Home | Beeckman | < Vertalingen > | Brontekst | Index

Waterputten , vaart, val, worp , komeet , goede werken , falset , falset , Galenus , hypothesen


Isack Beeckman - 1619 v c



[ <   329 ]

Waterputten

Waarom meer zoet dan brak water in een put gegraven op zijn plaats, het overige gelijk.

  Noortgoviae, den 25en Julij.

  Landbouwers ondervinden, als ze hier in zoete akkers graven, zoveel toevloed van water, dat ze niet tot de gewenste diepte kunnen komen, en daar deze akkers niet lager gelegen zijn dan andere akkers met brak water, zou niet ten onrechte gevraagd kunnen worden waarom in de eerste meer zoet water voorkomt dan brak water in de laatste, in droge tijden, aangezien elk van beide vanuit de zee doorsijpelend toevloeit.


[ 330 ]
  Ik antwoord, dat ik geloof dat er zelden gebrek is aan brak water, zodat als voor gebruik ook brak water gezocht zou worden, door te graven, de landbouwers ook een niet geringe toevloed van dit water zouden ondervinden. Maar daar dit water wordt veronachtzaamd, wordt de overvloedigheid ervan niet bepaald en toevloed ervan bij het graven zelden aangetroffen; en wanneer het wordt aangetroffen wordt het veronachtzaamd.
Niettemin zou toch een verschil in overvloedigheid en toestroom van deze wateren misschien kunnen worden opgemerkt aan landen die door deze wateren bevochtigd worden. Wat immers door zoet water wordt bevochtigd, is zandig; en zand heeft grovere deeltjes dan vruchtbaar land, en daarom wordt water niet zozeer met de kleinste zanddeeltjes gemengd. Waardoor het komt dat zoet water zich niet zo sterk aan zand hecht als brak water aan vruchtbare aarde; en derhalve, als in zand een put wordt gemaakt, vloeit er zonder enige moeite omgevend water van het zand naar de holte, die substantie verlatend, waarmee zo weinig water vermengd en aaneengevoegd wordt. Bovendien, wie weet of zout niet meewerkt en een soort bindmiddel is, waarmee water sterker aaneengevoegd wordt met vruchtbare aarde?

  Wanneer dus zoet water in overvloed aanwezig is op een zandige plaats, die door vruchtbare aarde wordt omgeven, wordt deze overvloed niet verschaft door de zee zelf, daar zeewaer eerst door vruchtbare grond moet gaan, die zijn water steviger vasthoudt; maar dit hele zandige gebied wordt van zijn water beroofd en laat het allemaal gaan naar die holte die daar ergens gemaakt wordt. Als dus dit zandige gebied groot is, kan in korte tijd veel water worden verzameld.

  Hierbij zou ik geloven dat een zandig gebied, gelijk aan een gebied met vruchtbare aarde, meer water bevat dan dit laatste, en dat honderd pond zand meer water opneemt dan honderd pond vruchtbare aarde. Kwik dringt in tin, waarin water niet doordringt; water dringt echter in papier waarin kwik niet kan doordringen. Hoe moet ik een reden geven, als ik het niet duidelijker kan? Wat toch niet zomaar gaat.   [<,>]

Vaart

Dezelfde 'impetus' beweegt een schip soms in een richting tegengesteld aan de eerste.

  Als een schip het zeil laat zakken en zich voortbeweegt met alleen de vaart die het had, kan het toch met het stuur zo worden gestuurd, dat het, na een een halve cirkel in zijn beweging te hebben gemaakt, in dezelfde richting beweegt als waaruit het gekomen was, langs de lijn waarlangs het was gekomen, en dat het met een en dezelfde vaart teruggaat.

  Over de beweging van lichamen die in het luchtledige zijn heb ik hiervoor dikwijls gesproken [<], waaraan ik toevoeg dat de beweging niet gehinderd wordt zolang de uiteinden van het bewegende lichaam dezelfde stand houden, dat wil zeggen zolang dat wat vooraan is, op de voorste plaats blijft bewegen, en wat achteraan bewoog, als achterste blijft bewegen.
En het moet niet wonderlijker worden gevonden, dan wat eerder [<] gezegd is over de cirkelbeweging van een lichaam, in vacuüm wel eeuwig, doch in lucht langdurig. Bij deze beweging beweegt dezelfde vaart, evenals bij de beweging van het schip, lichamelijke dingen in tegengestelde richtingen, daar een cirkelbeweging in alle richtingen gaat voordat een hele omwenteling wordt gemaakt.


[ 331 ]   25 - 29 juli 1619

Steen valt langs mast

Een steen zal uit de top van een mast bijna loodrecht vallen.

  Voeg hieraan het volgende toe. Laat het schip niet door de wind bewegen, opdat niet iemand de oorzaak van wat we voorleggen zoekt in de wind; maar getrokken worden door paarden met een touw, zoals in Holland overal gebeurt*). Als nu een steen valt vanaf de top van de mast van dit schip, zal hij vallen naar dat punt, waar hij gevallen zou zijn als het schip stil zou liggen: de steen behoudt namelijk de beweging waarmee hij bewoog toen hij nog aan de top van de mast vastzat.

  Als dit schip dus in vacuüm op de genoemde manier zou bewegen, zou de steen noodzakelijk vanuit de hoogte de beweging aanhouden, ook terwijl hij zou vallen, waarmee hij met het schip meebewoog; hij zou dus met een dubbele beweging bewegen: die welke loodrecht is, en die waarmee het hele schip bewoog.

  Nu echter, terwijl het schip in de lucht beweegt, beweegt de vallende steen wel door de beweging van het schip, maar omdat hij niet meer aan het schip is vastgehecht, en deze beweging dus niet hernieuwd wordt terwijl hij valt, verliest de steen, die lucht tegenkomt, ongetwijfeld wat van zijn horizontale beweging, op de manier waarop een pijl, afgeschoten uit een boog, langzamerhand iets van de snelheid van zijn beweging opgeeft tijdens het vliegen.
Maar de steen die van de top van de mast valt, verliest, wanneer hij slechts weinig tijd gebruikt tijdens het vallen, ook slechts weinig van zijn horizontale beweging, waardoor het komt dat hij, als hij niet precies op het punt loodrecht onder de steen valt, toch bijna en met een onmerkbare afwijking daarop zal vallen.
Als de steen echter binnenin het schip omlaag valt, zal hij precies in het punt loodrecht tegenover de steen vallen, omdat daar de lucht meebeweegt, en daarom komt de steen in zijn horizontale beweging geen lucht tegen.   [<]


[ *)  Zie 'Trekschuit'.]

Horizontale worp

Horizontaal in lucht bewegende voorwerpen, waarom ze niet meteen vallen.

  Waarom valt een steen of een pijl, met grote snelheid horizontaal in beweging gebracht, niet meteen omlaag?

  Omdat hij bij het vallen teveel lucht zal tegenkomen, zodat al die lucht, die hij tegenkomt, evenveel weegt als de pijl, waardoor het komt dat hij als het ware drijft op de lucht, op de manier zoals ik eerder over de snelheid van een vallende steen heb betoogd*).

  Er is dus een horizontale beweging in de afgeschoten pijl, die zo snel is dat hij de lucht verwijdert en erin doordringt. De beweging echter die naar het middelpunt zou zijn, zou in het begin zo langzaam zijn dat hij zonder moeite door zoveel lucht, die de pijl tegenkomt, gedragen kan worden. Dus of de pijl nu lucht tegenkomt, of lucht de pijl, er ontstaat hetzelfde effect.

  Als dus binnen een bewegend schip een steen naar achteren wordt gegooid, met precies dezelfde snelheid als waarmee het schip beweegt, zal die steen noodzakelijk in rust lijken te zijn; hij zal evenwel niet vallen, omdat de met het schip meebewegende lucht de steen tegenkomt en de steen bij het tegenkomen evenzo zal ondersteunen als wanneer deze zelf zou bewegen en lucht zou tegenkomen.
Zo zal een steen die buiten het bewegende schip is, en die daar in valt, zodra hij die lucht bereikt die met het schip meebeweegt, iets opgeven van de snelheid, die hij zou hebben als hij in stilstaande lucht zou vallen.

  Wat echter het punt betreft, dat er loodrecht tegenover is in het schip, wanneer hij begint te vallen: de steen zal er heel ver van afwijken als hij op deze wijze valt, omdat de steen geen horizontale beweging heeft die hij aanhoudt tijdens het vallen; maar dit punt zal met het schip vooruitgaan.


*)  Zie p. 263-264, 264-265, 267 en 267-268.

[ 332 ]

In een schip

Horizontale beweging van steen in bewegend schip, hoe.

  Laat de lengte van een bewegend schip zijn ab en laat het van a naar b bewegen, zodanig dat het in twee tijdsmomenten tot e komt, en laat a, d, c raken aan planken van het schip; dus d en c zullen ook in twee tijdsmomenten een lijn beschrijven die gelijk is aan ae. Ook moeten ae, de, ce gelijk zijn.
lijnen: AB horizontaal, EC vertikaal, ED schuin En laat nu iemand die in e staat, met het schip meebewegend binnen het schip, horizontaal een steen gooien van e naar a, zodat die ook in twee tijdsmomenten bij a komt, dat wil zeggen dat de gegooide steen even snel beweegt als het schip maar in tegengestelde richting — wie zal dan ontkennen dat die steen niet beweegt, maar in rust blijft hangen in e, en dat het punt a met de lucht die tussen a en e is, de steen tegenkomt, en dat een plank van het schip tegen de steen stoot, en dat de lucht met zijn komst de steen ondersteunt zodat hij niet te gauw valt, ook al lijkt de steen tegen het punt e te stoten en zelf de lucht tegen te komen?

  Laat een steen met dezelfde beweging van e naar c bewegen. Deze steen zal bewegen met twee horizontale bewegingen, één die is van e naar c: de steen is immers gegooid van e naar c en deze beweging is, daar e en c binnen het schip zijn, even precies als wanneer ze op Aarde zou gebeuren; en hij zal niet minder afwijken van het mikpunt c in het bewegende schip, dan erbuiten op een stilstaande plaats, als e en c stilstaan; dus de steen zal rechtstreeks langs ec bewegen en daarvan geenszins afwijken.
Maar aangezien de punten a, e, c, die vastzitten aan het schip, eveneens bewegen, is het noodzakelijk dat de lijn ec ook beweegt. Zo lang de steen dus tussen e en c is, beweegt hij in lucht met een andere beweging, die is van a naar b; en daar de beweging naar c gelijk is gemaakt aan de beweging van het schip van a naar e, zal de steen met twee horizontale bewegingen bewegen, waarvan de ene loodrecht op de andere staat.

  Laat weer een steen in twee tijdsmomenten bewegen van e naar d. Daar d gelijk met het schip voortgaat, en zo ook alles wat op de lijn ed is, zal volgen dat de steen, gegooid van e naar d, in lucht beweegt met twee gelijke horizontale bewegingen: één die is van het gooien, een andere die is van het schip. En deze bewegingen maken een scherpe hoek met elkaar, en de hoek aed zal heel scherp kunnen worden en hetzelfde zal aangetoond kunnen worden.

  Maar wanneer hoek aed zeer scherp is, zal d onmerkbaar van a verwijderd zijn, dus zullen de bewegingen van het gooien en van het schip bijna tegengesteld zijn, en niettemin zal toch aan te tonen zijn dat de steen beweegt met elk van deze gelijke bewegingen. En als dit zo is, waarom zullen we dan zeggen dat, zodra de steen precies van e naar a beweegt, beide bewegingen weggenomen worden en de steen in rust is? Aangezien de natuur geen sprong maakt.
Maar vlak daarvoor, als hoek aed heel scherp is, bewoog hij nog met twee even snelle horizontale bewegingen. Wat zou dan de reden zijn dat een slechts onmerkbare verandering in de gooibeweging deze beide bewegingen uitwist?


[ 333 ]
Omdat toch, als het niet zo is, aangetoond zal zijn dat deze steen beweegt met twee tegengestelde bewegingen, wat tegen elke mening van Filosofen ingaat, en zelfs tegen het verstand. Waaraan we zien dat er in beweging iets wonderlijks zit, en ik beken dat ik het nog niet begrijp.

  Den 29en Julij, Noortgoviae.

  Men zal begrijpen dat hetzelfde ook gebeurt als we stellen dat het schip in vacuüm beweegt, behalve dat de steen dan ook omlaag zal bewegen omdat hij niet door lucht ondersteund zou worden. Deze zal namelijk bewegen met drie bewegingen: één naar het middelpunt van de wereld en twee tegengestelde horizontale.
Als je vanaf dit schip, dat in het luchtledige beweegt, een steen gooit naar een boom erbuiten, zul je de boom missen, omdat de steen terwijl hij vliegt ook beweegt door de beweging, waarmee hij bewoog toen hij in de hand was. Zo zal hij misschien met vele bewegingen kunnen bewegen.

Horizontale beweging in een bewegend schip.

  Te Gorkom, den 31en Julij.

  Wat dan? Als iets tegen het menselijk verstand van nature gebeurt, geven we dan toe dat het onverklaarbaar is? Wie begrijpt immers dat dat hetzelfde voorwerp tegelijk naar het Zuiden en naar het Noorden beweegt in vacuüm?

  Laten we dus liever zeggen dat de steen, die in het genoemde schip langs ed werd gegooid, zolang hij tussen e en d is, wel gelijk beweegt met de punten e en d, maar dat dit gebeurt omdat de lucht in het schip meebeweegt, en tegen de steen stotend, deze meesleurt; wat makkelijk gebeurt, omdat een in de lucht hangende steen zonder onderscheid naar welke plaats dan ook gesleurd wordt, en daarom, als hij door de lucht getroffen wordt, met deze meebeweegt. En dit gebeurt hier des te meer, omdat hij nog iets van de beweging behoudt die hij had toen hij in de hand was.
Want als het schip in vacuüm zou bewegen, zeg ik dat de steen, van e naar d gegooid, wel wat verliest van zijn beweging van a naar b, die hij in de hand had: hij beweegt dus niet zo snel als de vaste punten a, e en d, en daarom niet zo snel als de lijn ed. Waardoor het komt dat hij een beetje van de lijn ed afbuigt in de richting van a, en het bedoelde punt d niet raakt; dat wil zeggen, als het schip in vacuüm even snel beweegt als het gooien van de steen of afschieten van een pijl gebeurt, zal iemand nooit het doel raken, al werpt hij nog zo goed, tenzij hij werpt van e naar a, of van e naar c.
Want als hij van e naar d werpt, zal de slag plaatsvinden tussen d en a; als hij tussen c en b werpt, zal hij iets toevoegen aan de oorspronkelijke beweging van de steen, en zal de slag voorbij het doel vallen in de richting van b. Ja zelfs zul je misschien ook iets dergelijks ondervinden in een schip dat in lucht even snel beweegt als een pijl beweegt, omdat lucht niet voldoende effectief lijkt om met zijn beweging een steen zo snel te doen bewegen.


[ 334 ]

Rechtvaardigheid

Op welke manier God rechtvaardig is tegenover zondaars.

  We zijn verwonderd dat God van eeuwigheid af alles onfeilbaar heeft vastgesteld en dat hij niettemin toch rechtvaardig straft wegens zonden. Dit mag zeker wonderlijk lijken, maar ook lijkt het even wonderlijk dat wij mensen een mes breken waarmee we onszelf gekwetst hebben. Is het rechtvaardig dat we op een ander wreken, wat we zelf fout hebben gedaan? Indien een kindt in syn bedde gekackt heeft, men slater den hondt om.
Als een steen ons met zijn val gekwetet heeft worden we er boos op; als een wolf een schaap heeft opgegeten, doden we hem, terwijl toch de steen en de wolf van nature niet iets anders dan dat kunnen doen. Christus zelf heeft, toen hij een vijgenboom aantrof die geen vruchten had, deze vervloekt*). Is dat rechtvaardig? De vijgenboom heeft uit zichzelf immers niets tegen zijn natuur kunnen doen. Waarom heeft Christus niet zelf deze boom met vruchten verrijkt?
We mogen verwonderd zijn, zeg ik, over dit alles, te weten dat iemand met zeggenschap over iets anders tot zoveel in staat is dat hij onrechtvaardig lijkt te straffen, wanner niemand heeft gezegd dat Christus de vijgenboom onrechtvaardig heeft vervloekt. "Wie is er onder u", zegt Christus, "die zijn dienstknecht, als die 's avonds vermoeid van het werk naar huis terugkeert, laat zitten en eten",°) maar hem niet liever laat staan en zijn Heer dienen?
Vader en ik hebben dit zo enz.   [<,>]


[ *)  Zie Statenvertaling (1637), Matth. 21, 19.]
°)  Lucas 17, 7-8, niet letterlijk geciteerd. (Beeckman was met zijn vader op reis.)

[ Ned. ]

[ 335 ]

Syllogisme

Exclusief "alleen" maakt een bewering tegelijk ontkennend en bevestigend.

Al het redelijke is een dier; alleen de mens is redelijk; dus alleen de mens is een dier.

  Hier is een gebrek in de vorm. Elke bewering is immers hetzij slechts bevestigend, hetzij slechts ontkennend, maar beweringen waarin het woordje "alleen" voorkomt zijn bevestigend en ontkennend. "Alleen de mens is redelijk" betekent: de mens is redelijk; wat niet een mens is, is niet redelijk. Er zijn dus twee onderscheiden beweringen die elkaar met het woordje "alleen" impliciet tegenspreken. Daar dus dit syllogisme [<] van de eerste figuur is, moet de minor bevestigend zijn, maar die is ontkennend, namelijk:
Al het redelijke is een dier. Wat niet een mens is, is niet redelijk. Wat niet een mens is, is niet een dier.
  Hier zie je dat de minor ontkennend is, dus de conclusie is onwaar. Maar in:
Al het redelijke is een dier; de mens is redelijk; dus de mens is een dier.
is de minor bevestigend, dus de conclusie is waar.

  Hieruit volgt dat de eerste conclusie "Alleen de mens is een dier" deels waar is, deels onwaar. Het is waar voorzover wordt geconcludeerd met het bevestigende deel van de minor; maar onwaar voorover geconcludeerd wordt met het ontkennende deel van de minor, en we hebben al aangetoond dat beide delen zijn bevat in het woordje "alleen".

  Te Rotterdam, den 10en August.


Alleen een mens is geleerd; alleen een tweevoeter is een mens; dus alleen een tweevoeter is geleerd.

  Dit syllogisme bevat ten eerste dit andere:
Wie niet een mens is, is niet geleerd; wie niet een tweevoeter is, is niet een mens; wie niet een tweevoeter is, is niet geleerd.
  Van dit syllogisme is de minor bevestigend, zoals ik hiervoor heb geschreven [<].
  Ten tweede bevat het dit:
Er is een mens die geleerd is; er is een tweevoeter die mens is; dus er is een tweevoeter die geleerd is
maar dit concludeert niets met noodzaak.
  Ten derde schuilt hier een ander syllogisme in, met omgezette beweringen, want "Alleen een mens is geleerd" wijst erop dat elke geleerde een mens is. Als namelijk niets anders dan een mens geleerd is, en als er tenminste een mens is die geleerd is, is zeker elke geleerde een mens. Zo dus:
Elke geleerde is een mens; elke mens is een tweevoeter; dus elke geleerde is een tweevoeter.

  Hier wordt zeker geconcludeerd met de vierde figuur, de conclusie is, omgezet:
"Er is een tweevoeter die mens is" [<]. Daar dus geconcludeerd is:
Wat niet een tweevoeter is, is niet geleerd, en:
Er is een tweevoeter die geleerd is, volgt dat juist geconcludeerd is dat alleen een tweevoeter geleerd is, als aan de drie beweringen het woordje "alleen' is toegevoegd.

  Den 10en August., te Delft.


[ 336 ]

Gemengde toonsoort

Toonsoorten krijgen soms ook samenklanken die er niet eigen aan zijn. Hoe.

  Muzikale toonsoorten worden ook gemengd met samenklanken die er niet bij passen..

  Zo is in Psalm 100 het systeem mi, fa, sol, re, mi, fa, sol, la, en hiervan zijn als hoofdnoten gemaakt mi, re, la. De eindnoot moest dan worden re, maar daar de kwart ut, fa met deze toonsoort wordt gemengd, zodat ook deze twee noten onder de hoofdnoten in rekening komen, kon deze psalm niet geschikt genoeg eindigen op re, omdat deze eindnoot een secunde verwijderd zou zijn van ut, één van de hoofdnoten. Daarom is dus mi als eindnoot gemaakt, die van alle hoofdnoten een echte samenklank verwijderd is.

  Zo zijn er in Psalm 16 vier hoofdnoten, maar toch kan ten opzichte van de overige een hoofdnoot genoemd worden, namelijk sol, die het systeem verdeelt in de vorm van de elfde toonsoort, die is ut, sol, fa. Dit systeem wordt dus gemengd uit de volmaakte samenklanken ut sol, ut fa, mi la, en uit de onvolmaakte hoofdnoten re en mi, bijvoorbeeld mi sol en re fa, welke samenklanken alle aan weerskanten eindigen op meer belangrijke noten.

  Den 11en August., te Rotterdam.

Fout syllogisme

Verkeerde syllogismen onderzocht.

Het vlees dat je gekocht hebt, heb je opgegeten; maar je hebt rauw vlees gekocht; dus je hebt rauw vlees gegeten.

  Laat dit syllogisme worden herleid tot een formele uitleg. Dit is wat gedaan moet worden, opdat de manier blijkt, op deze wijze:
Al het vlees dat je gisteren hebt gekocht, heb je opgegeten; enig rauw vlees is het vlees dat je gisteren hebt gekocht; dus je hebt enig rauw vlees gegeten.
De minor wordt ontkend, omdat het nu niet rauw vlees is, maar was, waaruit de conclusie zou zijn gekomen: dus je hebt enig vlees, dat rauw was, gegeten, wat waar is.
Want ook al is het woord "is" de koppeling, het staat toch in de tegenwoordige tijd, die een bestaand deel is van de bewering. Als de minor dus de verleden tijd bevat, is het noodzakelijk dat ook de conclusie die bevat, waar weinigen op letten, namelijk dat in "is" en "was" nog iets anders zit dan een koppeling.

  Den 14en, in Den Briel.

Komeet

Staart van een komeet, hoe die verschilt van de kop.

  Van staarten van kometen zal kunnen worden gezegd dat ze als volgt verschillen van de kop: dat het inwendige van de kop nog niet brandt, maar de staart van binnen en van buiten gloeiend is, verschijnend zoals een vlam, die daarlangs uitvliegt, misschien ongeveer op de manier waarop een kaarsvlam zich verheft vanuit de pit de hoogte in, loodrecht opstijgend van de Aarde: de staart van een komeet lijkt immers loodrecht van de Zon afgewend te zijn.   [<,>]

— Den 17 Augusti, te Rotterdam.

Goede werken

Hoe God ons beweegt tot goede werken.

  God wordt genoemd de oorzaak van goede werken in ons. Gaat dit soms zoals 'automaten' bewegen in toestellen van vakmensen? Of liever zoals een paard door de ruiter ergens heen wordt gestuurd, met in zich wel een begin van beweging, maar niettemin toch niet in staat de meester niet te gehoorzamen? Of liever zoals een knecht door zijn meester overreed wordt met argumenten die hij onmogelijk naast zich neer kan leggen? Of liever zoals een zoon de wil van zijn vader uitvoert, werkelijk de bekoring voelend van de vaderlijke erfenis, die hem niet onbewogen kan laten?
Zo handelt God in ons dus noodzakelijk met zulke middelen dat hij ons noch het gevoel, noch de instemming, noch de wil ontneemt. Dus worden we niet bewogen zoals staken, paarden, slaven, maar vrij, als zonen.   [<]

— Vader en ik te Rotterdam.

  Den 23en Augusti quamen wy van De Swaluwe te Breda.   [<,>]


[ 337 ]

Falsetstem

Gezang "in facet" zoals men zegt, welke vorm de mond moet hebben.

  Wanneer we zingen "int facet" (zoals men het noemt [<]) is de zetting van de mond ongetwijfeld anders dan wanneer we met volle stem zingen. Terwijl de omvang namelijk hetzelfde is, verschilt de kwaliteit, en dit verschil lijkt niet te bestaan in een verandering van de inhoud van de mond — hierin is immers de omvang gelegen, zoals we hebben gezegd [<] — maar in een andere zetting van het strotklepje of van het strottenhoofd.
Als het strotklepje namelijk heel dichtbij de opening van het strottenhoofd is gebracht, maakt het dat de stem doordringend klinkt en het gehoor sterk treft; als het strotklepje echter van deze opening verwijderd is, zodat de uitgaande lucht dit nauwelijks raakt, maakt het de stem donker, het meest lijkend op de zuivere uitademing die zonder aanbrengen van het strotklepje gebeurt, en deze wordt gezang "int facet" genoemd.
En deze verwijdering van het strotklepje is soms groter, soms kleiner, en naar gelang van de verschillende verwijdering wordt de stem donkerder en helderder; en daarom kan de stem geleidelijk afnemen van de grootste helderheid tot de grootste donkerheid, en zingen we vrij, zodat tussen de andere stemmen ook onze stem wordt gehoord.

  Het gebeurt ook dat we bij het zingen "in facet" gemakkelijker stijgen tot de grootste hoogte van de omvang, omdat voor het verwijderen van het strotklepje en voor de stijging een druk van de mond nodig is, en de druk van de mond voor verwijdering van het strotklepje meer verwant is met de druk van de mond voor stijging van de stem, dan een lichte opening van de mond voor het vermeerderen en verminderen van de inhoud, terwijl het strotklepje op het strottenhoofd blijft liggen.

  Den 28en Augusti, te Breda.   [>]

Zelfde toon

Dezelfde noot heeft overal deelfde hoogte, getuige Aristoxenes.

Aristoxenos, 'Harm. stoich., bibl. a', parte 7/20*): "Bij het zingen vermijden we het constante, maar we streven zoveel mogelijk naar het vaststaan van de stem. Want hoe meer we elke klank afzonderlijk en vaststaand en dezelfde maken, des te nauwkeuriger verschijnt de melodie voor de waarneming".

  Met deze woorden bedoelt hij mijns inziens niets anders dan dat elke noot aan zichzelf gelijk gezongen moet worden, dat wil zeggen dat het geluid dat klinkt als ut, in het begin, midden en einde dezelfde toon en dezelfde hoogte moet hebben, zodat die klank, als hij de eerste keer een kwint verwijderd is van een andere noot, noodzakelijk ook de andere keren daarvan verwijderd is met dezelfde kwint, wat niet lijkt te gebeuren bij praten.
Eén enkel woord klinkt soms hoger, soms lager, zodat de klank de ene keer niet een muzikale verhouding heeft tot de andere. Dit onharmonische is bij spreken niet van belang, omdat in een gesprek geen harmonie optreedt wegens de kleine afstand van de klanken onderling.

  Te Breda, den 29 Augusti.


*)  Aristoxenus, Nicomachus, Alypius, Auctores musices antiquissimi, ed. Meursius (Leiden 1616), p. 9 [r.17] (notities: p. 160-185).
[ Paul Marquard, Die harmonischen fragmente des Aristoxenus (Berlin 1868), p. 14, r.2, en p. 15:]
beim Singen ... das Stetige vermeiden wir, das Feststehn der Stimme aber suchen wir so viel wie möglich. Denn je mehr wir jeden Laut gesondert und feststehend und gleichmässig hervorbringen, um so klarer erscheint der Empfindung die Melodie.
[ Marcus Meibom, Antiquae musicae auctores septem (Amst. 1652), p. 9-10.]

[ Ned. ]

[ 338 ]

Verhoging

Waarom cadenzen in één stem een noot doen verhogen.

  In Psalm 77 wordt in plaats van een hele toon een halve toon gezongen, zodat f fa ut*) met een halve toon wordt verhoogd. Hetzelfde is gebeurd op bijna oneindig veel plaatsen wanneer de eerstvolgende noot terugkeert naar eenstemmigheid en een cadens vormt.

  Ik geloof dat dit gebeurt wegens de in gedachten opgevatte harmonie. Een noot, welke dan ook, brengt namelijk de indruk met zich mee van het octaaf er onder, en daarom zingen velen, dit octaaf van nature harmonisch verdelend, re in plaats van fa, zeggend sol sol re sol; degenen die dit niet doen, prenten zich niettemin die re in, hetzij door een trilling van de stem, hetzij door een onbewust streven van het verstand.
Het systeem wordt dus sol la re op de eerste toon. Maar wanneer dan een noot geplaatst moet worden tussen sol en la, is het beter dat die een halve toon van sol verwijderd is, omdat hij dan een terts verwijderd is van la.

  Te weten is ook dat dit alleen gebeurt bij zulke systeemverdelingen als ze elegant zijn; daarom zie je deze verhoging alleen gebeuren in noten ut en fa, onder een ut. Als deze verhoging namelijk ook zou gebeuren in re, zou het systeem aan weerskanten afgesloten worden door mi, welk systeem een valse kwart bevat, zoals ik elders heb aangetoond°).

  Ook moet opgepast worden dat deze verhoging niet in een hoofdnoot optreedt. Al wordt namelijk de vorm van een cadens bij een hoofdnoot niet gezien, de noot behoudt toch zijn plaats, omdat hij van zichzelf aangenaam genoeg is.

  Ter Vere, den 10en Septemb.


[ *)  Zie de noot F3 in het schema 'Hexachords', extra noot op p. 90 hiervoor.]
°)  Zie p. 89-90, 233, 328.

[ 339 ]
  Dus wanneer alle noten zijn: ut re mi fa, wordt de mi niet verhoogd omdat hij een halve toon van de fa verschilt; de re wordt niet verhoogd wegens de onwelluidendheid van systemen die met mi worden afgelsoten. Overblijft de fa, omdat hij niet tegelijk ut wordt genoemd, en slechts eenmaal tot een octaaf komt; en ut, omdat hij soms fa, soms ook sol genoemd kan worden.

Goede werken (2)

Wanneer goede werken aan mensen toegeschreven kunnen worden.

  Goede werken kunnen niet zelden gerust aan worden toegeschreven aan menselijk vermogen, te weten wanneer een mens erdoor beschuldigd wordt en Gods goedheid verheerlijkt. Naar waarheid wordt namelijk gezegd dat wie niet een aalmoes heeft gegeven aan iemand die het nodig heeft, zwaar geondigd heeft, omdat hij heeft nagelaten die hulpmiddelen, die God hem had gegeven om uit te delen, goed te gebruiken, terwijl hij ze goed heeft kunnen gebruiken, want anders zou hij niet van nalatigheid kunnen worden beschuldigd.
Evenzo wordt naar waarheid gezegd tegen een echtbreker: "je had kunnen afblijven van de echtgenote van je naaste". Evenzo: "God zij geprezen, die mijn ziel zo heeft hernieuwd dat ik me kan houden aan de Sabbat, en nog wel van harte". Maar wanneer de mens zich met deze woorden iets aanmatigt, of God iets ontneemt, is het onwaar, wat hiervoor naar waarheid gezegd werd. Elders meer hierover [<].
— Te Middelborch, den 15en Septemb.   [<]

Pijn

Waarom de uitersten van membranen meer pijn hebben.

Galenus, 'Peri tôn peponthotôn topôn'*) 2, fol. 264, regel 45, Parte tertia, volgens editie Basel, 1538°): "Van een hevig ontstoken lever volgt de pijn die ontstaat aan de rechterkant van de hals de spanning van de holle ader".

  De uitersten hebben namelijk om twee redenen meer pijn dan het midden van de membranen, zowel omdat delen waarmee ze vastzitten aan een gespannen membraan van hun plaats bewegen, als omdat de poriën van de extremiteiten door het spannen groter worden dan die van delen in het midden, waarover eerder elders [<].

  Te Middelborch, den 16en September.


*)  Galenus, de Locis affectis [Ven. 1565, vol. 5, fol. 10, C.13], ook geciteerd op p. 158.
°)  Deze editie is al genoemd op p. 159.

Vergif

Zenuwen verdrijven het stekende.

Galenus, Parte 3, pagina 279, lin. 34, sprekend over epilepsie die opkomt vanaf de buitenste delen, zegt: "Het scheen Pelops inderdaad toe dat óf een kwaliteit wordt verbreid van bij voortduring veranderende delen, óf een vluchtige substantie".*)

De zich vermenigvuldigende aard van vergif.

  En Galenus zelf zegt dat zenuwen het stekende verdrijven, ook al is het stekende ver verwijderd van dat wat het mede verdrijft. Wat echter de steek van een giftig dier betreft, waardoor geen gif in de huid wordt meegegeven, die toch niettemin een mens doodt, het is te geloven dat hoe weinig gif er ook kleeft aan de punt van het steekinstrument, dit gif vocht of vluchtige stof [spiritus] verandert tot zijn aard, op de manier waarop gist meel zou omzetten tot zijn aard, zodat het omgezette dezelfde kracht krijgt als dat wat omzet, wegens gelijkheid van aard; niet anders dan vuur kaarsvet omzet tot zijn aard, zodat dit evenals het eerste, ander kaarsvet in vuur kan omzetten.


[ *)  De locis affectis (Ven. 1565, vol. 5), lib. 3, cap. 7, fol. 19v, F2.
Pelops was leermeester van Galenus, zie ook:
Vincenzo Alsario della Croce, De epilepsia, seu comitiali morbo (Ven. 1603), p. 54v.
Vivian Nutton, Galen: A Thinking Doctor in Imperial Rome, 2020: ]
his master Pelops had described the epileptic aura earlier, comparing it to the result of a scorpion bite or the sting of a deadly spider.

[ 340 ]

Bloed

Onderzoeken waarom bloed 's winters dichter is.

  Den 1en October, te Middelborgh.

Galenus, in 'Aphorismous Hippok.', 1, 231, 50: "[wanneer plotseling opkomt] de zomerwarmte, want die laat het bloed zich meer uitstrekken en wegvloeien".*)

  Als iemand dit met eigen ogen wil zien: vergelijk het gewicht van bloed, 's winters uit de aderen van een mens gehaald, met bloed dat er 's zomers uitgehaald is, van dezelfde hoeveelheid naar maat. Als je immers in de winter een groter gewicht vindt, weet je dat dit bloed meer samengepakt is, en dat dezelfde aderen van zulk bloed een grotere overvloed kunnen opnemen naar gewicht, dat wil zeggen de werkelijke hoeveelheid.


[ *)  In aphorismos Hippocratis commentarius I (Ven. 1565, vol. 9), 15, fol.8v, F14.
'Aphorisms by Hippocrates', transl. Francis Adams.]


Voedselopname

Onderzoeken of voedsel al voedt.

  Den 2en October, te Middelb. In 'Aphor.', 2, 241, 2: "Een teken dat hetgene wat opgenomen is al aan het voeden is, moet er zeker voor je zijn in de kloppingen. en wel de hevigheid en grootte; en in willekeurige bewegingen de kracht, toegevoegd aan gevoede delen".*)


[ *)  In aphorismos Hippocratis commentarius II (Ven. 1565, vol. 9), 18, fol.13v, G3.]

Hoge stem

Hoe een scherpe stem makkelijker wordt gegeven.

  Den 6en October te Seraeskercken int landt van der Goes.*)

  Bij modulatie van de stem is het belangrijk te weten dat bij een dergelijk instrument dat zich op dezelfde manier gedraagt geldt: als je er krachtiger lucht in blaast, geeft het een scherpere klank.

  Hieruit volgt: als de menselijke mond evenveel geopend is, maar de mens blaast krachtiger uit, wordt een scherpere stem gehoord, ook als alleen de keel (die de weg is van het doorgaande geblaas) meer geopend wordt en de doorgang vergroot. Als de mond in de oorspronkelijke toestand blijft, zal de lucht er overvloediger uitgaan en gaat het geblaas lijken op de gewone uitademing, die bijna geen geluid geeft; de scherpte wordt niettemin toch vermeerderd om redenen hiervoor genoemd [<].
Als dan de mond wordt samengetrokken en tegelijk de keel vergroot, zingen we "in facet" zoals men het noemt; deze stem is wel donker, maar komt heel gemakkelijk tot scherpte. En zo vereist "in facet" niet zoveel hevigheid om de stem scherper te maken, omdat we al gehoord hebben dat er minder krachts­inspanning nodig is bij dezelfde stand van de mond om op dezelfde stemhoogte te zingen, als de keel zeer open staat, dan wanneer deze meer gesloten is. Dus als dezelfde kracht wordt uitgeoefend, wordt een veel scherpere stem gegeven, maar donkerder, en minder doordringend wegens de wijdte van de keel.   [>]


*)  Zwager Jacques Schouten woonde sinds augustus in 's Heer-Arendskerke.

[ 341 ]

Zomerziekte

Galenus, 'eis Aphor. Hipp.', 3, 260, 57, bij de woorden: "Hij zegt dat in de zomer ook wel sommige voorjaarsziekten ontstaan, namelijk aan het begin ervan".*)


[ *)  In aphorismos Hippocratis commentarius III (Ven. 1565, vol. 9), 21, fol. 24r, D1.]

[ Ned. ]

[ 342 ]

Ziekte en vochten

Verplaatsing van ziekten door vochten, hoe het gebeurt.

Galenus, fol. 205 [305, lin. 48], bij 'Aphoris.' [6.22]: "Alle pijnen die vanuit de rug afdalen naar de ellebogen worden opgelost met aderlating", en fol. 206 [306, 6.26] lin. 23: "En in het algemeen het wegvloeien van schadelijke vochten uit de slagaderen en aderen naar de zenuwen, zoals weer uit de zenuwen ernaar terug".*)

  Vaker gebeurt dit, mijns inziens, wanneer de vochten nog niet ontsnapt zijn uit de aderen. Hoe zou immers van de zenuwen vocht de aderen binnenkomen door hun nauwe openingen? Tenzij hij misschien met de aderen bedoelt vlezige ledematen en met zenuwen vezelige delen, waarover kort ervoor in dit 6e boek over Hippocrates geschreven is. Op deze wijze worden soms misschien vochten van de ene plaats naar de andere gestuwd.
Maar omdat herhaaldelijk gezegd wordt dat aderlating ze vrijmaakt, zeg ik dat schadelijke vochten vaker nog binnen de aderen en slagaderen blijven, en met hun kwade en scherpe damp ook buiten de kleine aderen steken, en die aderen onmiddellijk prikkelen, zodat ze samen met omliggende delen tot verdrijving overgaan. Als deze schadelijke vochten dus in haarvaten van vezelige delen zijn verborgen, worden ze soms naar adertjes van de vezelige delen gestuwd; als ze hier echter verzameld zijn zoals in een holte, en de vezelige soort door een of andere oorzaak zwak is, worden ze in de adertjes van de vezelige delen gestuwd, en ontstaan sidderingen ['tromoi'] en delirium ['parakopè'].
En deze kwade vochten worden, ook al liggen ze met andere goede door elkaar gemengd, toch apart verdreven, omdat de andere worden verenigd en verbonden met de aderen zelf en delen er omheen, door natuurlijke samenhang en een aantrekkende kracht. En dit gebeurt des te gemakkelijker naarmate de schadelijke vochten, die al een grotere vertering hebben ondergaan, zich afzonderlijk verwijderd hebben van goede sappen, niet meer zoals tevoren door kleinste deeltjes [minima] daarmee gemengd, zodat ze zonder verbinding apart kunnen worden weggedrukt, hangend aan de rest van het bleod.
Wat ik lange tijd geleden elders naar ik meen nauwkeuriger heb uitgelegd°).

  Ter Veren, den 19en October.


[ *)  In aphorismos Hippocratis commentarius VI (Ven. 1565, vol. 9), 22, fol. 48r, D8 en fol. 48v, G1.]
°)  Zie p. 150, 152, 188-189 en 226-227.

Hoge stem draagt soms verder

Waarom een scherpe stem soms verder gehoord wordt.

  Wie bij natuurlijk zingen de stem hoger laten klinken dan eerst, worden van verder gehoord [<]. De reden is, omdat ze de borst sterker indrukken en de adem onstuimiger laten ontsnappen;

[ 343 ]
want, zoals ik hiervoor heb gezegd*), onstuimigheid van geblaas, terijl de organen in dezelfde stand blijven, voegt scherpte toe aan de stem. Om dus niet gedwongen te worden de mond samen te trekken, blazen we onstuimiger uit; we vermeerdern dus het onstuimige geblaas een beetje en trekken de mond weinig samen, geen van beide zoveel veranderend als wanneer het andere onbeweeglijk zou blijven.

Zogenoemde stem "in facet" onderzocht.

  Heel anders gesteld is het, als we van de natuurlijke stem overgaan op de stem "in facet". Dan wordt namelijk het onderste deel van de mond, dat wil zeggen het bovenste deel van de strot, zoals ik heb gezegd [<], meer of minder geopend. Maar wat het is, dat daar minder of meer wordt geopend om dit verschil in stem te maken, of het de keel is, of het strottenhoofd, of iets anders bij die bodem?
Zodra ik meer bedreven zal zijn in de anatomie van de strot, zal ik het duidelijker uitdrukken naar ik hoop. Dit weet ik echter, dat de mond kleiner wordt wanneer we de stem verscherpen, hetzij door hem zichtbaar samen te trekken, hetzij door inwendige spieren te strekken, zodat ze een groot deel van de mond vullen, en er minder ruimte is voor de lucht in de mond.

  Ik heb gezegd dat, bij verwijding van de onderste bodem van de mond, met minder moeite scherper gezongen wordt. Wat blijkt zodra we een zeer lage stem voortbrengen. Dan vernauwen we namelijk die bodem, zoals we begrijpen, omdat we een zeer lage stem niet kunnen voortbrengen "in facet", omdat we, als we het proberen te ondervinden, niets anders dan geblaas voortbrengen, terwijl de keel zo wijd is, dat een krachtsinspanning van de borstkas (die daarvoor kleiner vereist wordt) niet volstaat om de lucht met de zijden zo sterk uit te persen dat een klank wordt gehoord.

  De hoogste stem is "in facet" zwakker en hij wordt minder duidelijk gehoord dan de dichtstbij­zijnde lagere, maar dit is omdat de mond nu zo nauw is, dat er niet genoeg lucht is om hem verder te verspreiden, zoals we bij de kleinste pijpjes zien gebeuren.   [>]


*)  Zie p. 246, 305-306 en 313 [en 340].

Kramp en klemmende deur

Vergelijking van kramp met door damp opzwellend hout.

Galenus, 'eis Aphor.', 6, voorlaatste aforisme, dat is op fol. 215 [315], lin. 22: "door slijm nat gemaakte gewrichtsbanden worden losser".*)

  En elders zegt hij, dat als zenuwen en banden vol zijn, kramp ontstaat. Begrepen moet dus worden dat hij zulke vochten bij kramp bedoelt waarmee, zodra ze in vezelige lichamen zijn gedrongen, plaatsen door warmte klam worden en een grotere ruimte proberen te krijgen en zo het lichaam waarin ze zijn met geweld doen uitzetten.
Zo zijn bij vochtig weer houten deuren moeilijk te sluiten [<], namelijk als er vocht in de poriën komt, dat of door warmte van dit hout of van lucht in de poriën verdund wordt, en door de poriën te verwijden de deur doet uitzetten. Als namelijk het vocht niet verdund zou worden, zouden de poriën niet verwijd worden, daar het zonder geweld naar binnen is gebracht, en de poriën niet meer toelaten dan hun inhoud verdraagt. Zo'n vocht is het slijm ['muxa'], waarover Hippocrates het hier heeft, dat nogal bevochtigt en zacht maakt en zwakkere vezels teweegbrengt, zodat ze uitzetten, niet anders dan zachte was kan uitzetten door de zwaarte van een been, dat er onder het lopen op gaat staan.   [<]


[ *)  In aphorismos Hippocratis commentarius VI (Ven. 1565, vol. 9), 59, fol. 53v, G2.]

[ 344 ]

Bewusteloosheid

Onmacht.

Galenus, 'eis Aphor.', 8, 316, 45: "Gemeenschappelijk bij alle breuken van een gezwel is verslapping en onmacht, wegens afscheiding van levensgeesten"*), te weten, zoals hij eerder heeft gezegd, door bepaalde geopende mondjes van slagaders, die louter als deksel werden gebruikt°).

  Maar zelf voeg ik eraan toe wat ik elders eerder heb gezegd [<], dat een leeggemaakte plaats om reden van vacuüm ook geest [spiritus] aantrekt door de poriën van lichaamsdelen zelf, omdat die lege plaats niet zó snel door omliggende deeltjes weer gevuld kan worden, dat niet veel geest de lege plaats eerder bereikt, en door die deeltjes niet zó dicht afgesloten en bedekt kan worden, dat er niet veel lege holtes overblijven, die meer dan voldoende zijn om veel geest vanuit het hart aan te trekken.


[ *)  In aphorismos Hippocratis commentarius VII (Ven. 1565, vol. 9), 8, fol. 54v, E3.]
[ °)  Ed. 1565, fol. 48v, H7: "ora quarundam vasorum arteriosorum adaperiri ... veluti quoddam operculum", dat mondjes van sommige slagaders worden geopend ... als een soort deksel.]

Tegenstrijdige hypothesen

Waarom verschijnselen te redden zijn met tegengestelde hypothesen.

  Atronomische voorkennis en grootten van hemellichamen en afstanden tot de Aarde enz. worden met zekerheid opgemaakt uit de hypothesen van zowel Copernicus als Ptolemaeus [<].
Waarom geven we dan ook niet toe dat medici hun doelen bereiken bij het genezen van zieken enz., of ze nu de Physica van Galenus, of Paracelsus, of Asklepiades gebruiken? Allen schrijven immers enige algemene regels voor, waarmee ze afzonderlijke verschijnselen insluiten, en als we die regels kennen zijn we voorbereid voor individuele gevallen.

  Laat het onwaar zijn dat de hemel beweegt, laat het onwaar zijn dat de Aarde beweegt, laat het onwaar zijn dat kwaliteiten lichamen zijn, laat het onwaar zijn dat kwaliteiten onlichamelijk zijn, laat tenslotte een of ander principe gesteld zijn waarmee algemene regels kunnen worden gemaakt die waar zijn, we bereiken het gewenste doel. Degenen immers die het niet eens zijn over het eerste onderwerp, zijn het wel eens over het tweede, of over het derde enz., en er zal dan toch een theorema gesteld worden dat overeenkomt met beide hypothesen.

  Veel dingen zijn immers gesteld ver voor het gebruik of het doel van de zaken, waarover zonder schade van het gebruik getwijfeld kan worden. Iedereen gaat immers van zijn eerste principes naar het doel, dat wil zeggen in individuele gevallen, die voor ogen verschijnen.
En in de eerste principes verschillen we het meest van elkaar, maar zodra we dichtbij het gebruik komen, dat wil zeggen wat aan de blik wordt onderworpen, is het noodzakelijk dat allen overeenstemmen, die in individuele gevallen overeenstemmen. Dus over wat niet ver daarvan verwijderd is, wordt niet zeer getwijfeld, op de manier waarop verschillende mensen uit verschillende dorpen in één stad samenkomen: hoe dicht ze immers bij die stad komen, des te dichter ze zich ook bij elkaar aansluiten.


[ 345 ]

Ontstoken ingewanden, kokend water

Waarom bij ontstoken ingewanden de buitenste delen afkoelen.

Galenus, 'Epidèmiôn' 1 2, 363, 27: "Door kennelijke ontsteking van de ingewanden bij aanvallen wordt het moeilijk de uiterste ledematen te verwarmen".*)

  Te weten om twee redenen. Namelijk hetzij omdat de uiterste ledematen de ingewanden te hulp komen, door hun geesten [spiritus] met bloed erin te brengen, hetzij op de manier waarop juist kokend water de bodem van het vat, dat op het vuur staat, veel kouder maakt dan wanneer het nog niet kookt.
De grootste warmte bovenin het vat neemt namelijk de dunnere delen van het water met zich mee, niet alleen die welke op het wateroppervlak zelf met de lucht in contact zijn, maar veeleer die, welke iets onder dat oppervlak zijn verborgen, de grootste hevigheid van warmte opnemen, niet blootgesteld aan contact met de lucht.

Waarom de bodem van de pot afkoelt als het water kookt.

  Zodra dus die dunnere delen vervlogen zijn, volgen noodzakelijk dunnere lichamen in de lege plaatsen of poriën, zoals vuur zelf zo'n lichaam is, en dit stijgt door de poriën van de bodem snel naar de grotere poriën van het water; en hoe groter de warmte is aan het wateroppervlak, des te meer water er verdund wordt en des te sneller en overvloediger het vuur uit de bodem van het water en van het vat gaat, waardoor die op verschillende plaatsen minder kokend is.
  Noch al ter Veren.

  Maar waarom, terwijl het binnenin heet is, verspreidt het vuur zich niet, het oppervlak verwarmend, daar niets warm is of brandt zonder een vuurlichaam van zich te geven, en hoe meer het brandt, des te meer warmte er van uitgaat — waarom maakt dus die warmte de uiterste ledematen niet warm?

  Ik antwoord dat grote warmte de vuurmaterie zo verdunt, dat ze van zo dunne delen wordt, dat ze door poriën van de huid en van vlees kan gaan, bijna zonder contact of beschadiging, zodat wegens de dunheid niets van het vuur aan vlees vastgehecht kan blijven hangen.
Bovendien is vuur zo ijl, dat de deeltjes ervan verder van elkaar verwijderd worden; maar de deeltjes die warm maken bevatten dicht vuur. Doch dit vuur is dus ijl en heel snel doorgaand wegens de grote hoeveelheid. Waardoor het komt dat het niet beschadigd wordt, en vlees niet verwarmt.

  Ter Veren, Saterdagh [2 nov.].


[ *)  In primum Hippocratis de morbis vulgaribus commentarius II (Ven. 1565, vol. 4), 28, fol. 110v.H.]

Ramus

Galenus, 'Epid.', 383, 25,*) bevestigt de mening van Ramus°), waar hij ondeelbare zaken soorten noemt, zeggend: "over de ondeelbare soorten" en even ervoor: "van iedere soort op zijn beurt".
— Dynsdaeghe.

Vochten

Hoe vochten vertikaal bewegen.

Ibidem, 386, 12:#) "er was wel pijn aan de linkerlies, want deze is aan dezelfde kant als de milt".

  Hier geef ik een reden waarom de vochten veeleer vertikaal wegvloeien dan in een andere richting, aangezien ze nog in de aderen zijn en noodzakelijk door de holle ader gaan, waar­vandaan de weg naar de linkerlies niet méér voor de hand ligt dan naar de rechterlies.


[ *)  In primum Hippocratis de morbis vulgaribus commentarius III (Ven. 1565, vol. 4), 17, fol. 120v.H.]
[ °)  P. Rami Dialectica (1573), p. 161: "De bijzonderste soort, die niet te verdelen is in andere soorten". Beeckman noemde eerder de 'Logica' van Ramus, zie p. 295.]
[ #)  Ed. 1565, fol. 122r.B9.]

[ 346 ]
  Dus zeg ik dat, met het lichaam van de milt gespannen, ook alles gespannen wordt dat daarmee verbonden is door lichaamsdelen en welke banden dan ook. Doch de delen aan de linkerkant zijn meer daarmee verbonden, dus werden ze ook meer dan de overige gespannen. En in gespannen toestand drukten ze bloed weg en stuurden ze dit naar de holle ader en naar adertjes aan de rechterkant, zodat die meer dan tevoren gevuld werden; als de milt echter vochten wegstuwt naar de holle ader, blijven delen aan de linkerkant met de milt niet gespannen, en komen de linkeraderen weer op hun oorspronkelijke inhoud,
Waardoor het komt dat het vocht, dat uit de milt naar de holle ader ontsnapt en wegens de kwade aard overal verdreven wordt, niet in de rechteraderen, die voller zijn, maar in de linkeraderen wordt opgenomen, die wegens vacuüm het opgestuwde vocht opnemen. Op deze wijze zie je dat de vochten vertikaal draaien, te weten wegens de spanning van delen aan een zelfde kant (die over het algemeen meer met elkaar verbonden zijn); maar aderen die eerst zijn samengeperst, verwijden zich daarna.
  Ter Veren, Dynsdaeghe.

Wanneer urine geen bezinksel heeft.

Ibid., 401, 1:*) "Urine die geen bezinksel heeft geeft aan dat de dikte groter is dan die van winderige troebelheid van onverteerde vochten", te weten dat lucht, wind, of warmte gemengd met taaie vochten, zo sterk erin is bevat, dat deze het vocht niet kan verlaten door eruit te gaan, om zonder dat vocht te dalen tot onderin de urine.
Maar zodra de vochten verdund zijn door vertering, zwichten ze voor de warmte, die ze bevatten en die wil opstijgen, en worden ze zonder moeite in kleinste deeltjes verdeeld.. En zo, zonder warmte en vluchtige stof, voegen ze zich samen als bezinksel.
— Donderdaeghs, ter Veren.

[ *)  In tertium Hippocratis de morbis vulgaribus commentarius I (Ven. 1565, vol. 4), 5, fol. 131v.F1: "Quae vero non subsidunt, ultra flatuosam turbationem crassitiem esse inconcoctorum humorum significant".]

Windrichting

Reden dat winden niet slechts in één richting waaien.

  Soms is het zo dat de wind niet overal vandaan waait, maar slechts naar één kant, en dit is zo omdat de lucht, damp enz. slechts bij één uiteinde verdund wordt. Het verdunde kan namelijk niet in dat deel van de lucht dringen, dat nog bezaaid is met die dikke dampen, maar al het verdunde vliegt door een gebied van dunnere lucht, op de manier waarop buskruit, een vlam, rook van een bol, alleen door één enkele opening naar buiten gaan, daar de zijden van het kanon en de achterkant zijn afgesloten door een dikke substantie, die het buskruit niet kan doorboren.
Zo valt de wind ook van de wolken neer, als alleen het onderste deel van de wolk verdund is; zo onstaat niet zelden een hevige werveling.

  Den 10 November te Middelb., occasionem praebente [naar aanleiding van] cap. 6 libri Drebbelij Alcmariensis, gedruckt te Haerlem, Van den natuyre der Elementen, int Duytsch*).


*)  Cornelis Drebbel [>], Een cort Tractaet van de Natuere der Elementen ende hoe sy veroorsaecken den Wint, Reghen, Blixem, Donder, ende waeromme dienstich syn. (Haarlem 1604).
[ 1621 (facs. + txt);  Duits: 1608bespreking in: H.A.M. Snelders, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland, deel 1, p. 44-47].

[ 347 ]

Gelijke en tegengestelde

Gelijke geholpen door gelijke, en tegengestelde verbeterd door tegengestelde.

Galenus, 'eis to Peri phusios anthrôpou hupom.', 2, 17, 34*): "Het is te weten dat de medicus het tegengestelde moet plaatsen tegenover vastgestelde ziekten", enz.

  Hierbij kwam mij weer in gedachten, waarom degenen die zijn geboren als warm, door koude dingen verkwikt worden, terwijl vissen, die van nature koud zijn, het slecht hebben in water, dat in warmte zoveel afwijkt van goede menging ['eukrasia'] als ze zelf ervan afwijken in koude.

  Ik zeg dus dat in elke soort datgene goed gemengd is, waarvan alle werkingen enz. van alle ondeelbare het best zijn. Zo is een zeker iemand het meest gematigd; mensen echter die van deze gematigdheid verwijderd zijn, worden geholpen door tegengestelde.
Een of andere leeuw is het meest gematigd, weliswaar veel warmer dan een mens; leeuwen echter, die van deze gematigdheid verwijderd zijn en die in gematigdheid gelijk zijn aan een mens van goede menging, worden geholpen door warme dingen, ook al is er naar gewicht de gematigdheid van een mens.
Zo is er een soort vis die het meest gematigd is en veel kouder dan een mens, en daarom wordt die door veel koudere dingen verkwikt dan een mens.
En een bejaarde is kouder dan zichzelf en een mens van goede menging.

  Als echter een zenuw van een mens met goede menging naar gewicht warmer wordt, moet deze genezen worden met koude dingen. Maar toch wordt een gezonde zenuw meer gekwetst door koude dingen, op de manier waarop kleinde diertjes door de winter geheel en al verdelgd worden: daar een zenuw namelijk een kouder deel is dan de hele mens, is hij gewend in de buurt te zijn van warmere dan zichzelf en verdraagt hij hun aanwezigheid goed.
Als dus iets naar de zenuw toe wordt gebracht, even koud en de zenuw zelf wordt beïnvloed, wordt deze door te veel en ongewone koude gekwetst. Dus zelfs iets dat gelijk is aan de zenuw verkwikt de zenuw niet; des te meer zal dan iets dat kouder is hem kwetsen.

  Doch vlees is, daar het warmer is dan het geheel, gewend bij koudere dingen te zijn, en daarom kwetst iets dat kouder is dit niet; ja zelfs als een of ander geneesmiddel, kouder dan de hele mens, erbij wordt gebracht, zal het een zenuw meer kwetsen dan vlees, omdat vlees erop voorbereid is koudere dingen te verdragen, een zenuw echter warmere, geheel op dezelfde manier als dat ons lichaam in de zomer meer gekwetst wordt als er plotseling een koude invalt, dan wanneer de lucht plotseling zou veranderen in een evenveel warmere: in de zomer is het lichaam immers voorbereid om warme dingen te verdragen, niet koude.
Zo worden ook de poriën van een zenuw wegens de gebruikelijke warmte, naar zijn aard groter, meer geopend dan de aard ervan met zich mee zou brengen, als hij bij zijn gelijke zou zijn; de poriën van vlees echter worden meer gesloten dan de aard ervan doet vermoeden.
Waardoor het komt dat een zenuw koude toelaat die vlees niet binnengaat; niet omdat precies dezelfde koude die een zenuw binnengaat, vlees niet kan binnengaan, maar omdat er bij een zenuw een grotere koude binnengaat dan hij verdraagt, bij vlees echter een kleinere, en daarom verwerkt vlees zonder moeite deze kleinere warmte; een zenuw wordt echter door grotere koude beïnvloed, ook al is deze grotere koude van de zenuw in werkelijkheid kleiner dan de kleinere koude van het vlees.
Maar kleiner wordt tenminste genoemd de warmte die kleiner is dan het uit zichzelf zou toelaten, als het niet bij een kouder lichaam zou zijn; de koude van een zenuw echter die ze dan toelaten, is groter dan ze zouden toelaten, als ze voortdurend bij hun gelijke zouden zijn.

  Tot Veren, Vrydage, den 15en November.


*)  Tekst niet van Galenus, maar van Hippocrates, zie 'Hippokratous Peri phusios anthrôpou Biblion kai Galènou eis auto hupomnèma b' (Hippocratis de Natura hominis Liber et Galeni in eum Commentarius II).  [Ed. Ven 1565, vol. 8, fol. 181v.E7.]

[ 348 ]

Voeding

Waarom we ons 's winters beter voeden met iets warms.

Galenus, 'eis Hugiein. diait.', 29 [r. 53]: "In de winter wijn drinken die zo zuiver mogelijk is".*)

  Het zou raadzamer lijken koudere dingen onder het oog te brengen, omdat de ingewanden warm zijn. Maar de lichaamsdelen zijn zelf kouder in de winter dan in de zomer. En in de winter wordt alle warmte van delen die er is, die in de ingewanden blijft steken, bewaard en die wasemt niet uit. Maar in de zomer zijn de delen zelf warm, en al hun warmte vervliegt wegens de poreusheid van het lichaam uit de ingewanden. In de winter wordt voedsel dus het best verteerd; vertering en eveneens warme dingen in de ingewanden helpen daarbij: koude delen voeden zich immers graag met warme dingen.

Waarom warme dranken passen bij vermoeiden.

  Maar als iemand warm is geworden door vermoeidheid, laat die dan niet iets drinken zoals in de zomer gedronken moet worden, maar zoals we in de winter drinken, dat wil zeggen warmer dan we op dezelfde tijd zouden drinken als we niet moe zouden zijn; want slechts inwendige warmte wordt naar buiten verplaatst, en de delen zelf en de ingewanden laten die warmte gaan, die naar de spieren en buiten het lichaam wordt gebracht, hoewel ze die anders zouden hebben behouden. Ze hebben dus herstel van warmte nodig; en hier is de warmte ten gevolge van vermoeidheid op geen enkele manier te vergelijken met de warmte van de zomer.

  Ter Veren, den 16en dito.


*)  Ed. Basel 1538, Quinta Pars, p. 29, r.2-53.
[ Ed. Ven. 1565, vol. 3, Galeni in librum Hippocratis De salubri diæta commentarius (Over gezond dieet), fol. 39v.H12.]

[ Ned. ]





Home | Isack Beeckman | 1619 v c (top) | vervolg