewoonlijk aan bespiegelingen. Vandaar dat hij, zich niet tevreden stellend met de dingen die Alhazen, Vitellio en Euclides ons over het perspectief hebben nagelaten, ze ook afzonderlijk tentoonstelt om met de ogen te bekijken (na met grote kosten daartoe de nodige toebereidselen te hebben gemaakt).
    Vergelijk Stevin's opdracht aan Jan de Groot in L'Arithmetique (1585).   «

  10. Zie Ingenieursschool: oprichtingsbesluit, programma, en andere gegevens.   «




Simon Stevin | Varia | Jan de Groot (top)