Home | Beeckman | < Vertaling > | Brontekst | Index

Rijp , vermogens , kolos , wonden , stem , muziek , Maillart , bronnen , tonen , winden , polsslagteller


Isack Beeckman - 1618 v


[ 167 ]   16 maart 1618

Rijp

Rijp, aan welke dingen hij gewoonlijk kleeft.

  "Den 16en Meerte", het zesde uur 's morgens, had rijp de Veerse weg*) bedekt, maar niet de stenen, en ook niet de beschermde wegen, wegens gladheid en drukte. Waardoor het komt dat daarvan een heel licht waasje wordt afgeveegd. Hout is echter poreus en warmer; misschien is er ook rijp aan blijven hangen. Gras is ook oneffen. Wat vochtiger was, had de rijp gesmolten. Kuilen zijn mestal vochtig en warm, dus daarin smelt hij.   [>]


*)  De weg van Middelburg naar Veere, waar broer Jacob woonde.
[ Diens vrouw was op 14 maart 1618 overleden, zie T. 4, Add. et corr., p. 314].


Draaien

Hoe draaikolken ontstaan.

  Wat is de oorzaak van de draaikolken in zee en woest water, die bij getijdenstromen de aandacht trekken, bij voorbeeld in Veere, rond het havenhoofd?

  Wat draaikolken betreft, als je in een kom vol water een stok snel langs de randen beweegt, zul je zien dat het water zich in het midden neerdrukt en op dezelfde wijze kolkend ronddraait. De reden wordt ontleend aan de beweging: niets beweegt immers in het rond, als het niet om een middelpunt heen gevoerd wordt, zoals de Zon, die van nature niet verder van zijn middelpunt kan wijken. Geen wonder dus: eenmaal bewogen altijd in beweging [<].

Steen in draaiend wiel gezet, valt niet.

Zo blijft een houten schijf, in beweging om zijn middelpunt, bewegen, omdat een wiel aan alle kanten even zwaar is, of het nu spaken heeft, of massief is. Maar als je een steen buiten aan het wiel vastbindt en enige keren daarmee rond draait, en tijdens de beweging plotseling losmaakt, zal hij niet cirkelvormig bewegen, maar in een rechte lijn naar de plek, waarnaar hij gericht was op het moment dat hij losgemaakt werd [>].
Vandaar ook dat een steen, in een wiel geplaatst, niet ontsnapt aan de beweging, omdat hij altijd rechtdoor wil, en tegen de binnenkant van het wiel drukt.


[ 168 ]
  Hetzelfde gebeurt bij het bewegende komwater. Want de stok beweegt wel druppels in een ronde baan, maar vrij van de stok willen ze rechtdoor, en botsen ze tegen de wand van de kom, en daar bewegen ze na de botsing langzamer, en daarom hopen ze zich op. En om die reden is het hoger bij de wand dan in het midden: want wat zich daar ophoopt, dat komt erbij uit het midden.
Zo'n erbijkomen, namelijk van water, zul je zien als een rivier in snelle loop tegen een muur stroomt, of als je zelf een emmer water naar de muur "over de vloer giet".*)

  Ga hier van uit bij de draaikolken in zee. Want aangezien de Veerse zee uit het Noorden aankomt, en zijn loop bij het noordelijke havenhoofd voortzet, vloeit niets van die stroom de stad in, want hij stroomt de haven voorbij, en hij neemt daar zeker iets uit mee wegens de snelle loop. Het is dus noodzakelijk dat uit het zuiden komend water de haven weer vult op die plaats, waar de loop zich breder uitspreidt bij verdere voortgang; wat we ook hier in Middelburg zien dichtbij ons huis, wanneer er water uit het molenhuis stroomt°).
Het water stroomt dus beurtelings naast zichzelf heen en weer, waardoor het komt dat wat tussen deze twee stromen is, in het rond gedraaid wordt: het gaat immers aan de buitenkanten ervan naar tegengestelde windstreken, en het beweegt zoals een wiel om zijn middelpunt.

Draaikolken bestaan uit glad water dat niet stroomt.

  Woestheid ontstaat omdat het water in de stroom zelf hoger is, en hoewel het niet van zijn baan afwijkt naar de kanten, wordt er toch op gedrukt door water beneden in de stroom, dat noodzakelijk als het ware uit de bodem opstijgt aan beide kanten van de stroom; dit opstijgende water komt, daar het nog niet door wind of stroom in beroering is gebracht, vlak en glad aan het oppervlak te voorschijn, zoals blijkt tussen het havenhoofd en de stroom. Van de andere kant ontstaat eenzelfde stroom, omdat daar de zee het eerst hoger wordt.


[ *)  In het origineel staan de laatste 4 woorden in het Nederlands.]
°)  De Beeckmans woonden in Middelburg aan de Hoogstraat bij de Nieuwe Haven waar toen een watermolen stond.

Wijn en water

Wijn wordt slechter als je er wat water ingiet, en water verandert niet in wijn.

Fernel, de Elementis, cap. 7 *), zegt dat een kruik water niet mengt met duizend kruiken wijn, maar dat het vergaat en er iets nieuws ontstaat.

  Waaruit zou volgen dat water wijn wordt. Maar dit gebeurt niet: als immers de wijn niet slechter is gemaakt door menging met weinig water, zal die dezelfde krachten hebben, na toevoeging van het eerste; dan zal met weer weinig water erbij de wijn zijn oorspronkelijke krachten behouden, en zo zal die met water tot een oneindige hoeveelheid wijn vermeerderd kunnen worden, wat in strijd is met de ondervinding. De eerste toevoeging is dus geen voortbrenging te noemen, maar echte menging, al is deze onwaarneembaar.


*)  Fernel, Physiologiae Libri VII (Franckf. 1581), Liber II: de Elementis [p. 111].
[ Ed. Lugd. 1602 (in Cat. 1637, Med.f.1): p. 74, r. 26.  Liber III: de Temperamentis , IV: de Spiritus et innato calido , V: de Animae facultatibus , VII: de Hominis procreatione.
John M. Forrester (transl.), The Physiologia of Jean Fernel (1567), Phil. 2003, p. 209.]

[ 169 ]   16 maart - 30 april 1618

Samengesteld

Elementen blijven in het samengestelde onaangetast.

Fernel, de Elementis, cap. 4  [Engl.] zegt: als substanties niet aan verandering onderhevig zijn geven ze niets samengestelds dat ervan verschilt, en hij lijkt te bedoelen ook geen pijn enz. waarover Hippocrates*). In het volgende cap. 8  [Engl.] en Lib. III, de Temperamentis, cap. 1 en 2  [Engl.], lijkt hij duidelijk te bewijzen dat de substanties en kwaliteiten van de elementen in het samengestelde onaangetast gehouden worden en zich slechts met elkaar verenigen.


[ *)  Genoemd in cap. 5, p. 71, r. 39-43; Engl.]

Warmte

Of aangeboren warmte verschilt van de elementaire.

Fernel, de Calido innato, cap. 1  [Engl.], bewijst dat deze verschilt van het temperament van de elementen, omdat ze met de dood vergaat.

  Tot die tijd echter duurt ze voort. Maar omdat we zeggen, dat een levend wezen beweegt zolang het leeft en dat door beweging de inhoud verdund wordt, dat de verdunde substantie van zwavelige aard is, dat dit warmte is die zonder beweging niet meer ontstaat, ik bedoel de beweging van het hart; misschien komt de beweging wel van een geschikte opstelling en bekwaamheid van delen op een andere plaats.

Vermogens

Of vermogens in soorten of delen te verdelen zijn.

Fernel, de Facul., cap. 2*), stelt een onderscheid tussen vermogens en delen, en hij noemt de natuurlijke ziel, de voelende en de intelligente: delen van de redelijke ziel of van de mens; maar het strevende, met denken verzinnende, van plaats bewegende, en met dezelfde rede ziende, horende, daarvan zegt hij dat het geen delen zijn, maar vermogens van één enkelvoudige voelende ziel. Zo zegt hij dat soorten, niet delen, van natuurlijke vermogens zijn: het voortbrengende, voedende en vermeerderende.

  Maar daar de ziel van de mens enkelvoudig is, waarom was het natuurlijke dan veeleer dit deel, dan zijn voedende? Als het voedende vergaat, vergaat het natuurlijke, evenals wanneer dit ontbreekt, het redelijke ontbreekt.

  Zo zegt hij dat het vormende een deel is van het voortbrengende, niet een soort. Wat in die zin waar is, dat volk en senaat burgers worden genoemd als soort, terwijl praetor en consul nog niet een soort zijn, maar delen van de senaat, omdat ze een verzameling aanduiden; burgers zijn echter afzonderlijke burgers.
Zo duidt een vermogen vermogens aan. Het voortbrengende omvat er tegelijk twee samen: het voedende en het vormende, die anders gezegd tot soorten worden teruggebracht, zoals sommige vermogens dienen voor de voeding, andere voor de voortbrenging. En van de vermogens die het voortbrengende bedienen zijn soorten: het voedende en het vormende.

Gelijkheid van geheel en soort.

Er is dus geen ander verschil tussen soort en geheel, dan dat de soort er telkens één afzonderlijk, het geheel ze echter samen aanduidt. En het zal voor niemand moeilijk zijn het ene in het andere om te zetten naar wens, als maar woorden zijn te verzinnen, waarvan sommige doelen op dingen samen, andere op dingen apart.

  Dus de ziel van Pieter wordt, daar ze iets individueels is, noodzakelijk slechts in delen verdeeld. En die moeten zijn een natuurlijk, een voelend en een redelijk deel — of ziel, zo je wilt — ze bevat al het natuurlijke samen en is daarom weer slechts de enige, en te verdelen in een voortbrengend, een voedend en een vermeerderend deel; of ze bevat al het afzonderlijke natuurlijke tegelijk, niet anders dan 'dier' bevat: mens en beest.


*)  De Animae facultatibus, boek 5 van Physiologia, zie p. 171 van ed. Frankf. 1581.
[ Ed. 1602: p. 114, r. 9.  Engl. 1916: p. 307.]

[ 170 ]
Op deze wijze is het voortbrengende een soort van de ziel, of van natuurlijk deel of vermogen; op dezelfde manier zal het vormende zowel lid als soort zijn van het voortbrengende. Als je echter niet de ziel van Pieter verdeelt, maar zijn vermogens, zal het gaan om het algemene vermogen van de mens. Dit wordt verdeeld in drie soorten; in delen echter als dit vermogen integraal gesteld wordt, alle andere samen omvattend, en het wordt genoemd menselijk leven. Van dit leven zijn er namelijk drie delen, het natuurlijke enz.

  Waaruit volgt dat al het individuele alleen in leden worden verdeeld, het algemene echter in leden en soorten. Dat 'dier' immers, als het mens en beest samen aanduidt, zodat mens alleen niet dier is, en ook niet beest alleen, maar slechts beide tegelijk dier genoemd worden; dan zal dier iets individueels zijn, en de delen en leden ervan mens en beest.

Dierlijke ratio?

Of er enige rede is in beesten.

Fernel de Facult., cap. 19  [Engl.], zegt dat redelijk streven, wil genoemd, alleen past bij de mens*).

  Maar aangezien woede°) zich nooit laat onderdrukken zonder rede, en er bij beesten soms een aanleiding is om boos te worden, en ze soms toch niet boos worden; wanneer ze namelijk iets gedaan hebben dat ze, door de praktijk ervan onderricht, als slecht beoordelen, raken ze terneergeslagen en worden ze niet boos, maar vluchten ze, alsof ze vinden dat ze zweepslagen verdienen. Als ze een andere keer echter onverdiend geslagen worden, lijken ze dit ontegenzeglijk als onverdiend op te nemen en met recht boos te worden en hun terechte woede of droefheid duidelijk te tonen. Aangezien, zeg ik, dit zo is, waarom wordt woede dan alleen aan wilde beesten toegekend?

  Merk op: het streven wordt redelijk genoemd, als bij het wegnemen van de aanleiding de woede niet tot uitbarsting komt. Want wat houdt een dier af van woede, als het niet de rede is? Ook bij beesten lijkt dus de rede de woede te beïnvloeden, maar zeer duister is de twijfelachtige die redeloos genoemd kan worden.


*)  Al in de Oudheid was er discussie over de vraag of dieren ook 'logos' hebben. Gomez Pereira (1554) en ook Descartes (waarschijnlijk al in 1619) zeiden: nee. [ Stevin zegt in zijn Bewysconst dat "de Reden het merckelickste onderscheyt is, daer in de Mensche vanden Beesten verschilt".]
[ °)  Origineel: Gr. 'thumôsis', zoals bij Fernel, die het als niet-redelijk streven geeft, samen met 'cupiditas', begeerte.
Engl. 1916, p. 606, n.4: "not classical Griek, but used in Cicero, Tusculan Disputations, 4.9.21".]


Kolos

Waarom de kolos van Rhodos alle stormen doorstond en alleen door een aardbeving viel.

  "Melchior*) de Steenhouwer te Breda, aldaer synde", zei me dat hij zich erover verwonderde dat de kolos van Rhodos°) zo lang alle stormen en botsingen van schepen heeft kunnen doorstaan, terwijl hij maar op twee voeten stond.

  Ik heb geantwoord dat deze kolos in de vorm van een man heel goed in verhouding was gebouwd, zoals de regel was bij een afbeelding van een mens voor alle schilders, en beeldhouwers enz. Waaruit volgt dat beelden zoals tegenwoordig de onzen overal gewoonlijk maken, even goed bij een kleine kracht konden blijven staan: de voeten van een mens zijn lang en breed genoeg om hem zonder vasthechting staande te houden.

  Ten tweede, daar de kolos gemaakt was van metaal, was het noodzakelijk dat eenzelfde kracht hem minder bewoog dan wanneer hij van hout zou zijn gemaakt, met dezelfde grootte, omdat zwaardere gewichten, die hetzelfde oppervlak hebben als een lichter gewicht, meer weerstand bieden: zo is een houten bol immers ook door een kind in beweging te brengen, of door één vinger van ons; maar als die van ijzer was en op hetzelfde oppervlak zou liggen, zou hij zelfs niet door een man kunnen worden bewogen.


[ *)  Melchior van Herbach, geb. 1579, maker van de stenen poort van de Vleeshal te Breda, 1617.]
[ °)  Vgl. het lofdicht van Jan de Groot op de Weeghconst van Stevin.]

[ 171 ]
  Ten derde moet de grootte verbazend veel toevoegen aan die standvastigheid. Want aan wiskundigen is bekend hoe de verhouding van oppervlakken tot vastheid verandert met de grootte van lichamen. Aangezien dus de kolos wonderbaarlijk groot was, had zijn oppervlak een heel kleine verhouding tot de vastheid*); en vastheid is de oorzaak van standvastigheid, de wind slaat echter tegen het oppervlak als handvat voor beweging. Zo worden brede en niet vaste dingen makkelijk door de wind overwonnen, zoals het weinig scheelt, of een ijzeren plaatje drijft op water.

  Het was dus maar een kleine kracht die de kolos kon treffen; dan heeft hij op deze wijze onbeweeglijk alle botsingen zo lang kunnen verdragen, totdat hij tenslotte neerviel toen er een hevige aardbeving kwam.
Het principe is bij een aardbeving namelijk anders dan bij een storm en andere aanstotingen: dat is namelijk een zeer grote kracht, die plotseling de hele aarde en het voetstuk zelf van de kolos hevig schudde, zodat door het hellen van dit voetstuk de kolos noodzakelijker­wijze ook scheef ging staan. In scheve stand echter is hij, veel eerder dan kleinere lichamen door de zwaarte neergevallen, op zo'n manier dat, als vastgehechte voeten hem niet op het voetstuk konden houden, of er niet een bout is afgerukt, of het voetstuk niet is meegesleept, de benen zelf van de kolos wel zouden zijn gebroken.

  30 April 1618.


*)  Zie hiervoor p. 31 en 117.

Zaad

Of aderen zaad kunnen voortbrengen.

Fernel, Phis. Lib. 7, cap. 2, neemt aan dat aderen in staat zijn zaad voort te brengen, omdat in zaadaderen voor de zaadballen zaad zit. Maar als het waar is dat, zoals hij zelf vermeldt, de zaadballen deze materie uit het hele lichaam aantrekken, is het noodzakelijk dat die bij de zaadballen samenkomt, en hoe dichter daarbij, des te ruimer ze aanwezig is en daarom des te meer zichtbaar. Want wat verspreid zit in alle aderen, is in deze dicht opeen verzameld.

  Maar je zult zeggen dat dit wel waar is als meer aderen daar samenkomen; maar hier bevat een sperma-ader, als enige, aan de ene kant meer, aan de andere kant minder zaad.

  Ik antwoord: Als er geen zaad wordt gevonden op de laatste plaats ervan, dat is in een testikel, zorgen de laatste overblijfselen van voedsel ervoor dat het genoemde zaad geheel in de zaadballen wordt bijeengebracht, zodat aan het eind van een zaadvat niet meer zaad wordt gezien dan aan het begin; maar als een zaadbal hoe dan ook gevuld is, noodzaken ze deze materie bij inkomst van de zaadbal halt te houden en bloed, dat daar eerder was, terug te gaan naar de plaats, waar deze materie samengekomen was, en dit in de plaats van bloed.
Ja zelfs is het niet vreemd, wegens de vele kronkelingen van de vaten, dat deze materie daarin langer blijft zitten en langzaam naar de zaadballen gaat, door de bochtigheid van de weg, zodat bij de zaadballen zaad is te zien, terwijl die nog niet gevuld zijn.

  Het is dus niet nodig te stellen dat aderen bloed veranderen in zaad.


[ 172 ]   30 april - 25 juni 1618

Holle afbeelding

Afbeeldingen op een hol glas het volmaaktst.

  Gevraagd is [<] of gebouwen beter optisch worden afgebeeld op een vlak of op een hol glas, als het oog in het middelpunt is. En het antwoord is dat ze oop zo'n vlak glas nauwkeurig worden afgebeeld, op de manier waarop ze gezien worden. Maar op een hol glas worden alle rechtopstaande zuilen krom afgebeeld; die verschijnen dus niet werkelijk voor het oog.

  Ik zeg echter dat ze wel zo verschijnen. Want als iemand naar een heel hoge rotswand of toren kijkt, en bedenkt dat er vanaf de top ervan een steen neervalt, zal hij menen dat die dichtbij de voet van de berg zal vallen, maar op enige afstand ervan zal hij, evenals iemand die er dichtbij staat, vluchten voor de steen, vrezend dat die op zijn hoofd neerstort, ook al valt de steen loodrecht. Er is nog een berg in Spanje, die degenen die nog wel zeven mijl er vandaan zijn lijkt te bedreigen.
Dit alles laat een zichtbare kromming zien. Kortere zuilen hebben echter geen merkbare kromming; zo worden ze op zo'n hol glas ook niet merkbaar krom afgebeeld. Op een klein hol glas zullen ze immers zeer kort zijn, op een groot hol glas veel rechter. Op het eerste is het dus de kortheid, op het tweede een grotere rechtheid, die een merkbare kromming van het afgebeelde wegneemt.   [>]

[ Ned. ]

[ 173 ]

Roet

Roet door het hart naar de longen gestuurd, waarom het niet wordt teruggetrokken.

  Misschien zal iemand vragen, wanneer de medici zeggen dat roet*) door gladde slagaders uit het hart wordt gezuiverd en dat daar doorheen op zijn beurt zuivere lucht uit de long wordt gehaald: waarom wordt veeleer zuivere lucht er uitgetrokken, dan dat het al gezuiverde roet terugkeert, terwijl beide in de long blijven hangen? En verder: waarom wordt door oneffen slagaders°) veeleer roet verdreven dan al eerder aangetrokken zuivere lucht?

  Ik antwoord dat uit het hart verdreven roet nog in beweging is en door de long rechtstreeks van de slagaders af wordt bewogen, terwijl de zuivere lucht in rust is.
Zo houdt ook de bij de ademhaling aangetrokken zuivere lucht, als hij pas in de long komt, nog sporen van beweging en zo dringt hij verder de long binnen; terwijl het roet in rust is, of veeleer de beweging die het van de gladde slagaders had gekregen behoudt, en een uitweg zoekt, zodat het niet kan terugkeren naar die gladde. Maar omdat het ervan weggaat, komt het bij de ingangen van de oneffen slagaders, ja zelfs al zou het geheel in rust zijn.
Onder druk gaat roet toch makkelijker de slagaders in dan zuivere lucht, die zich nog ervan verwijdert door de beweging die hij kort ervoor had.


[ *)  Lat. 'fuligo', roet, hier in de betekenis van dierlijk vet, (zoals door Beeckman voor kaarsen was gebruikt, zie p. 35).  Maar in The Physiologia of Jean Fernel (2003), p. 519: 'smoky refuse' voor 'excrementum fumosum' bij Fernel; wel op p. 512: "excrementa quae plena sunt fuliginis".]
[ °)  Hier ook 'bronchi' voor 'asperae pulmonum arteriae', en op p. 95 voor 'asperae arteriae' (lib. I, ch. 8, met n.97: The so-called "rough arteries" op p. 618).
Op p. 95 en 517: 'trachea' (luchtpijp) voor 'aspera arteria'.]

[ Ned. ]

[ 174 ]

Kokend water

Water onmiddellijk voor het koken heter dan wanneer het kookt.

  "De brouwers seggen, dat het water heeter is rechts eert syt, dan alst in de soo is."

  Wat overeenkomt met wat ik heb geschreven [<] over vuur dat in water doordringt en zich met water vermengt, totdat het zich een weg heeft gebaand naar het oppervlak, en zo, als dit ook doorboord is, makkelijker wegvliegt.

[ 175 ]
Niet anders dan water makkelijker stroomt over een bevochtigd vlak, dan over een niet bevochtigd vlak; en wanneer het dit eenmaal heeft bevochtigd, op een veel dunnere, dat is smallere draad, loopt het af in een stroom, zodat er niet zoveel water onderweg is, als toen het vlak nog niet vochtig was.
Zo blijft het vuur in het begin ook meer steken in het water, en hiervan komt het dat de bodem van kokend water niet heet is en dat eieren die in kokend water worden gelegd, niet zo snel hard worden, omdat het vuur zoals gezegd minder bljft steken: als ze echter voor het koken in het water worden gelegd, worden ze veel sneller hard, wat met een proef te bewijzen zal zijn.

Papier vouwen

Vouw in papier is rechtlijnig.

papier met vouwen   Als je papier vouwt, zal er noodzakelijk een rug zijn, dat wil zeggen een gemeenschappelijke lijn, een rechte lijn; want er zijn twee punten a en b. Als je dus wilt vouwen volgens de kromme lijn agilb, zal het nodig zijn dat gdei past op gic, en iefl op ilc, wat niet kan.
Maar als je vouwt volgens de rechte ab, zul je aan de andere kant een gelijke figuur adefb maken.

  Waarmee de rechtheid van lijn ab zonder moeite wordt bewezen.

[ Ned. ]

[ 176 ]

Ronde wonden

Waarom ronde wonden moeilijker te genezen zijn.

Guido, Tract. 4, Doct. 1, cap. 1,*) segt: "ronde ulceratien syn quaet om cureren". Wat in de eerste plaats over wonden gezegd wordt.

  De reden wordt door velen gegeven, ik leg het echter geschikter uit op deze wijze. De genezende oorzaak is de natuur, die aan beide kanten van het oppervlak van de wond in het vlees zit. Hoe groter dus de verhouding is van het oppervlak tot de omvang van het binnenste, des te gemakkelijker is de genezing; maar van de omtrek is de verhouding tot de cirkel kleiner dan van de omtrek van die figuur tot zijn vlak, dus van wonden met gelijke omtrek geneest de ronde het moeilijkst.

  Bovendien, als hij nu rond is, breidt de wond zich uit, en wordt hij langwerpiger, als een soort muntblad. Ik zeg dus dat een ronde wond, vergroot tot een soort blad — of liever een dubbele driehoek, waarbij de gemeenschappelijke basis de diameter van de ronde wond is — een oppervlak heeft in grotere verhouding tot zijn omvang dan de eerdere ronde wond, want een vierkant om een cirkel beschreven heeft een grotere verhouding van alle zijden tot het vierkant, dan de omtrek van deze cirkel tot de cirkel.
Een veel grotere verhouding heeft dus de langwerpige, en des te meer de genoemde dubbele driehoek; bovendien heeft nog de omtrek van een kleine cirkel een grotere verhouding tot zijn cirkel dan die van een grotere tot de zijne, en dan de omtrek van een veel grotere driehoek tot zijn vlak. Dus kleine ronde wonden zijn makkelijker te genezen dan grote ronde, en dan veel grotere driehoekige.

  Gezegd moet dus worden, bij dezelfde omvang van het binnenste: ronde wonden zijn moeilijker te genezen, en ronde wonden, omgezet in een andere figuur (zodat de grootste breedte de diameter van de wond blijft), vergroten de verhouding van de omtrek tot de omvang van het binnenste. Dus een wond wordt begunstigd door een uitstorting van de natuur, die in de oppervlakken zit, waardoor hij ook makkelijker te genezen is.


*)  Guy de Chauliac, Die Cyrurgie van meester Guido de Cauliaco ... wten latine in duytsche geset ... Antwerpen 1507, fol. CIIIr, eerste kolom.
[ Ed. Dordrecht 1617, p. 191: "ronde ulceratien zijn traech om consolideren".]   [>]

[ 177 ]

Zweren

Genezing van kwaadaardige zweren.

  Hieruit volgt een bepaalde manier om zweren te genezen die kwaadaardig zijn, en waarvan de randen verhard zijn, zodat de natuurlijke warmte nauwelijks door de omtrek dringt. Voeg hierbij de zweren aan benen, die een mens langere tijd gekweld hebben, met het het gevaar dat een been moest worden afgezet enz.

  Maak bij jezelf een wond in een arm of hand, waar het vlees gezond is, en zet deze verbonden wond op de zweer, de arm tegen het been houdend: op deze wijze zal de natuurlijke warmte van de arm doordringen in de zweer aan het been, en zal het voornaamste instrument en materie voor het genezen vermeerderd worden, dat is de natuurlijke warmte, en voedsel van derde vertering. En als deze twee onbeweeglijk gehouden kunnen worden, zal het een geneesmiddel zijn om niet ontevreden over te zijn.

  Zo zal het ook gaan, als iemand een recente wond tegen een zweer van iemand anders houdt. Maar niet als bij een hond een wond wordt aangebracht en deze erop gedrukt wordt.

  Nu draait de hele zaak hierom, dat de er opgelegde wond zonder beweging wordt gehouden, en dat de zweer en de wond steeds op dezelfde manier aan elkaar grenzen.

Eenstemmig

Waarom een solo-stem soms aangenaam is, soms onaangenaam.

  Elders [<] is eerder gesproken over de verhouding van samenklanken, dat is waarbij veel stemmen voorkomen, en over de zoetheid en aangenaamheid, als gevolg van hun kwantitatieve verband. Maar overblijft te onderzoeken de reden van de aangenaamheid van een enkele stem: we zien immers dat sommige afzonderlijke stemmen prettig zijn, andere verschrikkelijk.

  Op dit moment lijkt mij, wat het kwantitatieve betreft, dat bovenmatig fijne solo-stemmen onprettig zijn, en alleen door de fijnheid de hersengeest [spiritus] prikkelen, niet anders dan een naaldje in de huid prikt; en dat vollere stemmen door alleen kwantiteit niet kwetsen, zoals ook licht niet kwetst behalve als het met de hoogste helderheid, te snel en scherp de ogen treft. Maar we zien veel dat voor de ogen verschrikkelijk is, en dat niet kwetst door scherpte, maar door kwaliteit.
Zo ontstaat uit de verschillende instrumenten, waarmee de stem wordt uitgedreven, een bepaalde kwaliteit die soms verrukkelijk is, soms minder, omdat de lucht wordt verdeeld in delen die niet overeenstemmen met de poriën van de hersenen, of van lichaamsdelen, of van een verzameling geesten. En er is geen twijfel mogelijk dat deze kwaliteit, met alle soorten kwantiteit, soms zoetheid, soms onprettigheid (om het zo te zeggen) bewerkstelligt, zodat zelfs de kwaliteit van een bas onprettig en onaangenaam kan zijn, en ook verschrikkelijk.

  Hieruit volgt, dat waar veel stemmen van verschillende kwaliteiten samenkomen, er een harmonie kan ontstaan van onaangename kwaliteiten, in kwantiteit aangenaam of onaangenaam, en ten derde een bepaalde als het ware van kwaliteiten die dissoneren, in een consonerende of dissonerende kwantiteit.   [<]

[ Ned. ]

[ 179 ]

Wratten

Waarom ziekten vanzelf overgaan.

  Er zijn ziekten (zoals wratten enz.) die dikwijls lange tijd bij ons blijven, maar soms plotseling verdwijnen.

  De reden ervan is dat de eerste materie, waaruit ze gemaakt zijn, zo gemengd is dat ze voedsel kan omzetten in haar eigen natuur, en kan groeien. Maar daar bij deze omzetting altijd iets fout gaat, omdat het voedsel niet van dezelfde natuur is als de omzettende materie, heeft deze ook te lijden; en tenslotte vergaat de gelijkmakende natuur ervan, en al verzwakkend verdwijnt ze dan, niet anders dan eerder*) over menselijk zaad is vermeld. En op dezelfde manier verdrogen bomen en vruchten, en gaan bijna alle dingen teloor.   >


*)  Vergelijk hierboven p. 133, 136, 139, 171.

Pijn

Waarom pijn stroming veroorzaakt.

  Waarom veroorzaakt pijn stroming?

  Omdat de natuur ernaar streeft te verdrijven wat kwetst, zoals bij de hik. En wanneer de eigen kracht van dat deel, waarin de pijn zit, niet volstaat, helpen alle delen die het voelen, dit deel met pijn. Wamt bij de hik werkt niet alleen het deel van het omhulsel, waarmee de kwetsende materie onmiddellijk verbonden is, maar het hele omgevende omhulsel, dat het indirect voelt, werkt mee. Zo sttreven ook de meeste delen van ons lichaam, indirect de pijn voelend, ernaar die te verdrijven. Maar deze verdrijving gebeurt met druk; en door druk wordt vocht uitgeperst, dat overal vandaan naar de aangedane plaats wordt geduwd.


[ 180 ]

Chronische ziekten

Voortdurende ziekten, hoe die zijn.

<   Maar ziekten die steeds voortduren, zoals lepra enz., wijzen erop dat het met de natuur zo gesteld is, dat de oorzaak van een zodanige menging altijd aanwezig is, hoewel het kan gebeuren dat de materie zo kwaadaardig is, dat ze datgene, wat ze al veranderend namaakt, omzet in een slechtere natuur, zoals vuur hout zo verandert, dat het vuur voortdurend wordt vermeerderd, tenzij de voedende materie zou ontbreken. Zo'n ziekte moet kanker zijn. En zo moeten alle dingen volgens de eigen naturen onderscheiden worden.

Braak liggen

Braecke ligghen maeckt het lant vruchtbaer. Cur.

  "Als het lant syn vetticheyt door het veel besajen heel verloren heeft, alsoo dattet niet meer dragen kan, indien ment dan een jaer ofte twee braecke laet leggen en ommeploecht, etc., het sal besaeyt synde, dan vruchten dragen."

  Hier rijst de vraag wat de reden hiervan is en waar de vettigheid vandaan komt. Dan zal er toch geen twijfel aan zijn dat zuivere en dode aarde, met regen, lucht en Zon gemengd, de grondstof worden van de vettigheid, en dat dus de vier elementen zelf, ook al kregen ze afzonderlijk geen werking, met elkaar langzamerhand het mengsel bijeenbrengen en de grondstof worden van alle goede eigenschappen, en dat deze laatste niets anders zijn dan de vermengde elementen zelf. Want uit deze aarde ontstaat tarwe; uit tarwe de mens, eerste vertegenwoordiger van alle goede eigenschappen.   [<,>]

Muziek

Muuzikale hand*), hoe die bestaat in een meetkundige verhouding, lineair bewijs.

  "Symon Stevyn meynt in syn groot boeck, dat de quinten en quarten etc. spruyten ex proportione geometrica". Wat ik eerder ergens [<] met getallen heb uitgelegd, zal ik hier laten zien met een lineair bewijs.

vierkanten   Gegeven een snaar AB, die wordt verdeeld in twee gelijke delen, in C. Dan zal CB tot AB klinken als een octaaf.
Laat nu AB tot EB zijn als EB tot CB en men zal oordelen dat er tussen A en E drie tonen en een halve [samen een kwint] geplaatst moeten worden, en tussen E en C twee tonen en een halve [samen een kwart].
Verdeel nu EB in twee gelijke delen, in F. Dan zal FB als octaaf klinken ten opzichte van EB, en als kwint boven CB. Dat wil zeggen: als DB de helft van CB wordt gesteld, zal CB tot FB zijn zoals FB tot DB, wat als volgt bewezen wordt:

  Vierkant EG is gelijk aan CH, maar FIB is een vierde deel van EG, dus ook een vierde deel van CH, dus vierkant FI is gelijk aan parallellogram DK, dus zoals BK (dat is BC), tot BF, zo is BF tot BD, wat te bewijzen was.

  Of je dus neemt de helft van EB, of de middelevenredige tussen CB en DB, je zult dezelfde FB krijgen, en BF zal klinken als kwint boven BC en als kwart onder BD.°)


[ *)  De 'musica manus' zal zijn de 'guidonische hand' (<,>).]
[ °)  Stevin noemde deze 'middelevenredige' (de wortel uit 1/2) niet de kwint ('vijfde').]

[ 181 ]
Hoe kwinten en kwarten verschillen.

  Uit deze voorstelling zou volgen dat een kwint en een kwart even goed zijn, want de kwart BC heeft tot BE dezelfde verhouding als de kwint BE tot BA, en om de waarheid te zeggen kan ik voor mij dit nog niet onderscheiden bij verschillende instrumenten, of een toon een kwart onder, of een kwint boven een andere klinkt; nog minder of hij klinkt als octaaf onder een andere, of gelijkluidend, of als octaaf erboven.   [>]

  Dit zij gezegd over twee samenklinkende stemmen, waarbij ik met geen enkel middel een onderscheid kan aanbrengen. Maar op een enkel instrument, waarvan de ene stem bekend is, is niets makkelijker dan een kwart en een kwint te onderscheiden. En bij drie stemmen lijken ze wegens de harmonie ook te worden herkend, want eenstemmige maken met de derde stem geen harmonie, tenzij misschien iemand twijfelt over de middenstem, of die klinkt als een kwint boven de bovenste, of als een kwart onder de onderste.*)

Muzikale hand [<] meetkundig met rechte lijnen uitgelegd.

  De voorgaande zaak zal ook zonder aanschouwelijk bewijs makkelijker worden bewezen op deze manier. Aangezien BA, BE en BC elk in twee gelijke delen worden verdeeld, zullen deze delen dezelfde verhouding hebben met de gehelen. De delen zijn CB, FB en DB. Zoek de middelevenredige tussen CB en BF, en die zij BL. Deze zal klinken als een toon met BC; en de middelevenredige tussen BC en BL, zal een halve toon boven BC klinken en onder BL. En zo zal het hele monochord kunnen worden afgemaakt.   [>]


*)  Beeckman verwierp Stevins evenredige stemming eerder [<], en later: brieven aan Mersenne (1 okt. 1629 en 30 april 1630) [zie T. 4, p. 157 en p. 189].  

Deur

Deuren, die weerszyden open gaen.

deur met 2 ophangingen   "Al ist, dat Hans Coenen*) my met den monde geseyt heeft, hoe men de dueren maeckt, die van beyde syden open gaen, en ic die selve in Coenens huys gesien hebbe," toch heb ik het niet begrepen, hetzij omdat hij het zelf niet heeft begrepen, hetzij omdat ik niet al te lastig heb willen doorvragen, en ook hetzij omdat ik bijziend ben, hetzij omdat ik me ervoor schaamde te lang ernaar te kijken.

  Maar onverwachts, toen ik iets anders deed hier in Brussel°), stuitte ik op de constructie ervan, die als volgt lijkt te zijn: AB is de deur, die geopend wordt aan de kant van C en van D; hij hangt aan de ijzeren bladen EF en GH, waarvan de eerste onder de tweede beweegt. Wanneer de deur geopend wordt aan kant D, beweegt tegelijk blad EF, maar blad GH zal in rust blijven. Wanneer hij geopend wordt aan kant C, beweegt GH; en FE zal in rust blijven. Elk van beide, dat wil zeggen de bewegende en de rustende, ondersteunt de deur aan de voet BK van de deur. Op dezelfde wijze kunnen daar twee bladen gemaakt worden.


*)  Timmerman in Middelburg, een oom van Isaac B.
°)  Het verblijf in Brussel (zie p. 174 hiervoor) moet vrij lang geduurd hebben.

[ Ned. ]

[ 182 ]

Puistjes

  "Guido Tract. 2, Doct. 1, cap. 2 [<,>] schynt te seggen, dat de cleyne pustulen gecorrumpeerde humoren hebben."

  Als reden hiervan geef ik dat de natuur goed bloed, en vochten die erbij behoren, gemakkelijk toelaat en duldt dat het zich verspreidt door al het vlees op die plaats, waar het voor het eerst terecht kwam; maar bedorven vocht stoot het van zich af en drijft het naar een een nauwe plaats, waar dien­tengevolge een klein puistje ontstaat, bolvormig en wat naar buiten komend, naar verhouding van de breedte.
Daarom heeft een steenpuist niets bijgemengd dat bedorven is, maar omdat hij na samentrekking geen korstje achterlaat, blijkt na opening dat het bedorvene weinig slechts heeft. Als dus de materie scheidbaar is, zoals bij herpes het geval is, zal de natuur deze verstrooien en in veel delen verdelen, en komen er veel puistjes die elk door het omliggende vlees binnen de perken worden gehouden en allemaal.

Gezwellen

Bloed is materie van alle gezwellen.

  Daar natuurlijk slijm [phlegma], dat een deel van het bloed is, verandert in iets dat niet natuurlijk is, dat daarna een pijnloos gezwel wordt, is het noodzakelijk dat het die eigenschap (die daarin zit, evenals in een appel, die door vuur zoet is geworden) verliest, zoals wijn door warmte of vorst zijn wijnsmaak verliest, en daarna materie wordt van een of ander pijnloos gezwel, te weten waterbuik, middenoorontsteking, knobbels enz., en van die gezwellen, die alleen lastig zijn door de hardheid en scherpte van de materie.

[ 183 ]
Maar wanneer ze verteerd wordt tot kankerachtige zwarte gal [melancholia], en zoutachtig en zuur slijm [pituita] ontstaat, verandert ze wel, maar met behoud van de eigenschap. Want een eigenschap gaat gemakkelijk over in een andere eigenschap, doch deze wordt niet zo plotseling ingebracht; maar ze heeft langere tijd nodig vorr die verfijnde menging, die de maker van eigenschappen is. Hetzelfde kan gezegd worden over zwarte gal.
Gele gal [cholera] echter, wegens de geweldige warmte, waarin zijn eigenschap bestaat, geeft deze misschien nooit op, zodat in het menselijk lichaam nauwelijks gal [bilis] is te vinden zonder de eigenschap, maar soms toch voorzien van de sterkere, dan weer van de zwakkere eigenschap of kwaadaardigheid. Ik zou om dezelfde reden geloven dat bloed ook van deze aard is, waarin ook buiten de aders altijd de eigenschap zit, die bij geschikte warmte, plaats, of beweging enz., op elk moment kan worden opgewekt. Slijm [pituita] en zwarte gal hebben dus misschien de makers van pijnlijke en pijnloze zwellingen, maar bloed en gele gal alleen van pijnlijke zwellingen.

Koude hand

Beweging van handen in lucht maakt ze soms koud.

  "Doen ic met cosyn Andries [<] na Bruyssel ginck den 29 April, soo wiert syn hant, die hy int gaende over tweer swaeyde, kout, en die stille bleef aen syn pac, niet."

  Om hiervan een reden te geven, zijn twee dingen te beschouwen: de hand en de lucht. Bij de hand is te bezien wat ermee gebeurt in zomer en winter: in de zomer zijn de poriën immers open, in de winter gesloten en dichtgesnoerd. Wanneer de poriën gesloten zijn, blijft alle inwendige warmte, door beweging opgewekt, binnenin; in de zomer vervliegt deze echter makkelijker door de poriën. En heel koude lucht maakt hevig en terstond koud; matige lucht maakt slechts koud door beweging, omdat hij de dingen dan aan meer kanten tegenkomt.
Toen dus de omgevingslucht matig was en de poriën van de hand meer geopend, en van de bewegende hand de warmte door de beweging weggeslagen werd, vanzelf vervliegend en veel delen van de lucht ontmoetend, werd deze hand koud; die in rust echter kon door de omgevende lucht niet evenzeer koud worden gemaakt, als hij van binnenuit en door het lopen warm werd gemaakt.

Bier

Bier dat schuim geeft.

  "Het Leuvens bier, alsment schinct in een glaesken, soo blyfter een schuymken op staen."

  De reden ervan lijkt te zijn omdat het dunner is, dat wil zeggen dat de delen niet stevig samenhangen, en bij beweging makkelijk van elkaar worden gescheiden en met lucht gemengd, welke vereniging door schuim komt. Deze scheiding verklaart deels ook dat het makkelijk oplost in urine en niet stevig aan de ingewanden vastkleeft. Op dezelfde manier geeft warm gemaakt bier ook enig schuim, of liever zoveel als je wilt, met natuurlijk door warmte losgemaakte delen, die misschien toch niet verdund zijn.   >


[ 184 ]

Onderaards water

Waarom de Aarde niet door water verstopt raakt.

  M. Pierre Maillairt, Chap. 6 de la Premiere partie, fol. 25*), zegt dat de Aarde door water niet verstopt raakt door consonantie, waarvan ze niet wil afwijken.

  Inderdaad is deze aarzeling niet te betreuren°). De oorzaak ervan moet evenwel niet zijn een verhouding van harmonie, aangezien deze duister is, en geen enkel gevolg met zich meebrengt. Door ons is elders gezegd [<] dat de Aarde rondom het middelpunt doorboord is door veel holtes, en ontzaglijk grote; maar hoe kan het zijn dat water deze niet vult, daar dit langzaam door poriën en pijpen tenslotte eens daarin zou vallen, en op deze wijze erbinnen helemaal zou worden opgenoomen, als er zo weinnig is en ook wordt gevonden in de zee, die een heel kleine diepte heeft ten opzichte van de halve diameter van de Aarde?

  Ik antwoord dat de Aarde bij haar oppervlak overal bevloeid wordt en dit zeer diep, wat blijkt omdat het nooit voorkomt dat er geen water wordt verzameld in putten, eaarvan de bodem niet verder van het middelpunt van de Aarde is dan het zeewater. Aangezien dus overal op de Aarde de druk gelijk is, vindt inwendige lucht [spiritus] geen uitgang, en als soms het zeewater veel overwicht heeft, staat door dat deel van de zee deze lucht wel onder druk, en dwingt hij water in een ander deel op te stijgen, dat bij verhoging terstond een grotere drukkracht krijgt wegens de grotere afstand tot het middelpunt; toch komt dit door eb en vloed weer in evenwicht.
En als gezegd wordt dat iets van deze lucht dagelijks stijgt door een groeiende hoeveelheid, zeggen we dat er dagelijks ook zoveel water binnendringt; dat immers het tekort aanvult, en dat daar wordt omgezet in damp [spiritus]. Maar als iemand zou zeggen dat de Aarde vanaf het oppervlak tot aan het middelpunt bevloeid wordt, zou hij toch niet onze redenering over bronnen aannemen, aangezien deze holtes alleen in bergen kunnen worden gesteld, alleen daarin worden ze gevonden.   >


*)  Pierre Maillart, Les Tons ou Discours sur les modes de musique et les Tons de l'Eglise (Tournay 1610).
H. 6: 'De la musique naturelle' [p. 20], met op p. 24 in de marge: "Hoe met de getallen 1, 2, 3, 4 die Plato gebruikt in zijn Timaeus om de harmonie van de elementen te bewijzen, de muzikale verhoudingen moeten worden begrepen".

[ °)  Maillart begint de zin met: "En er kan geen andere reden worden aangevoerd die eleganter is".]

Toonsoorten

De laatste noot van een psalm heeft soms een kwart boven zich.

Mailliaert, fol. 48: Elke toonsoort heeft zijn eigen noot en het octaaf, de kwint, de kwart van elke toonsoort etc.

  Waarmee het niet verbazend is dat ik heb gesteld*) dat in onze psalmen de laatste noot boven zich soms een kwart heeft van zijn toonsoort.


*)  Zie p. 95, 96, 120.

[ 185 ]
Hoofdnoten vaker herhaald.

Mailiaert, fol. 70: Herhaling van noten noodzakelijk, om de verschillende soorten kwint en kwart te kennen.

  Deze zelfde redenen zijn door mij hierboven [<] aangevoerd, om hetzelfde te bewijzen. Waar je misschien meer zult zien.

Manieren van toonsoorten met getuigenis bewezen.

Maljaert, fol. 194: De twaalf toonsoorten zijn als twaalf principes of twaalf categorieën, die in zich bevatten alle mindere ... harmonieën als soorten en individuën.

  Dit lijkt wel iets te willen zeggen van die dingen, die ik eerder [<] heb gezegd over manieren van toonsoorten. Maar toch zegt hij niets, daar hij geen onderscheid maakt en meent dat er ontelbaar veel mindere soorten zijn.

Waarom de kwart makkelijker is te treffen. 
Reden van zachte, harde en natuurlijke noten.

Maljaert, fol. 216: De kwart is het makkelijkst te intoneren, omdat zijn twee uiteinden van dezelfde aard zijn.

  Maar er lijkt een reden te moeten worden gegeven waarom mi en la harde klanken zijn, ut en fa zachte, re en sol natuurlijke*). Het verschil tussen deze noten is daaraan te zien, dat sommige de onderste noot van een halve toon zijn, andere de bovenste, en bij weer andere sluit geen halve toon aan. Het is dus niet verbazend dat de oren er verschillend door getroffen worden, aangezien die klanken nooit anders dan bij een triller worden gezongen, dat wil zeggen met toevoeging van aangrenzende noten. Bovendien kan ook een verschil beschouwd worden in de afstand van een halve toon erboven of eronder. Zo is la twee tonen van een halve toon verwijderd, ut van die erboven eveneens twee tonen.

  Elke noot lijkt dus op twee manieren hard, zacht of natuurlijk te worden. Zo is mi altijd de onderste noot van een halve toon: onder zich heeft hij niet altijd twee tonen, maar soms drie, wat toch eerder de hardheid vermeerdert. La heeft altijd twee tonen onder zich; soms is hij niet de onderste noot van een halve toon (tenzij je zegt dat hij in een bijzonder geval onder een halve toon wordt gezet en dan als mogelijkheid).

  Hiervan komt het dat niet zelden deze zelfde la natuurlijk wordt, te weten als hij niet omlaag, maar omhoog is gericht, en gemuteerd°) wordt in re. Zo is fa altijd de bovenste noot van een halve toon en heeft hij boven zich twee hele tonen, zodat hij niet beter te muteren is dan mi. Hij heeft wel drie tonen boven zich, maar die zijn ermee geen consonanten, zodat hij nooit gericht is naar de terts erboven met ut, en ook mi niet naar de terts onder zich.


[ *)  Zie p. 90 hiervoor: 'hexachordum durum, naturale, molle', met schema.]
[ °)  Bij zo'n 'mutatie' wordt overgegaan in een ander hexachord.]

[ 186 ]
Ut heeft wel altijd twee tonen boven zich, maar soms is hij niet de bovenste noot van een halve toon; dus wordt hij soms gemuteerd in sol, omlaag gericht. En sol is altijd een toon van de halve toon eronder vandaan, maar soms wordt hij twee tonen van die erboven verwijderd en wordt hij ut en zacht ten opzichte van de noten erboven.
De gemakkelijkheid van intoneren hangt af van de gelijkheid, want re is nooit in beide toonsoorten gelijk aan la waar hij een kwint vandaan is; re wordt immers nooit een noot van een halve toon, en la is nooit twee tonen van de halve toon eronder vandaan. Maar ut en mi komen nog minder overeen: Ook al grenzen immers beide aan een halve toon en zijn ze altijd twee tonen van een halve toon vandaan, dit gaat toch niet op dezelfde manier, maar wat de ene doet als bovenste noot, dat doet de andere als onderste noot.
Bij het 'natuurlijke' gezang, zoals men het noemt, en het 'zachte', wordt dit verschil niet gezien; zoals op fol. 10 van het eerste deel van dit boek*) te zien is, waar het 'natuurlijke' begint in c sol fa ut, en het 'zachte' in f fa ut, maar met een toegevoegde b, waar in het geheel geen verschil is, anders dan dat dit laatste een kwart hoger op de toonladder is geplaatst. Of als er een ander verschil is, beken ik dat ik het niet zie.


*)  Dit blad ontbreekt nu. Zie de noot bij p. 20.


Toonsoorten veranderen niet, ook al worden ze met een toon verhoogd.

Mailjaert zegt op fol. 278, uit Boëtius: Als iemand de proslambanomenos*) neemt en verhoogt met een toon en alle andere stemmen van hetzelfde octaaf worden ook verhoogd met een toon, zult u de toonsoort hypophrygisch vinden, terwijl het eerder de hypodorische was.

  Maar dit lijkt niet zo te zijn. Tenzij je namelijk de snaar, die eerst was 'hupate hupaton'°) met slechts een halve toon verhoogt, zul je nooit de hypophrygische maken, waarvan de onderste snaar altijd een noot is van de onderste halve toon, maar als beide onderste snaren gelijk verhoogd worden met een toon, blijft hun afstand dezelfde, te weten een toon, en wordt het dezelfde hypodorische toonsoort, maar een toon hoger.

  Maar Boethius en de heer Maillart hebben het monochord begrepen, dat nu op het klavecimbel wordt aangebracht.


[ *)  Maillart zegt erbij: "(die overeenkomt met onze Are en waaruit de Hypodorische toonsoort ontstaat) ..."; Are is A2 in het hexachordenschema, zie p. 90 hiervoor; namen van toonsoorten: p. 88.]
[ °)  Maillart: "... verhoogt met een toon, te weten tot aan de hypaté hypaton (die overeenkomt met onze ♮mi)", d.w.z. met onze B. Zie het schema op p. 98, 'hypaton' was een tetrachord.]

De toonsoort lydius is moeilijk en niet gebruikelijk.

Maljaert, fol. 282, telt onder de [acht] tonen ook de lydische toonsoort, maar wat mij betreft, ik heb deze in onze psalmen niet gezien en als ik niet beter had geweten (ik heb namelijk nooit psalmen van de papisten gezien, en ik weet niet hoe ze geschreven zijn, en wat er in staat), had ik durven beweren dat deze toonsoort daarin niet voorkomt. Want daar de kerkelijke schrijvers de beste en makkelijkere zullen hebben uitgekozen, waarom zouden ze dan deze moeilijke toonsoort hebben uiygekozen, die misschien bij geen enkel gezang past?

De toonsoort lydius is nooit gebruikt bij onbegeleid gezang.

Mailaert, 304 fol.: Zodat Lydius is gemaakt tot Ionicus. met b mol; en dat is zo ver gegaan, dat weinig musici tegenwoordig weten dat deze van de Lydische toonsoort is, die bijna niet meer in gebruik is.

  Ja zelfs is deze misschien nooit in gebruik geweest bij onbegeleid gezang, wat ik elders [<] heb bewezen over alle vier de toonsoorten, die aan het getal acht zijn toegevoegd.


[ 187 ]

Koken, brand

Bier wordt door koken taai.   Brand geeft dingen verschillende krachten.

<   "De brouwers seggen, dat het bier doort lange sien tay ende stram wort."

  De reden is dat vuur zich vermengt met water waarin graankorrels worden gedaan, zodat de substantie van het vuur zelf aan het bier blijft hangen en zich eraan hecht, niet anders dan vuur zich vermengt met roet van de aarde, vandaar de roodheid en vastheid van stenen. Hierdoor wordt het bier dus taai.
Daarom is het niet verbazend dat gebrande dingen verschillende krachten krijgen en soms zout enz. worden, daar de materie zelf van het vuur, hetzij vanzelf dichter gemaakt, hetzij gemengd met andere, de voortbrenger van verschillende werkingen kan zijn.

Vettigheid

De materie van vettigheid is vuur.   Hoe de Aarde vet kan geven.

  Stro, bladeren, hout, rottend materiaal, en al het brandbare en alles waaruit iets kan worden gehaald dat in brand kan worden gestoken, en dat bovenop de aarde wordt geworpen, en daarmee gemengd, bemest haar, en maakt haar vetter, want de materie van vettigheid is vuur. Alles wat ontstaat bevat namelijk van binnen iets dat brandbaar is.
Het vuur dus, door verrotting gescheiden van stro, of met nog enige deeltjes stro verbonden, vermengt zich terstond met aarde, waaruit juist zaden dit opzuigen en omzetten in hun voortbrengselen en hele struiken.   [<]

Bronnen

Verzameling van het water om bronnen te maken.

<   Ook al kan het gebeuren dat de grootste bronnen door onderaardse gangen opkomen, ik geloof toch niet dat dit in Brussel*) en in andere kleine bronnen gebeurt. Velerlei water wordt verzameld. Want water is ten eerste putwater, dat onder de grond wordt verzameld op die plaats, waar we gezegd hebben dat de hele omtrek van het gebied nat wordt.
Het andere verschilt hier weinig van, maar toch wordt het verzameld op een hogere plaats, soms ook bij een gemiddelde hoogte van bergen, waar echte bronnen worden verzameld (maar geen ader, zoals ik die noem, komt eruit voort) en het water is steeds tot in de kleinste delen met aarde gemengd, en zo nog gemengd stroomt het naar lagere plaatsen.
De derde verzameling is die van echte bronnen; het ontstaan hiervan is hetzelfde als van de voorgaande, te weten van regenwater, maar in bergen wordt het eerst diep verzameld: het dringt immers door tot waar het taaie grond tegenkomt, waarin het niet kan doordringen. Daar wordt het dus verzameld, en het graaft de plaats rondom zich uit en maakt zich een of andere ader, waardoor het weggaat, waar het zeer overvloedig verzameld is.


*)  Zie voor de reis naar Brussel p. 174 en 181 [en 183].

[ 188 ]
Maar eerst blijft het enige tijd vastzitten in een holte, waar het gereinigd wordt en gezuiverd van aardse substantie, die het bij de doortocht had verkregen, en dit door een werking van de aan alle kanten omgevende aarde, zodat het daardoor wordt veranderd en wordt doortrokken door alleen de krachten ervan zonder bezinksel.
Doch als het zich een lange en kleine weg heeft gebaand door deze taaie materie, stroomt het naar beneden en gebeurt het dat het niet helemaal tegelijk kan uitstromen, want de weg wordt wegens de taaiheid niet gemakkelijk vergroot en er blijft water verborgen en in deze holte, totdat het er geheel is uitgestroomd.
Maar in vermaarde bronnen wordt, voordat het helemaal is weggestroomd, al nieuw water verzameld gedurende winters en regens, zodat het in geen enkele tijd van het jaar ontbreekt, ook al springt het nu eens trager op en dan weer levendiger.   [>]

Spasme

Reden van spasme uitvoerig.

  "Guido [<], Van de wonden, Doct. 1, cap. 1*) sprekende van spasmus compassivus, seght nauwe t'ondersoecken. De causen van spasmus is van enen ander speculatie."

  Hier geef ik toch, om tenminste mezelf tevreden te stellen en een grondslag te hebben waarop het denken kan steunen, de volgende reden van dit spasme.

  Alle zenuwen zijn van nature altijd gespannen, maar zo gelijkmatig, dat een lichaamsdeel naar geen van beide kanten wordt samengetrokken, tenzij er in het bijzonder bijkomt dat een samentrekking van een willekeurige zenuw meedoet. Ook al valt deze willekeurige samentrekking vooral in het oog bij een willekeurige beweging, ze verschijnt toch ook in wilde dieren die, bij elke gelegenheid die zich voordoet, zonder een vrije wil bewegen, en verder in slapende domme dieren; tenslotte ook in natuurlijke delen, met de hersenen wel als voornaamste, maar met de zenuwlichamen ervan uitgestrekt in velletjes en vliezen over het hele lichaam.

  Wanneer dan in een zenuw geprikt wordt, is het noodzakelijk dat deze zich samentrekt en dat de prik wijder wordt, omdat hij al voor het prikken onder spanning stond. Maar wanneer de zenuw slechts licht geprikkeld wordt door de macht van de wil, wordt het lichaamsdeel nog recht gehouden; doch wanneer het aanhoudend meer en meer wordt losgemaakt, zodat de oorzaak van samentrekken het meedoen van de wil overtreft, komt er een spasme van het gekwetste lichaamsdeel.
Wanneer echter pijn het verstand heeft verbijsterd en de macht over de wil heeft weggenomen, trekt het lichaamsdeel zich niettemin samen wegens de prik; maar omdat de wil de beweging van het lichaamsdeel niet in bedwang heeft, en alleen door het natuurlijk gevoel werkt (op de manier waarop de maag en de blaas enz. zich samentrekken voor uitdrijving enz.), volgen alle zenuwen van de hele hersenen, die door de pijn in het lichaamsdeel werden opgeschrikt, omdat dit het enige principe en de enige kracht is, vanwaar die over het hele lichaam wordt verdeeld. Dus door deze kracht, de beweging van het lichaamsdeel volgend, en zich niet verzettend tegen de macht van de wil, trekken alle lichaamsdelen van het hele lichaam zich samen en komt er een algeheel spasme als gevolg van de pijn van één lichaamsdeel.


*)  Derde boec Van die wonden etc., 'Van den cramp oft spasmen der wonden', ed. 1507, fol. lxxiiijr  [1617, p. 134, 135].


[ 189 ]
Als de zenuw echter helemaal is afgerukt, kan het lichaamsdeel daar niet samengetrokken worden, en is de pijn niet zo groot. Want toen de prik nog onder spanning stond, werd hij door de spanning aanhoudend verwijd en steeds leed het gezonde deel eronder. Doch nu is het hele lid aangedaan, en komt er geen verwijding door spanning, en geen lijden van het nog gezonde deel, maar het aangedane deel lijdt op zichzelf en onder het lijden sterft het af en verrot het tot het ongevoelig wordt.

  Een spasme van dit lichaamsdeel, dat gekwetst is, komt er dan omdat de aangrenzende zenuw ernaar streeft de pijn te verdrijven, omdat het verdrijven gebeurt door spanning, zoals in de andere lichaamsdelen. In zenuwen is deze spankracht evenwel sterker.
Verdoving van het verstand gebeurt, wanneer alle hersenen samenwerken voor de verdrijving en zich teveel samenpersen, zodat voor de geesten [<] niet de geschikte poriën worden overgelaten. Teveel spanning van één zenuw trekt andere mee in spanning, misschien ook allemaal als het verstand stilstaat, niet anders dan gebeurt met degenen die gespannen bezig zijn met één ding, en alle krachten daarop richten, waarbij de overige geesten daar samenkomen, zoals bij vechtende mensen enz. te zien is.
Een flauwte ontstaat ook als gevolg van de pijn, als delen rond het hart zijn samengetrokken, zoals gebeurt bij vrees enz., met de haartjes [villi] niet anders ingesnoerd dan bij de hik [<] gebeurt met afzonderlijke van de maag, hetzij door de gebogen houding, waarbij de flauwte, spasme, verstijving enz. gebeuren, hetzij door overeenkomst van de plaats waar de pijn is, met deze voornaamste delen.   [>]


[ Ned. ]

[ 190 ]

Tonen

Gelijkluidende en octavan moeilijk van elkaar te onderscheiden.

  Ik heb hiervoor gezegd [<] dat ik niet het onderscheid kan horen tussen een gelijkluidende stem en een octaaf. En dat is geen wonder, want ik kan zelfs geen onderscheid maken tussen een kwint en een kwart. Dezelfde snaar is immers een kwint van een andere verwijderd, als je [een octaaf] omhoog gaat, die een kwart van de andere is verwijderd als je hem laag neemt.
En dit moet wel gezegd worden van verschillende instrumenten, waar de kwaliteit heel anders is: de kwaliteit verduistert immers het noemen van de kwantiteit; welke veelvuldigheden zoveel verschillen dat, als het niet zo was, iedereen alle kwantiteiten van één snaar zou kunnen vaststellen.   [>]

[ 191 ]

Kwint en kwart

Vergelijking van kwinten en kwarten naar zoetheid.

  Gevraagd kan worden welke samenklank zoeter is (daar ze het zijn), de kwint of de kwart?

  Ik antwoord: Gegeven drie stemmen van één kwaliteit, waarvan de onderste een octaaf van de bovenste is verwijderd, en de middelste daarmee klinkt als een kwint. Ik zeg dat deze kwint niet zoeter van aard is dan de kwart erboven: daar namelijk de middelste stem bij elke derde slag [<] gelijk samenkomt met de bovenste, en deze afstand voor beide gelijk is, is er geen enkele reden waarom de kwint meer zou behagen dan de kwart. Want het maakt niets uit, als de bovenste tweemaal slaat in de tijd waarin de onderste slechts eenmaal slaat: of ze immers vaker slaan, of dat alle stemmen aanhoudend zijn, dit verandert de aard van de samenklanken niet.
Maar als de kwint de bovenste is, zal hij veel zoeter zijn dan de kwart eronder, want kwinstemmen komen tweemaal samen in een tijd waarin de kwarten slechts eenmaal samenkomen, waarin de goedheid bestaat.

  Maar waarom is de kwart op zichzelf slechter dan de kwint op zichzelf? Omdat voorondersteld wordt een kwint van dezelfde kwantiteit, als de kwart nu is, en de stemmen op deze wijze samenkomen bij elke derde slag van de onderste als we de kwint nemen. Bovendien oordeelt het oor dat de kwart beter kan zijn, als de onderste stem een octaaf verhoogd wordt (welk octaaf het oor, ook al wordt het niet gehoord, bijna gewaarwordt).

Vergelijking van kwart met tertsen en sexten.

De kwart wendt dus iets beters voor dat hij niet in bezit krijgt, wat grote onaangenaamheid en gemaaktheid geeft. Waardoor het niet verbazend is dat een terts, die in zijn toestand heel volmaakt is, als beter wordt geoordeeld dan de kwart. Zo ook de kleine sext. Maar de kleine terts, en de grote sext zijn altijd slechter.

Kwart

Waarom de kwart niet te verdelen is in drie tonen en een halve toon.

  Iemand zal niet aflaten en zeggen: Als bij de bovenkwart de stemmen met dezelfde tussenruimte samenkomen en samenvallen als bij de onderkwint, waarom kan deze dan niet even goed verdeeld worden in drie tonen en een halve? Bovendien, als de middenstem met een octaaf wordt verhoogd, zal deze verhoogde nog in dezelfde tijd zijn gang van samenvallen maken, als de vorige en lagere stemmen. Waarom heeft dan deze kwint de voorkeur, ofschoon de kwart in een kwint verandert? Het is immers niet het aantal slagen (dat de bovenste stem maakt) dat dit kan belemmeren, want het kan zijn dat de het aanhoudende stemmen zijn. Kan dan alleen de ruimte voor het samenkomen worden beschouwd?

  Ik antwoord: Waarom er tussen twee stemmen veel of weinig tonen kunnen worden vastgesteld, is niet de ruimte voor samenvallen, noch om eigenlijk te zeggen het aantal slagen, maar het is de ruimte van de afstand volgens de hoogte en het er onder liggen: Deze ruimte verschilt immers van de ruimte voor samenkomen, want het octaaf zelf komt in dezelfde ruimte samen met de onderste, als de middenstem; zo ook het dubbelocataaf, tussen welke stemmen veel tonen en halve tonen te vinden zijn.
Het aantal slagen is echter slechts een teken dat laat zien hoe ver een stem zich van een andere verwijdert volgens stijging en daling; en deze ruimte wordt nooit genoemd tijd, maar afstand van de lage stem tot de hoge. En hoe groter deze ruimte is, des te meer middenstemmen er tussenvallen. Zo zijn de stemmen die in dezelfde tijd samenkomen de onderste, middelste en bovenste; maar toch is de bovenste verder van de onderste verwijderd dan de middelste, en van deze is de onderste verder dan de bovenste.

[ 192 ]

Noten en slagen

Principe van ruimte tussen noten bestaat in slagen.

  Iemand zal vragen wat dit dan voor ruimte is en hoe werkelijk die is.

  Ik antwoord dat die niets anders is dan de hoedanigheid van de ruimte, die ik genoemd heb, in tijd en aangenaamheid. Deze hoedanigheid bestaat in het getal van de slagen, zodat uit een vergelijking van het aantal slagen noodzakelijk het stijgen en dalen wordt opgemaakt. Deze slagen heb ik elders [<] aangetoond bij snaren; bij orgels echter en bij de levende stem, die afhangen van de vorm van het instrument, terwijl alleen lucht beweegt op verschillende manier, is er misschien enige twijfel mogelijk, hoe daarbij het principe van slagen kan worden beschouwd.

Stemmen van lucht bestaan ook uit slagen.

  Al die stemmen zijn continu, maar ik ontken dat ze helemaal continu zijn. Want als ik hiervoor [<] naar waarheid heb bewezen dat water, door langere buizen geleid, zijn terugstoot heeft, ook al is die onmerkbaar, dan gebeurt dit des te meer in lucht, die meer samengedrukt kan worden, en dit alleen met het gehoor waarneem­baar. En toch niet zo waarneem­baar, als ik over het hangende plankje in het orgel heb gezegd [<]; die waarneem­baarheid is namelijk te duidelijk om de omvang van stemmen te maken, want elke terugsprong maakt de hele stem.
Maar deze terugsprong is in een enkele stem zodanig, dat de verschillende slagen niet onderscheiden worden, evenals uit stoffen die op grove manier zijn gemengd uit aarde, water, vuur en lucht, geen geschikte samenstelling van het gemengde ontstaat, maar wel uit die waarneembare als ze onwaarneem­baar zijn gemengd, zodat het mengsel stilletjes op de waarneming inwerkt, terwijl heel kleine verschillen niet duidelijk worden opgemerkt.
Als dus een stem verheven is om tegen de prime als kwint te klinken*), verheft ze zich zo tot waar volgens de aard van samendrukking van de lucht driemaal een terugsprong komt in de tijd, dat de vorige twee terugsprongen ondervond. Zo ook bij de overige.   [>]


[ *)  Verbeterd volgens H. F. Cohen, Quantifying music (1984), p. 280, n.100: "Elevata igitur voce ut ad primam sonet quintam ..."]

Winden

Velerlei materie van winden.

  De materie van wind is elk vloeibaar lichaam dat door warmte, dat is vuur dat er ingaat, is uitgezet. Want gewoon water, besloten in een vat en bij vuur gehouden, neemt de aard van wind aan, die door een nauwe opening wordt uitgelaten: het vuur verdunt het namelijk, en dwingt het meer plaats in te nemen. En het verdeelt dit toch niet zó fijn dat het door de poriën van het glas kan dringen. Dus het vervliegt opeengedrongen geheel in verdunde toestand uit de opening en wordt wind.

Wanneer in ons lichaam wind wordt voortgebracht.

  In ons lichaam echter, dat grotere poriën heeft, ontstaat niet altijd wind, en deze wordt daar niet voortdurend in verdunde toestand bijeengehouden, maar meestal zijn de verdunde delen ervan zo klein, dat ze onmerkbaar door de poriën van het lichaam heengaan, en voorzover die verdund is vindt hij een uitweg, tenzij de huid strak is aangetrokken enz. Bovendien wekt gekruid voedsel winden op, zoals Dodoneus schrijft over onrijpe senna*).


*)  Rembert Dodonaeus, Purgantium aliarumque ... herbarum historiae Libri IIII (Antwerpen 1574), II, 3: 'de Sena', p. 119.

[ 193 ]
Damp ervan is namelijk pakkend en dik, en vuur dat er ingaat, doet deze wel uitzetten, maar kan hem niet in zo kleine delen verdelen, dat ze met de poriën overeenkomen. En er moet niet gedacht worden dat de damp alleen uit vuur en water bestaat, maar er is meestal ook een aardachtige substantie mee vermengd, die — wanneer ze niet voldoende is verdund en onderverdeeld — het inwendige vocht bijeenhoudt dat door vuur is uitgezet, en op deze wijze wordt de damp heel dik en van heel grote delen.

Rook en dampen worden winden.

  Bijna op dezelfde wijze komen er uit de Aarde rook en dampen van heel verschillende aard, waarvan sommige wind opwekken, andere onmerkbaar worden verstrooid, weer andere samenkomen in regen; en zelfs vertoont de lucht zelf zich als wind, naar gelang zijn verschillende toestand.

Wind bestaat ook uit zuivere lucht.

Dikwijls is hij namelijk vanwege de stand van de hemel dichter, en dikwijls is hij aaneengehecht door andere substanties die aan elkaar blijven hangen, en meer en steviger verbonden zijn dan dat ze door warmte makkelijk gescheiden kunnen worden. En zo ontstaat dikwijls wind, die alleen dichtbij de Aarde blijft, en niet de bovenste lucht raakt, te weten wanneer de verdichting gering is, die eerder eindigt dan dat hij tot daar komt. Van zulke winden worden er in de zomer door varenden elk uur talloze gezien en verwacht.   [>]

[ Ned.. ]

[ 194 ]

Waterzucht

Zodra van waterzuchtigen het water is uitgelaten sterft de mens, waarom.

  Alle medici zeggen met één mond dat een mens sterft, als al het water van een waterzuchtige eenmaal is uitgestroomd.

  Hiervan is dit de reden, dat geesten [spiritus], aangetrokken door de voornaamste delen uit vlucht voor vacuüm, vertrekken en teruggaan naar de plaats, vanwaar het afgescheiden water wegging, waar ze van geen enkel nut zijn. Als dus dit teruggaan van geesten kan worden verhinderd, zal de zieke er dan niet tegelijk veilig en voor altijd van af zijn? Wat misschien zal gebeuren.

Hoe waterzuchtigen niet sterven zodra het water is uitgelaten.

Als hij namelijk met windsels wordt omwikkeld, zodat de buik wordt samen­gesnoerd, is het ook niet noodzakelijk dat er enige substantie komt op de plaats die geleegd is. Indien namelijk niet een windsel de mens samensnoert, duwt de natuur wel overvloedig water naar buiten als de huid van de buik wordt geopend; maar als de kracht vermoeid is, brengt ze de lichaamsdelen weer terug in de vorige toestand, zodat in de buik lege plaatsen gemaakt worden, die daarna geesten aantrekken.
Want ze werkt met ons lichaam niet zoals bij een leren waterzak: als waterzakken geleegd worden vallen ze immers ineen, en ze richten zich helemaal niet op zoals de buik in ons lichaam, tenzij de zakken misschien bovenmatig ingesnoerd waren en de substantie droger is: dan zullen waterzakken ook enigszins de vorige ruimte terugkrijgen.
De zieken hebben dus zulke windsels nodig opdat de geleegde buik steeds in dezelfde vorm wordt gehouden, en zich niet kan oprichten en lege plaatsen in zich maken.

[ 195 ]

Zon

Wat het voedsel van de Zon is.

  Elders heb ik geschreven [<] dat de Zon stralen van zich uitwerpt en tegelijk voedsel aantrekt, dat etherische materie is, en dat die stralen terugkeren, en misschien bezoedeld worden met bepaalde aanklevende dingen.
Dit laatste, zeg ik, moet aan niemand verbazend voorkomen, die overweegt dat in ons lichaam het hart, de lever, de nieren, de zaadballen en werkelijk alle delen gevoed worden en dat door het hele lichaam en door alle onderdelen voedsel wordt aangetrokken en dat door dezelfde een bepaalde geest van zich wordt verspreid over het hele lichaam, welke afzonderlijke geesten nuttig zijn voor een beter leven. Als immers de zaadballen zijn verwijderd, wordt het leven slechter door gebrek aan de geest die daaruit werd geduwd.
Deze geest is niet minder een lichaam dan de zonnestralen, en geesten verschillen onderling veel in dichtheid, menigte, grofheid enz.

  "Desen 25en Junij ano 1618."


[ Ned. ]

Gelijkenis

Hoe gelijkenis van mensen wordt gezien.

  Waarom vinden we soms twee mensen gelijkend, die tegelijk gezien, duidelijk heel ongelijk zijn?

  Omdat we van die mensen die we zelden zien, kennis nemen van een enkel deel van het gelaat en alleen dit deel ons in de verbeelding bijblijft. Wanneer we dus de ander ontmoeten, die dit deel van het gelaat gelijk heeft met de vorige, merken we dit op als eerste van alle en meestal alleen dit. Waardoor het komt dat zij gelijk schijnen te zijn, die in de rest van het gelaat heel weinig afwijken, en dat velen wegens een enkel ongelijk deel, dat juist in het bijzonder is opgemerkt, ongelijk schijnen die in de rest van het gezicht overeenkomen, ja die zelfs bekenden en vertrouwde vrienden meer dan eens misleiden wegens de gelijkenis.

Toonsoorten

Manieren van toonsoorten door ondervinding bewezen.

  Wat ik hiervoor [<] heb geschreven over manieren van toonsoorten lijkt ook hierdoor te worden bewezen, dat ook goede musici, als ze een melodietje zingen dat ze voor het eerst beginnen, zelden de eerste keer elegant zingen, en dat ongeschoolden, die hetzelfde vaker hebben gezongen, het veel aangenamer zingen.

[ 196 ]
  De reden is omdat er veel manieren van toonsoorten zijn, waarvan elk een eigen modulatie vereist, die ze de eerste keet niet terstond treffen, want ze zijn gewend alle tonen gelijk te zingen; en ze doen dit zolang totdat ze door gebruik en ondervinding de zoetste modulatie met ongelijke tonen en halve tonen hebben gevonden.   [>]

Eeuwigheid

Eeuwigheid van de wereld slecht bewezen met onmerkbare verandering.

  Degenen die zeggen dat de wereld eeuwig van duur is omdat er zo lange tijd geen gebrek is geweest aan goedheid van enig moment, terwijl het overige, zoals de mensen enz., in korte tijd een duidelijke verandering ondergaan, van hen zou ik weliswaar niet ontkennen dat ze de waarheid spreken, maar toch ontken ik iets te concluderen uit hun redenering. Want als je de grootte van de wereld vergelijkt met de grootte van een mens (zodat je stelt: hoe groter de lichamen zijn, des te stabieler ze zijn), zul je zien dat één dag in de mens een grotere verandering moet brengen dan vele duizenden jaren in de wereld.

Eenmaal bewogen grote lichamen bewegen heel lang.

Zo blijft een groot wiel in lucht lang bewegen als het eenmaal in beweging is; en hoe groter, des te langer de beweging duurt, met dezelfde snelheid van beweging als in het begin is aangebracht. Waarom zouden dus hele wereldlichamen eenmaal in beweging gebracht niet duizenden jaren blijven bewegen? Tenslotte is soms na verloop van duizend jaar toch geen verandering van beweging opgemerkt, daar de lichamen hel groot zijn, ook al hebben ze toch enige geringe belemmering.

Geslacht

Oorzaak van sekse uit kracht van zaad.

  In het Compendium van de geneeskunde van Pauw*) wordt gevraagd welke oorzaak er is van de sekse. Hij antwoordt: warmte van de vrouw. Maar veel vrouwen zijn kouder dan sommige mannen. Er kan dus beter gezegd worden, dat de kracht van de geesten of de materie van het zaad, door een van beide ouders afgegeven, groter is en een kind voortbrengt met de sekse gelijk aan die van deze ouder.


*)  Petrus Paaw, Primitiae Anatomicae, Leiden 1615, p. 2-3.

Urine

Dikke urine die later helder wordt, waarom goed.

  Urine die dik uitgeplast wordt en later helder wordt, geeft aan dat warmte in de aders al begint met vertering. De reden ervan lijkt dat een dikke substantie in de urine al bijna is losgemaakt van verbindingen, waarmee waterige substanties er aanhingen. De overvallende koude drukt deze er dus makkelijk uit, door de urine te verdichten, en doet ze omlaag bewegen, of, als je het liever hebt: dikke substantie wordt door kou dichter, en daardoor zwaarder gemaakt zal ze door haar gewicht vanzelf bezinken.

Polsslagteller

Een polsslagteller is te maken.

  Als iemand niet vertrouwt op zijn geoefendheid en ervaring in het onderzoeken van polsslagen en de hoge of lage frequentie van de ademhaling, moet hij eerst bezien het hoeveelste deel van een natuurlijke dag of uur gelijk is aan de duur van één polsslag [<] of van een enkele ademhaling van een mens, in de juiste verhouding tot het gewicht,

[ 197 ]
en hij moet zich een uurwerk maken of liever een polsslagteller [pulsilogium], waarin de afzonderlijke slagen nauwkeurig de tijd van een polsslag geven, en op deze wijze zal hij polsslagen met dit instrument kunnen onderzoeken. Ja zelfs kan hij het zo maken dat hij de tijd van de slagen kan verlengen en verkorten, en de slagen aan de natuurlijke polsslag van iemand kan aanpassen, om daarmee te weten te komen hoeveel elke polsslag afwijkt van de natuurlijke.   [<,>]

Pijn neemt krachten weg

Pijn verkwist meer dan werk.

  Pijn verkwist meer krachten dan werk, zegt Fernel, cap. 9, Lib. 2 Meth. medendi*).

  De reden is omdat pijn zoveel voorkomt in vaste delen, die hun ontstaan krijgen uit zaad; werk echter, dat in holtes en spiervlees gebeurt, verkwist in het bijzonder. Maar de geest [spiritus] die in de vaste delen zit en daardoor stroomt en naar de pijnlijke plaats gestuurd wordt, is de edelste en helemaal de materie van krachten, terwijl geest in de rest van het lichaam met veel andere dampen wordt bezoedeld. Pijn neemt dus, daar hij een zo edele geest aantrekt, veel van de krachten weg.

  "Den 7en Julij 1618."


*)  Therapeutices universalis, seu medendi rationis, libri septem (Frankfurt 1581) [<], p. 54.

Gezwel

Een gezwel dichterbij het middenrif is daarvoor nadelig.

  "Den 9 Julij 1618." — Waarom kwetst een gezwel de ademhaling des te meer, naarmate het dichterbij het middenrif is?

  Omdat er in ons lichaam veel lege ruimtes zijn, die het gezwel vult; en hoe verder een gezwel verwijderd is van het middenrif, des te meer van zulke ruimtes er liggen tussen dit middenrif en het gezwel, dus des te meer zijn er ook te vullen voordat het middenrif wordt aangeraakt. Bovendien worden delen waarop wordt gedrukt enigszins samengeperst, op de manier van lucht en snarenspel, wat evenwel gebeurt wegens ertussen gemengde leegte, En hetzelfde zou gebeuren, ook al zou lucht, die in de genoemde ruimtes is, door poriën gedrukt, niet ontsnappen: alleen vacuüm is immers voldoende voor dit tussengemengde.

  Maar als iemand stelt dat alles continu is zonder tussengemengd vacuüm, zal een verderaf gelegen gezwel evenzeer op het middenrif drukken als een dat dichtbij is, daar een aangrenzend deel altijd zijn aangrenzende evenveel voortstoot.

[ Ned. ]





Home | Isack Beeckman | 1618 v (top) | vervolg