Home | Beeckman | < Vertaling > | Brontekst | Index

Aderen , muziek , warmte , luchtdruk , lichaam , Galenus , zonde , deeltjes , verhitting , getijden ,
atomen , koude , winden , harmonie , mens , resonantie


Isack Beeckman - 1617 v b


[ Ned. ]

[ 140 ]   23 dec. 1616 - 16 maart 1618

Aderen

Waarom grotere aderen dampen niet goed buitensluiten.

  Ik neem aan dat bij de derde tegenwerping over intermitterende koortsen in het boek de Febribus van Heurnius*) kan worden toegevoegd bij de aanhoudende koortsen, die in de grote aderen verblijf houden, dat het buitensluiten van damp of dunnere verteerde materie gedaan kan worden, omdat daar veel onbeweeglijke en niet levende materie is, zoals vochten.
Rondom de kleinere aderen liggen echter gevoelige delen, waarin het vermogen om iets schadelijks buiten te sluiten voornamelijk gelegen is. Ze voelen het namelijk makkelijker als ze geprikkeld worden, en met hun stevige vezels, vol leven, drijven ze sterker uit, terwijl in de grote vaten de verhouding van het vocht tot de eigenlijke delen van het lichaam veel groter is.


*)  Johannes Heurnius [>], de Febribus, Leiden 1598 [p. 42; komt voor in Cat. 1637, Med. 4to.4];  Leiden 1610, p. 31 (col. a-b).
[ Zie over hem W. Otterspeer, Groepsportret (2000), p. 142-143.]


Koorts

Weinig materie van koorts.

  De brandhaard van koorts lijkt weinig materie te bevatten die kwaad doet in de buitenste aderen: de geringheid blijkt namelijk daaruit, dat de derdedaagse koorts dikwijls oplost na weinig uitbarstingen bij de lippen enz.; paroxismen ontstaan evenwel door weer vermeerderde materie, geleverd door de brandstof.

Waarom koorts toeneemt.

  Die wordt namelijk vermeerderd omdat in de brandhaard achterblijft het dikkere deel van de materie die kwaad doet, dat materie opneemt die toestroomt uit de overige aderen, buitengesloten wegens het kwade ervan; tenslotte lost de koorts op als deze dikkere materie verdreven is naar de huid enz., die makkelijk geheel te verdrijven is omdat er maar weinig van is, en het vermogen ervan om kwaad te doen mettertijd verloren is gegaan: zoals we in sommige uitgroeisels zien gebeuren, waarvan de geschiktheid om te voeden ontbreekt door verval. Zo is er voor elk levend ding verval, naar gelang de goedheid van de substantie waaruit het in het begin is ontstaan.

[ 141 ]
Wat geregelde koortsen zijn.

  Geregelde koortsen komen van gezonde vochten, niet anders dan vruchten hun rijpheid krijgen, als ze een daartoe aansporende kwaliteit hebben ontvangen; en zoals deze, als bij de wortel van de boom kalk wordt aangebracht, groeien ze sneller. Of op een andere manier, als kwade vochten door vele oorzaken hun paroxismen doen rijpen en te voorschijn brengen.

Muzieknoten

Notae ejusdem quantitatis non omnes aequaliter a se invicem removentur.

  Ik heb eerder [<] geschreven dat er in de muziek een pauze is tussen de pas opgeheven hand en de neerslag ervan, en ook tussen de pas neergeslagen hand en het opheffen ervan, zodat alle noten van één maatslag niet even ver van elkaar zijn, maar die welke nu de laatste is bij het opheffen van de hand, is een groter tijdsinterval verwijderd van de eerste die er onmiddellijk op volgt, dan de afzonderlijke noten van dezelfde opheffing van elkaar.

Noten tussen opheffen en neerslaan van de hand.

  Behalve uit wat elders [<] gezegd is, blijkt dit, omdat terwijl we met de stem zingen, geen noten voor onze ogen hebbend of ook als we midden in een vers of regel vallen, we ons aan de juiste maatslag houden, begin en eind van opslag en neerslag alleen met het gehoor waarnemend, wat niet zou kunnen gebeuren, als alle noten gelijk en op dezelfde manier van elkaar af zouden zijn.
En we vergissen ons slechts hierin, dat we soms denken dat de opslag een neerslag is en andersom, waaruit volgt dat de laagste pauze gelijk is aan de hoogste, en dat de afstanden tussen de noten van de neerslag gelijk zijn aan de afstanden tussen de noten van de opslag.   [>]

Gebruikelijke mutatie van noten aan te brengen.

  De reden waarom door leermeesters in de muziek een mutatie voorgeschreven wordt van de noten la en sol in re bij het stijgen, maar bij het dalen mi en re in la, lijkt te zijn omdat een juiste mutatie, die door ons elders [<] is uitgelegd, en die is getoond in veel elkaar volgende fuga's van liederen, waarin de volgens de regel voorgeschreven mutatie vereist is, die de eenheid van de fuga zou veranderen als er aan vastgehouden werd — omdat, zeg ik, een juiste aangehouden methode moeilijk is, en die uit veel voorschriften bestaat, terwijl deze makkelijk is en zo dicht mogelijk met de juistheid overeenkomt. Er wordt immers geen mutatie voorgeschreven, als het gezang niet onder ut daalt of boven la stijgt   [>]

Achtsten van 4 noten die een valse kwart maken.

  Niet zelden worden wel vier aaneengesloten achtsten gevonden, zodanig dat ze een valse kwart maken, te weten fa sol la mi, maar ik geloof dat dit zo gesteld wordt wegens de overgang, niet wegens de diminutie [<].

[ 142 ]

Afzuigkop

Kopglazen voor het hele lichaam zonder vuur.

  Als toepassing van kopglaasjes*) voor het hele lichaam voordelig zou zijn, zou in plaats daarvan een ingang gemaakt kunnen worden, waarin een mens kan zitten, en die moet rondom de hals met vochtige doeken, of op een andere manier, afgesloten worden, zodat er geen lucht van buiten inkomt; maar er moet ergens een opening zijn waardoor je er met een instrument lucht uit kunt zuigen, dan zullen op deze uitgezogen plaatsen onzuivere geesten°) uit het lichaam komen, als het lichaam kan uitwasemen. De zieke kan intussen door neus en mond zuivere geesten tegen de ziekte inhaleren.


[ *)  Lat.: cucurbitula: kopje voor aderlaten, vgl p. 22.]
[ °)  Lat.: 'spiritus', zie p. 28.]

Warmte trekt aan

Dat warmte aantrekt wordt bewezen.

  Dat warmte aantrekt*) blijkt ook hieruit. Als bijvoorbeeld iemand bij het vuur gaat zitten, zodanig dat hij zelf heel warm wordt, maar de voeten niet worden bereikt door het vuur of minder warm kunnen worden, zullen ze kouder worden dan wanneer hij niet bij het vuur was gaan zitten. Zo ook wie met de voetzolen op een stoof staat: de voetzolen worden wel warm, maar het bovenste van de voeten wordt kouder dan wanneer de voetzolen niet warm zouden worden.
Warmte van het ene deel trekt namelijk zachte warmte van het andere deel naar zich toe, niet anders dan een groot vuur een kleiner vuur dooft. Of opdat niet iemand denkt dat het bovenste van een voet slechts kouder wordt in vergelijking met de voetzolen: hij zal dit kunnen ondervinden met één voet op de stoof staand, en de andere vrij, hij zal zelf voelen dat de bovenkant van de voet die op de stoof staat, kouder is dan het bovenste van de andere voet. Wat ook te onderzoeken is door aanraking met eigen handen, of die van iemand anders.


*)  Vgl. pp. 102, 123, 133, 137 . [En p. 145, 149, II, 346.]

Lucht drukt

Hoe sterk lucht drukt op water in een vat of buis.

vat in vat onder water      Laat ab een doorboord vat zijn; e een buis, cd een vat vol met water*). Als nu vat ab met buis e in water wordt ondergeduwd, zodanig dat de buis het vat cd zou binnengaan, ab evenwel vol met lucht zou blijven — maar niet zo sterk drukkend op de opening als het water er omheen — geloof ik dat het zo sterk op de lucht ab zou drukken en deze op het water in cd, dat het uit buis e zou springen.
Waaruit ik opmaak dat water door lucht niet hoger gedrukt wordt dan het water, dat op de lucht drukt, hoger is dan het onderste oppervlak ervan, hoe groot het ook is, omdat het water dat in de buis staat altijd een even groot oppervlak treft als de drukkende lucht, aangezien de lucht onmiddellijk met het water is verbonden.


[ *)  Kennelijk is ab open aan de onderkant, en cd open aan de bovenkant.]

Vorm

Vorm is een harmonie van delen.

  Daar de vorm van een ding gesteld wordt als het ding gesteld is, en niet alleen zou kunnen bestaan, volgt dat de redelijke ziel niet de logische vorm van de mens is, maar een passende verbinding en harmonie van de ziel en alle delen van het lichaam. De ziel is dus een deel van de materie van de mens, en bevat een deel van de vorm. Zo zijn ook het hoofd, de buik enz. deel van de materie en bevatten ze een deel van de vorm, omdat die ook passend verbonden zijn, aangezien deze ook die delen betreft.
Zo is de materie van de doop het water, de uitspraak en de daad, de echte toediening is evenwel de vorm ervan: de uitspraak van de doop, en de ziel van de mens, zijn immers geen vormen, omdat ze soms op zichzelf bestaan; als de mens is gestorven is de ziel immers afzonderlijk in de hemel, en de woorden van de doop kunnen ook door een papegaai worden geuit.

[ 143 ]

Lichaam

Overbodige materie in een mens levend houden is goed.

  Het is beter dat overbodige materie in het menselijk lichaam levend wordt gehouden dan dat die vergaat, zegt Avicenna bij Riolan*). De reden is dat daardoor beter wordt verteerd, verspreid en verdund, niet anders dan verblijf van menstruatievocht in de baarmoeder mettertijd doordrenkt, wat toch bij zwangeren aan het kind wordt besteed: pica [>] komt bij de vrouwen namelijk slechts in de eerste maanden voor, zegt Riolan°).


*)  Particularis methodi medendi Sect. III, Tract. II. cap. 38 (p. 507), in Opera Omnia, 1610 [<].
[ In ed. Par. 1598 (in Cat. 1637, Med.8vo.20), p. 139.]

°)  Zie van dezelfde verhandeling Sect. III, Tract. I, cap. 5 (p. 477 van ed. 1610).
[ Ook in ed. Par. 1598, p. 101: "Picant gravidae ...". Pica bij zwangeren: E. von Siebold, Handboek over de kennis en genezing der ziekten ..., vol. 2.2-3, Amst. 1623, p. 301: 'Over de belustheid [pica] en Sode der zwangere vrouwen', Duits (1e ed. 1811) 1829, p. 30.]



Lichaamsdelen verdrijven het kwalijke zonder dat we het weten.

  Als in het lichaam een of andere kwaal is ontstaan, zou gevraagd kunnen worden hoe die vanzelf geneest, en niet veeleer voortdurend ontaardt in een slechtere kwaal.

  Geantwoord moet worden dat de natuur met haar vezels, die de aard van zenuwen hebben, het schadelijke verdrijft en het goede aantrekt, en ook al doet de natuur dit zonder enig begrip, niettemin doet ze het terwijl wij het niet weten, daar ze het gevoel niet anders treft dan wanneer iets op de buitenkant van het lichaam zou vallen, dat we met de handen of een samentrekking van de huid verwijderen.

  En men moet niet menen dat alles wat het gevoel aanroert, door ons duidelijk wordt opgemerkt. Er is namelijk in veel inwendige delen iets analoogs aan het gevoel; want aangezien duidelijk voelen niets anders is dan het oplossen van een overeenstemming, die in elk opzicht met zichzelf samenhangt, waarom zouden er dan in ons geen aparte deeltjes zijn die zo kunstig met elkaar samenhangen, dat iets dergelijks in het hele lichaam werkzaam is?
Zo'n gevoel is dat van beesten en veel meer van insecten, die bij een ongetwijfeld kleine opmerking iets schadelijks verdrijven; het meest echter de in ons geboren wormen en diertjes, die bewegen zonder dat ze enig ander gezelschap hebben dan met ons.

  Bovendien is een aandoening dikwijls kleiner dan die door ons wordt opgevat, die niettemin een harmonie van het lichaam aanroert, veel fijner dan onze zintuigen. Deze ontdoet zich daarvan, terwijl we het niet voelen wegens de traagheid van het gevoel, en de natuur bevrijdt zich niet anders dan bij een aandoening van de longen enz.: de ademhaling wordt dieper, wordt versneld of op welke manier dan ook veranderd naar gelang van de noodzaak, terwijl we de natuur in deze zaak op geen enkele manier beheersen.

De maagmond werkt ook vanzelf.

  Evenzo als iets de maagmond prikt, wordt deze ertoe gebracht zich samen te trekken en op deze wijze, met ruimtes er omheen verwijd, trekt hij eerst geest [<] aan door de vlucht voor het vacuüm, die de plaats warm maakt in onbekende mate en de materie van de pijn meer en meer in beweging brengt.
En dan blijft hij ook de juiste naburige geest aantrekken met warmte, totdat de materie die pijn doet is verteerd en de maagmond ophoudt zich samen te trekken en ook naar de vorige plaats terugvalt en de aangetrokken geest door zijn tussenkomst voortduwt.

[ 144 ]
Hoe pica bij zwangeren ontstaat.

  Aangezien mensen bij pica [<] aarde, houtskool, kalk enz. eten en verlangen, is het noodzakelijk dat menstruatievocht of enig ander vocht daarbij zo veranderd wordt, dat het op een of andere manier in verband staat met het genoemde voedsel, en zo verbonden is met de maag of omliggende delen, als een willekeurig zaad in de aarde verborgen is en daaruit een dergelijk voedingsmiddel zuigt; en het berooft de maagmond van delen die aarde, houtskool en kalk heel goed zouden kunnen teruggeven. Niet dat dit, volgens Anaxagoras zou zijn samengesteld uit werkelijk alle dingen [<], maar het slechte vocht holt die maagmond zodanig uit en doorboort hem met zodanige poriën, dat het genoemde voedsel deze tenminste voor een deel heel behaaglijk opvult.
Aangezien het, zeg ik, met deze dingen zo gesteld is, moeten we ons er niet meer over verwonderen dat er in abcessen [<] iets wordt voortgebracht, dat niet méér afwijkt van onze natuur dan aarde, houtskool of kalk; en bij pica wordt niet alleen de maagmond doorboord, maar ook het verhemelte enz., zodat een van de zintuigen ermee bekend wordt dat het genoemde voedsel geschikt is.

[ Ned. ]

Huid

Waarom de huid glanst door kou.

  De huid glanst door koude omdat de poriën vernauwd worden en zich samentrekken, en zo wordt de huid gladder en dichter; alles wat glad en licht is gaat immers glanzen.

Perioden

Veel gewone bewegingen in de mens.

  Dat er enige geregelde bewegingen zijn in de natuur van de mens, wordt bewezen, omdat we tweemaal per dag eten, eenmaal in de vierentwintig uur de buik ontlasten, en vaker plassen. Zo ook de spijsvertering in het binnenste, niet aantrekking, niet verdrijving enz. Sommige tijden komen van volle of geleegde vaten of van natuurlijke noodzaak, rust en verzadiging. Zo moet er ook niet aan getwijfeld worden dat sommige ziekten op bepaalde dagen veranderen en onderkend worden.
Het zou moeilijk zijn, ja zelfs onmogelijk, elke 30 uur de buik te ontlasten of te eten enz. Waardoor het lijkt dat deze bewegingen iets ontvangen van die van de hemel, de materie en de gewoonte, die de andere natuur is.

[ 145 ]

Koortsen

Samengestelde koortsen: niet, of zelden.

Galenus schrijft in Lib. 2, cap. 7, 8, 9, 10 de Crisibus*) veel over samengestelde koortsen, dat wil zeggen dat verschillende soorten tegelijk komen. Maar het zou wonderlijk zijn als de vierdedaagse tegelijk met de derdedaagse zou ontstaan of zelfs met de dagelijkse koorts, en niet veeleer enige dagen ervoor of erna.
Als het echter toch soms gebeurt, behoort het bij de zeldzame voorvallen, omdat er geen enkele reden is waarom de vierdedaagse of de dagelijkse zou opkomen omstreeks de tijd dat de derdedaagse toeslaat, zoals een andere tijd. Maar de reden lijkt niet onbelangrijk, wanneer twee of drie derdedaagse of vierdedaagse of dagelijkse koortsen tegelijk zouden verschijnen, omdat het lichaam, wanneer het galachtig is enz., gemakkelijk veel delen tegelijk aantast.


*)  De Crisibus Libri III [Ven. 1565, vol. 5].  Begin van de Galenus-studie; Beeckman citeert uit het Grieks vanaf p. 159.
[ Overzicht in 'Ouvrages cités', T. 4, p. 296-298.
In Catalogus 1637 (de veilingcatalogus van Beeckmans bibliotheek):
-  Lacuna, Epitome Galeni Pergameni operum, Arg. 1604 (Med.fol.2);
-  Galeni Introductio seu Medicus. graeco lat. [1528] (Med.8vo.13);
De crisibus libri tres [1549] (Med.12mo.9).
Recent: Vivian Nutton, Galen: A Thinking Doctor in Imperial Rome, Routledge, 2020.]


Uren

Galenus rekent de uren vanaf op- en ondergang van de Zon.

Lib. 2, cap. 7 van Galenus' de Febribus lezend vanaf het begin, heb ik duidelijk gemerkt dat hij de uren van de dag rekent vanaf de Zon in het oosten, en die van de nacht vanaf de Zon in het westen, terwijl ik dit eerder niet wist.

Warmte trekt

Hoe warmte trekt.

  Warmte trekt aan [<], ook om de volgende reden. Poriën van een of ander deel worden door warmte verwijd. en daar het hele lichaam voortdurend drukt op de inhoud door die bijeen te houden, is het niet vreemd dat vocht, naar een meer toegankelijke plaats gedrukt, als er grotere krachten worden uitgeoefend, wordt weggeduwd, ook al zouden we toegeven dat een warm gemaakt deel niet minder drukt dan gewoonlijk.

Zonde

God lijkt ten opzichte van God de bedenker van zonde.

  Gevraagd wordt of, gesteld het eeuwige besluit van God, en afgezien van omstandigheden, er niet volgt dat God de bedenker van zonde genoemd wordt, want de theologen zeggen dat elke daad door God wordt uitgevoerd, niet alleen een algemene, maar ook een afzonderlijke.

  Laten we dan stellen dat iemand een mens doodt met een goede bedoeling. Doden is een uiterlijke daad, bedoeling een innerlijke daad, en beide zijn deel van de hele daad. Deze hele daad, voorzover daarin iets is van een onvermengde daad, is een werk van God.
Maar deze daad wordt ook verdeeld in twee soorten, te weten het doden een mens met goede bedoeling, met een bevel van de magistraat, en zonder bevel van de magistraat. Elk van deze beide soorten vereist, behalve dat het geslacht een werk van God is, nog een ander werk van God, waardoor ze als soorten worden bepaald, daar God ook de bedenker is genoemd van bijzondere daden, en het is noodzakelijk dat deze twee laatste scheppingen van de daad verschillen van elkaar, om soorten te kunnen vormen.

  God is dus de bedenker van een doodslag met goede bedoeling en van de soorten, te weten van de doodslag met goede bedoeling, met bevel van de magistraat, en van de doodslag met goede bedoeling zonder bevel van de magistraat. De eerste daad is goed, de laatste kwaad, hoewel die van de eerste niet verschilt dan het deeltje "zonder bevel van de magistraat". Alle delen van de daad zijn dus van God, en geen enkel deeltje blijft over dat bij de mens behoort. God is dus de bedenker van deze zonde en de mens is geenszins schuldig.
Want als bij deze daad onwettig gedrag zou worden toegeschreven aan de mens, zou volgen dat God aan deze soort algemene daad niets toevoegt, en deze niet als soort bepaalt, daar het onwettige gedrag niets anders is dan dat deeltje "zonder bevel van de magistraat".


[ 146 ]

Blaas

Niet villi van de blaas scheiden urine uit, maar spieren.

  De medici zeggen dat er in de blaas een soort haartjes [villi] zijn, waarvan de functie zou zijn urine en achterblijfsels ervan krachtig uit te drijven. Maar als iemand er goed op let terwijl hij plast, zal deze krachtige uitdrijving van achterblijfsels niet gezien worden als het werk van het membraan van de blaas, maar van die plaats die ook zaad uitscheidt, want na de plas drukken we alleen met de omliggende spieren op de blaas. We voelen namelijk dat de genoemde achterblijfsels langzaam naar voren worden geduwd, en dan plotseling uitgescheiden. En dat het in het begin langzaam naar voren gaat, lijkt aan te geven dat er geen beweging van de blaas is. Deze zou immers plotseling zijn, zoals die van de maag bij de hik. Wanneer de urine dan op verder gelegen plaatsen komt, wordt hij niet anders uitgescheiden dan zaad, dat niet de blaas ingaat.

  Waarom zou echter de blaas niet uitscheiden voor de stroming? Als hij enig vermogen zou hebben, kan de blaas, als hij bovenmatig vol is, zich niet ledigen, niet omdat de villi van de blaas, maar te veel van de omliggende spieren, zich uitspannen.

Scheurbuik

Ademhaling moeilijk bij lijders aan scheurbuik die staan.

Foreest*), schrijft in de verhandeling de Morbo scorbutico, dat degenen die lijden aan scheurbuik moeilijk ademhalen als ze staan, in bed liggend echter soms denken dat ze gezond zijn, en in het algemeen dat ze het moeilijker hebben als ze bovenmatig bewegen.

  De reden hiervan is misschien, omdat zwartgallig vocht, daar het dik is, en daarom dicht, als erop gedrukt wordt niet meegeeft. Op de aderen en slagaderen wordt namelijk gedrukt door beweging van geest [spiritus], die overvloediger uit de hersenen neerdaalt in het gehele lichaam, waarvoor andere vochten wijken, als ze dunner zijn; en omdat er daarom niet op gedrukt wordt, drukken ze op de borst.
Dit vocht echter, de vaten daar weliswaar niet spannend, maar toch vullend, zoals de andere gewoonlijk doen, zal bij het aankomen van geest niets ervan opnemen, en zich ook helemaal niet samentrekken, zodat het onder druk zelf ook drukt op wat er omheen ligt, niet anders dan een stok die aan de ene kant wordt voortgestoten, ook aan de andere kant wijkt; en niet zoals je de delen van een spons dichter bij elkaar kunt brengen, zodat een spons onder druk niet meteen gedwongen wordt van zijn plaats te gaan.


*)  Pieter van Foreest, Observationum et Curationum medicinalium ac chirurgicarum, sive Medicinae theoreticae et practicae Liber XIX et XX (Leiden 1595)  [p. 353].

[ 147 ]

Volle vaten

Hoe volheid van vaten ontstaat.

  Volheid van vaten lijkt op de volgende wijze te worden voortgebracht. Vochten zijn nog vrij vers wanneer ze voor het eerst in de vaten worden meegevoerd; daar worden ze door warmte enigszins verteerd, en ze worden dunner en losser, en poriën worden vermeerderd en ze nemen meer ruimte in. En op deze manier worden de vaten gespannen, terwijl nu echter poriën zijn gemaakt en de warmte die ze heeft gemaakt vervliegt. De vrijgekomen deeltjes van het vocht behouden de afstand tot elkaar die de warmte heeft teweeggebracht, niet anders dan sommige pruimen en appels, gekookt of bij het vuur gebracht, ook na afkoeling groter blijken te zijn.
Nu op deze manier poriën zijn gemaakt, zijn ze om zo te zeggen plaatsen waar opnieuw uit de buik nieuwe materie wordt opgenomen, die, weer verteerd, de vaten meer doet zwellen. En zo neemt de volheid voortdurend toe, wanneer door de houding van het lichaam minder wordt aangetrokken en verteerd, dan de poriën van verteerde materie groter zijn dan de poriën van materie die niet verteerd is en voor het eerst in de aderen komt.

Jong geleerd, oud gedaan

Uitspraak van vreemde talen moeilijk. Waarom.

  Hoe komt het dat mensen geschikter zijn om iets te doen, bijvoorbeeld het spreken van een taal, wanneer ze in hun jeugd eraan gewend zijn geraakt?

  Omdat de poriën van de instrumenten, en daarom de vormen, gemakkelijk worden gevormd wanneer de lichaamsdelen zacht zijn. Een andere indeling, en in het bijzonder van de mond, is geschikt voor de Franse taal, dan bij die van ons [belgicae]. Welke andere reden zou er immers zijn dat volwassenen nauwelijks ooit een vreemde taal met de eigenaardigheid van accenten kunnen aanleren, ook al hebben ze meer tijd besteed aan het leren ervan, dan degenen die de taal als kind hebben geleerd?
Iets dergelijks is het verhaal van Cardano*), wiens hond in één maand heeft geleerd wat de moeder ervan in een half jaar niet heeft kunnen leren: nadat namelijk poriën van de instrumenten in de moeder gevormd waren om geschikt te zijn voor deze kunst, heeft hij een hond verkregen, gevormd met gelijke poriën van de instrumenten, die zo ook vanaf het begin geschikter was voor de kunst.
Wanneer echter de delen van het lichaam volgroeid zijn, veranderen ze op den duur wel, maar nauwelijks ooit volkomen, en spreken ze het accent met moeite, omdat de deeltjes wel buigen, maar teruggaan naar de vorige stand, zoals een gebogen stalen plaatje.


[ *)  Cardano, De subtilitate, Par. 1551, p. 193: "In een halve maand heb ik een hond zo opgeleid, zodat zelfs niet een jongen gehoorzamer zou kunnen lijken".
Context: hoe honden te leren iets te brengen, honger is nodig, leermeester is de buik, volgens Persius, Sat. I, Prologus, r. 11, in het Engels van M. Madan, 1829, p. 207: ]
Who has expedited to a parrot his 'chaire'?
And taught magpies to attempt our words?
A master of art, and a liberal bestower of genius,   10
the belly, cunning to follow denied words.
[ Ziedaar nog een verband met Beeckmans onderwerp: een papegaai die "Goeiedag" zegt!
Zie ook: Johan van Beverwijck, Schat der ongesontheyt (Dordr. 1642), p. 334, "Persius seyt ... dat den Honger de Beesten doet leeren", met de vier regels in het Latijn (Cardanus wordt elders genoemd).
Erboven het 'klippel-versken': "Repletus venter non vult studere libenter.", "Een volle maag studeert niet graag."

Cardano, De rerum varietate, Bas. 1557 (octavo), p. 392 en Bas. 1557 (folio), p. 220):
"En mijn hondje, geboren uit een vader en een moeder die gewend waren dingen te brengen, heeft in acht dagen geleerd stenen en ijzer te brengen. Dit is verbazend, aangezien je het een andere hond nauwelijks in twee maanden, en dan nog met veel moeite, kunt leren".
Context: sporen van de macht der gewoonte (zoals een vorm in was).
Beide werken van Cardano komen voor in Cat. 1637: 8vo.2, 3.]


Deeltjes

Waarom samendrukken van dingen niet kan.

  Bij veel dingen die veranderen gebeurt het, dat ze een grotere ruimte beslaan dan eerst, zoals water, wanneer het overgaat in damp, en olie in vuur; en met geen enkele kracht kan deze zelfde materie tot de kleinheid van de vorige ruimte worden samengedrukt, terwijl er toch niets van buiten is bijgekomen. Zo gaat zilver, in sterk water opgelost, door geen enkele drukkracht terug naar de oude verdichting, maar alleen door neerslag.

  De reden hiervan is, omdat delen van de dingen ofwel een andere uitwendige vorm krijgen, zoals bij het genoemde zilver, ofwel omdat delen ervan worden losgemaakt die in elkaar grepen, en losgemaakt een andere stand vereisen en niet met elkaar overeenkomen. Deze stand wordt niet veranderd door samendrukken, net zoals stapels stenen of andere dingen, die met voorzorg zo zijn geschikt dat ze de minste ruimte innemen toch, als ze ordeloos worden neergegooid, veel meer ruimte innemen.

Langzaam en voetje voor voetje ontstaat een grote kracht.

  Terwijl er nu ontelbaar veel delen zijn, is het losmaken van één deeltje makkelijk, evenals in mechanische instrumenten die bestaan uit een groot aantal raderen en tanden: de beweging van één tand wordt uitgevoerd door een zwakke kracht, en zo laat de lichtste kracht gaandeweg het zwaarste gewicht voortbewegen.
Zo ook een matig vuur, komend bij een afgesloten pot vol met water: ook al is de beweging van het vuur niet snel, het komt zeer op, in verhouding met het effect dat volgt. En het doordringen gaat niet onstuimig, toch is het voor het vuur heel makkelijk een kleine pot met zijn deeltjes te doordringen en een enkel waterdeeltje te laten verdampen, dat een verwaarloosbaar deel is van het water in de pot. En door dit zo te herhalen vult het de pot en tenslotte breekt het deze, als het meeste water is veranderd in damp.

[ 148 ]

Glasschilfers, steen, gif

Giffen bestaan in harde scherpte.

  Als je glas stukslaat in heel kleine delen, zodat ze heel licht zijn, en het wordt ingenomen, zullen ze toch een mens doden; als je stenen zo stukslaat, zullen ze echter weinig schade toebrengen als je ze inneemt. En aangezien glas en stenen alleen in scherpte verschillen, dat wil zeggen in kwantitatieve vorm, is ook met de ogen te zien dat vergif afhangt van de vorm: glasdelen zijn immers scherp en hard, die van steen stomp en zachter.

Ergernis

Boos waorden past een docent niet.

  Wie iemand met een goed oordeelsvermogen onderwijst, en verontwaardigd wordt als deze nauwkeuriger navraag doet, toont zelf zijn onwetendheid van de zaak die hij verkondigt, zoals bij Galenus is gebeurd, z1e Lib. I de Elementis*).


*)  Waarschijnlijk over de debatten van Galenus [129 - 199] tegen Democritus, Epicurus en Asclepiades (Bithynië [124 - ca. 40 v.C.]) en hun atoomleer, zoals in 'Peri kath' Hippokratèn stoicheiôn biblia b' (de Elementis secundum Hippocratem Libri II) [Par. 1546].
[ Deze namen staan niet in Galens bookes of elementes, London 1574, lib. 1 (de laatste wel in lib. 2).
In lib. 1 (p. 2v): "a foolishe opinion ... that there is one Element of man, or of all thinges vniuersal ... Thales, Anaximenus, Anaximander, & with them Heraclitus ... against them wee muste not dispute".
Zie ed. 1546 (Grieks), p. 11, r. 7: "Thales ...", en p. 10, r. 24-25: "èlithios doxa kai tôn phusikôn philosophôn, kai tôn iatrôn", dwaze mening.
Greek ligatures: zijn te vinden in: Alphabetum graecum, Par. 1528 (meer: Par. 1543, nexus), Rudimenta Graecae linguae, Francof. 1582.]


Verhitting

Verschil van koorts en vermoeidheid.

Galenus, de Morborum causis, cap. 2 [f. 6v, E12], zegt dat het vermoeidheid wordt genoemd wanneer het lichaam door beweging warm wordt. De warmte dringt dan niet in het hele lichaam door; zo is woede een vermeerdering van warmte rondom het hart, maar als ze in het hele lichaam wordt verspreid, noemt hij het koorts [f. 6v, F1-5].

Hoe warmte toeneemt.

  Toch wordt warmte bij woede en vermoeidheid ongetwijfeld door het hele lichaam verspreid door het hart, zoals uit de polsslag blijkt [>]. Maar misschien moet dat niet gezegd worden van koorts, tenzij de warmte toeneemt. Bij vermoeidheid en woede in iemand die zich rustig houdt echter, stopt de warmte meteen, en ze wordt niet verder versterkt. Een toeneming hangt onmiddellijk af van zo'n beweging of woede, terwijl ze gebeuren; maar hoe kan warmte zo gaan gloeien dat ze toeneemt?
Iemand kan zeggen: niet anders dan een aangestoken kaars het vermogen krijgt zijn aangrenzende deel verder te doen ontbranden. Er wordt wel rook opgewekt maar door een andere oorzaak: van zichzelf maakt hij geen andere rook. Wat zal dan, als er warmte van het lichaam is bijgekomen, de grens van de warmte zijn? De geschiktheid van het aangrenzende of van materie voor brand is er zolang, totdat deze niet genoeg gemengd wordt met onbrandbare damp van overige materie, en de eigen brandbare materie rijkelijk voorhanden is.

Voedsel

Overvloed aan voedingsmiddelen belemmert warmte. Waarom.

  Wanneer Galenus zegt, in de Morborum causis, cap. 3*), dat overvloed aan voedingsmiddelen warmte belemmert, begrijp dan er in ons dat warmte uit voedingsmiddelen stroomt, niet anders dan een vlam die uit zwavel brandt.
Als je dus een vat, dat maar door enkele en kleine openingen toegankelijk is, voor de helft vult met zwavel, en het aansteekt, zal het beter branden dan wanneer je daarna meer zwavel erop strooit, omdat de luchtgaatjes niet voldoen voor een zo grote vlam. Dus zal hij verstikt worden, of donkerder branden. Doch een deel van de vorm kan zodanig zijn, dat het zwaveloppervlak, het enige dat brandt, groter is, waardoor de vlam groter is, of als hij gelijk blijft, er nog maar minder lucht bij is.
In ons lichaam is er bij een overvloed aan voedsel ook minder inwendige lucht, en het oppervlak van de brandende materie is groter.


[ *)  'De causis frigidi morbi', oorzaken van de koude ziekte, 2e regel: o.a. "hoeveelheid en hoedanigheid, en verdichting van voedsel en drank".]

[ 149 ]

Vlam

Warmte die warmte uitdooft.

  Op dezelfde plaats*) zegt Galenus dat een groter vuur een kleiner samengesteld vuur uitdooft en een kleinere vlam verdeelt. Maar het is niet waarschijnlijk, daar een gestelde warmte vermeerderd zou worden door er vuur bij te doen, en de materie sneller zou worden verbruikt. Een groter vuur trekt dus, zoals elders is gezegd [<], de vlam van een kleiner vuur aan. En de stralen van de Zon, terwijl ze minder heet zijn dan een vlam gemengd met een vlam, verzwakken ze deze waarschijnlijk omdat ze de vlam de vlam scheiden, en minder warm zichzelf het midden ervan maken, en op die plaats wordt het dan minder warm.
Het is dus noodzakelijk dat warmte die warmte uitdooft van een andere aard is, dat wil zeggen dat er op eenzelfde plaats minder van de laatste wordt bevat dan van de eerste. Zo is misschien de warmte van Saturnus [<] van die aard, dat er in een grote ruimte weinig wordt bevat, en daarom duwt hij weg, daar hij zel meer ruimte nodig heeft. En ook al kunnen met brandspiegels enz. de stralen soms worden samengebracht, toch staat dit niet in de weg dat ze, niet samengebracht, ernaar streven een grotere ruimte in beslag te nemen dan andere warmtes.   [ > ]


[ *)  Cap. 3, p. 7, C 14.]

Niezen en hoesten

Manier of reden van niezen en hoesten.

  Niezen en hoesten, waarover Galenus het heeft in de Causis sumptomatum, Lib. 5*) lijken door ons vermogen daartoe te worden voortgebracht op de wijze waarop elders [<] gezegd is dat alle deeltjes van het lichaam een verborgen kracht hebben, die de uitwendige delen duidelijk verkrijgen.
De natuur verzamelt dus geest [spiritus] of een deeltje, waar er het eerst gebrek aan is, door uitzetting, en na verzameling drukt het dit samen; en zo verwijdert ze met hoesten en niezen het schadelijke, deels zonder spierwerking, terwijl de substantie van de ingewanden de genoemde beweging ongemerkt uitvoert, en deels terwijl spieren hulp verlenen.


[ *)  Galeni omnia quae extant opera (Ven. 1565) vol. 4, Lib. 2, cap. 4.]

Lichaamswarmte

Redenering over verzwakte warmte in het lichaam.

  Matige warmte in het lichaam verdunt vochten, zoals passend is, en laat ze door poriën gaan. Een grotere warmte evenwel verdunt meer dan ze laat gaan, en daarom spant ze een deel. En een kleinere warmte verdunt niet voldoende, zodat er geen damp door de gaatjes kan dringen, en daarom spant ze ook. Maar een heel kleine warmte spant eveneens, zoals een kruik vol water barst door weinig vuur.   [<,>]

Smaak

Redenering over smaken.

Galenus bewijst in Lib. 4 de Simplicibus medicamentis [cap. 22], dat de elementen van smaken, dat wil zeggen van dampen, zeker kunnen worden opgemaakt door een overvloed van elementen waaruit de gemengde bestaan.

[ 150 ]
  Maar ik geloof niet, als ze uit enige elementen bestaan, dat uit de samengestelde zeker de smaak van de kwaliteiten volgt. Water heeft immers geen smaak; zo ook warm water. Bovendien zijn er veel smakeloze, warme, koude, vochtige, droge stoffen; de smakelijke zijn echter al die, welke enige met ons lichaam gelijke samenstelling hebben verkregen, dat wil zeggen waarvan de holten en scherpten zo overeenkomen met holten en scherpten, dat ze ons aangenaam aandoen. Andere doen wel iets, maar onaangenaam. En die, welke zo gemengd zijn dat ze niet overeenkomen met onze poriën, doen bij ons niet meer dan gewoon water bij tin, of kwik bij papier.

Siddering

Waarom soms een siddering bij mensen in rust.

  Niet zelden gebeurt het, wanneer aan tafel het gebed wordt uitgesproken, dat onze ledematen met een krachtige schok bewegen, welke beweging te maken heeft met de klopping [palpitatio] van Galenus, Lib. 5 de Causis sumptomatum [Lib. 2, cap. 2, p. 20v, F4].
Terwijl we namelijk in rust zijn, is er een damp verzameld in sommige spieren die deze spant en tegelijk opspringt en het lichaam lijkt af te koelen. Daar deze damp vóór het gebed meer bewoog, werd hij, meer verdund, ongemerkt door gaatjes uitgedreven; en nu, dichter gemaakt door rust, en niet door een voortdurende beweging verdreven daar vastzittend, verzamelt hij zich plotseling, aangezien dampmaterie snel is.
Bij degene die het gebed uitspreekt gebeurt dit echter niet, en de oorzaak is gewoon, dat hij onder het spreken doorgaat met bewegen zoals eerst.

Redenering over siddering in de mens.

Galenus spreekt in cap. 2 van de Causis sumptomatum, Lib. 5, over siddering [tremor].

  Hieraan kan het volgende worden toegevoegd. Wanneer de natuur een andere stand van ledematen anders uitvoert, bijvoorbeeld ze heft een arm makkelijker een beetje op dan helemaal en uitgestrekt, streeft de natuur ernaar de arm hoog op te tillen. En de zwaarte van de arm wordt groter wanneer hij hoger is, de kracht kleiner; dan valt hij niet geheel, maar tot zover dat de natuur het wint van de zwaarte.
Maar als de arm in beweging is voorbij het punt, waarin de kracht van de natuur en de zwaarte van de arm gelijk zijn (waarop dingen de beweging gewoonlijk richten), en wanneer de kracht van de natuur veel sterker is dan die van de arm, die onder dit punt van gelijkheid is, wordt hij weer opgetild en wel boven het punt van gelijkheid, omdat hetgene dat beweegt niet tot rust komt als het niet belemmerd wordt. En het punt van gelijkheid heeft wel de kracht om daar de arm in rust te houden, als hij al in rust is, maar niet zolang hij beweegt.   [>]

  Iets dergelijks gebeurt bij kerkorgels, wanneer alles de sidderende*) stem laat horen: er is in de weg van de lucht iets zoals een plaatje, dat door duwen van de lucht heen en weer gaat en op deze wijze trilt.


[ *)  Lat.: "vocem tremulam", op p. 190: "daverende stemme, die wort gemaeckt met een plancksken in forme van een daverende latte". Nu: tremulant.]

Warmtegraden

Waar warmtegraden vandaan komen.

Galenus zegt in Lib. 5, cap. 5 van Simplium medicamentorum facultatibus, dat sommige [medicamenten] ons lichaam geen warmte geven, maar de substantie vermeerderen.

  Ik wil dat je hierbij begrijpt: van warmte. Want het lijkt niet ongerijmd dat gezegd wordt dat olie gematigd is, omdat deze warmte bewaart, zoals kleding, of liever omdat alles wat de warmte voor ons lichaam gelijk houdt, gematigd wordt genoemd. Ik bedoel niet de meer dichte warmte, maar hoewel de menigvuldigheid van warmte wordt vermeerderd, blijft het toch warmte van dezelfde soort. Misschien is namelijk elke warmte van nature bestemd om zijn verdunning van delen te verlangen, zoals ik hiervoor [<] heb overwogen over de warmte van Saturnus.   [>]

[ 151 ]

Oorzaken

Oorzaken van zo onmiskenbare zaken te zoeken.

  Van zo onmiskenbare zaken [zoals warmte] moet men de oorzaken zoeken. Want anders is er grote verwarring van onzinnige oorzaken, en een theorie kan niet zeker gesteld worden, als andere ermee blijken te strijden.   [<,>]

Getijden

Hoe eb en vloed van de Maan komen.

  Het is zeker dat de zee beweegt volgens de loop van de Maan en dat de zee weer hoger is bij volle Maan en bij nieuwe Maan.

  Wat is dan de reden hiervan? Aangezien elke kracht ontstaat door contact*), gaat er van de Maan ongetwijfeld een zekere substantie uit die zich met water mengt, met zwelling ervan, of met aantrekking ervan.
Maar waarom gebeurt dit duidelijker bij volle en nieuwe Maan? Omdat bij volle Maan de stralen van de Zon, weerkaatst door het hele midden van de Maan, de Aarde treffen, omdat ze maandeeltjes losmaken en met zich meenemen, of losgemaakte vrijer laten weggaan. De nieuwe Maan echter staat voor de Zon, en rondom het lichaam van de Maan vliegen deeltjes, zoals ook bij ons; zonnestralen voeren deze met zich mee en banen een weg ervoor naar ons, en ze zijn een soort wind die warmte en het overige subtiele daarheen werpt, waarheen hij zelf gaat.

  Het lijkt ook zeker dat de afnemende Maan koude veroorzaakt. Dit gebeurt omdat de Maan dan eerder opkomt in de ochtend. Wanneer namelijk een of ander hemellichaam voorafgaat aan een ander, bezet het eerder de plaatsen op Aarde die niet door stralen bezet zijn, en verbindt het zich zo nauw mogelijk met lichamen, ook met luchtdeeltjes, zodat het volgende hemellichaam alleen de lege ruimtes kan vullen, waardoor de stralen ervan, wegens gebrek aan houvast, meteen verdwijnen.
De stralen van het eerste hemellichaam als dit hierbij boven de horizon staat, houden voortdurend hun (in lichamen vermengde) gelijke stralen warm; zodra dit echter onder de horizon is, begint het volgende hemellichaam te overwinnen, en het duwt de (niet meet gevoede) vorige stralen weg van de lichamen. Maar als het zich dan van de overwinning meester heeft gemaakt, gaat het zelf ook onder en dan laat het zijn stralen zonder voeding achter, die weinig later vanzelf, en door een volgend hemellichaam, vergaan.


*)  Dat elke krachtwerking contact vereiste stond voor Beeckman vast. Vergelijk p. 24, 36, 101.

Oneindigheid

Beschouwing over het oneindige en eindige.

  Als iemand zegt dat we aan alle kanten in het midden van het heelal zijn, verwonderen we ons, en het zal ongerijmd lijken dat, als we duizenden mijlen ver zijn gegaan, er niet meer ruimte achter ons overblijft dan ervoor; deze gedachte gaat er noodzakelijk van uit dat er uiterste grenzen zijn, dan is dus niets oneindig.
Aan de andere kant echter lijkt het ongerijmd als het zo is dat, over welke afstand we ook gegaan zijn, er geen afstand overblijft om af te leggen, maar we geloven dat er altijd iets overblijft; deze gedachte stelt weer het ontbreken van een uiterste grens, dus ook een oneindig.
Van beide kanten is dus bewezen dat er een oneindig is, en niet is; dus gaat het oneindige ons begrip te boven, dus dit zelfde is God: van God zijn immers alle dingen. Iets dergelijks is ook de Drieëenheid enz.

[ 152 ]

Tremor

Redenering van Galenus over siddering.

Galenus zegt in Lib. de Tremore, palpitatione, convulsione et rigore [cap. 3], dat bij siddering een beweging die omlaag gaat een beweging ontvangt die omhoog gaat, zonder beweging van de extremiteiten.

  Maar terwijl ze nog gebeuren, en wanneer er in elk lichaamsdeel veel spieren zijn, waarom mogen we dan niet zeggen dat één spier omlaag beweegt wanneer een andere omhoog beweegt; en dat er zo ook in verschillende ledematen tegengestelde bewegingen in dezelfde tijd gebeuren, en dat deze siddering zijn genoemd?   [<]

Warmtegraad

Hoe een warmtegraad een gelijke graad niet vermeerdert.

  Wat ik hiervoor [<] heb gezegd dat gelijke warmte een gelijke niet vermeerdert, dat kan worden geloofd door een gelijkenis met water. Water maakt water immers niet vochtiger, maar als je olie met water mengt, zul je zien dat de vochtigheid anders is, daar olie meer ruimte inneemt en het samengestelde is misschien vochtiger dan gewoon water.
Zo ook: al lijkt een gelijk vuur gemengd met een gelijk vuur de warmte te vermeerderen, dit is misschien zo omdat het makkelijker wordt verzameld wegens de fijnheid, en meer ruimte verwarmt; maar wanneer de te verwarmen plaats vol is met warmte, wordt er ook geen bijgemengde warmte verzameld.

  Waarom zou niet hetzelfde gebeuren bij wat ik al gezegd heb, in water gemengd met water is dit te zien, wanneer we bij een warm lichaam van water een warm geneesmiddel aanbrengen, terwijl het lichaam vol is met dezelfde warmte, en wanneer Saturnus de lucht heeft gevuld met zijn warmte, hoe makkelijk hij de warmte van de overige hemellichamen afweert, terwijl die juist weinig onstuimig binnendringt.
Dit zal misschien duidelijker zijn bij vlammen van verschillende stoffen, zoals "eicken ende wilgenhout", enz. waarvan de warmtes veel verschillen. Zo zul je met aangestoken stro, ook zoveel mogelijk en heel dicht aaneen, niets opschieten bij sommige dingen, maar als andere in het fornuis zijn gedaan van een hardere substantie en met een kleinere omvang (van het lichaam of van de stof) zul je met minder siddering en minder moeite verwarmen.

Atomen

Atomen hebben vier figuren.

  Alleen de figuur van de dingen is te vatten zowel met de tastzin als met de rede; want de overige kwaliteiten worden slechts begrepen vanuit het gezichtspunt van figuren. Maar warmte, koude, vochtigheid en droogte worden door de tastzin waargenomen los van het gezichtspunt van figuren, ook al worden ze met het verstand alleen gezien via een redenering met figuren.
Waaruit waarschijnlijk is op te maken dat echt alle verschillen van de dingen moeten worden ontleend aan de figuur van de atomen; en omdat de genoemde kwaliteiten alleen aan de tastzin zijn onderworpen, en er in het geheel maar vier enkelvoudige lichamen zijn, onderscheiden we in de gehele natuur der dingen: aarde, water, lucht en vuur.

[ 153 ]
  Deze lijken in het begin uit primaire materie tot stand te worden gebracht als eerste verschillen, zodat er niet meer dan vier verschillende figuren zijn; dus de vier figuren van atomen brengen vier verschillen tot stand, weliswaar niet afzonderlijk, maar zodanig met elkaar gemengd, dat de hoeveelheid van de ene slechts de overige overtreft, zodat er geen geslacht van het gemengde komt.
Zo heeft water warmte nodig, om vloeibaar te zijn; zo heeft lucht een samenstelling nodig, om te kunnen worden samengedrukt; zo ook vuur en stralen, om verschillen van kleuren te maken door breking en weerkaatsing.

Hoe de dingen worden samengesteld uit de elementen.

  Het gesplitste en verdeelde heeft verborgen kwaliteiten, waarvan de aard in deze vier figuren bestaat; want anders zijn de elementen zelf op de een of andere manier samengesteld. Hieruit bestaat de gematigdheid van dingen; dat wil zeggen: waarin meer vuur is, dat is warmer, en zo bij de overige, maar op een ander gebied.

  Van deze eerste lichamen brengen ze de gedaanten en eigenaardigheden van dingen tot stand. Het kan namelijk zijn dat twee dingen bestaan uit gelijke gedeelten van lichamen van vuur, lucht, water en aarde, en dat ze toch van ongelijke aard zijn. Want bij deze kan een vuurdeeltje gelegen zijn tussen aarde en lucht, en ook tussen lucht en water, en er zijn heel veel verschillen in plaatsing van de vier enkelvoudige figuren, op één lijn gezet of tot de gedaante van een kubus gebracht. In een vlak dus zijn deze vier elementen deze vier figuren; in de gedaante van een vierkant opgesteld geven ze zestien verschillen, en in de gedaante van een kubus 64.

  Losheid en dichtheid volgt nu ook noodzakelijk uit dit verschil: delen zijn immers anders van elkaar geplaatst wanneer vuur tussen aarde en water is, dan wanneer het tussen water en lucht is. Eenzelfde losheid brengt namelijk niet eenzelfde aard en gedaante met zich mee: het kan immers zijn dat twee kubussen geheel dezelfde losheid hebben, die in hun afzonderlijke delen toch verschillen. Losheid en dichtheid wordt immers gezien aan de omvang van de hele kubus, de gedaante echter aan verschillende ligging.

  En hiermee wordt niet zeker bewezen dat er bij atomen geen andere figuur is behalve die vier, maar tenminste dat er niet meer vereist worden; ja zelfs als er meer zijn, dat het er zo weinig zijn, dat een bijzonder element niet één ander geslacht ervan tot stand kan brengen. Want behalve de vier primaire kwaliteiten wordt in een enkelvoudig lichaam nooit een andere gevonden, verschillend van water, aarde, lucht en vuur. Licht is immers vuur; zo lijkt ook de Zon vuur, meer gemengd uit licht en vuur in eigenlijke zin.   [>]

Brij-omslag

Hoe cataplasma phlegmone opwekt.

Galenus zegt in boek 11 van Methodi medendi [cap. 15], dat een brijomslag vochten naar zich trekt, zoals kopglaasjes [<], en flegmone opwekt.

  Dat gebeurt misschien ook omdat het deel zachter wordt, zodat dit, omvat door alle drukkende omvattende delen, het meest wijkt wegens de zachtheid, en zelf zwakker wordt bij het terugdringen van wat weerstend biedt, ook al zou ik niet ontkennen dat het ook warmte aantrekt zoals eerder vaak gezegd is [<]. Voeg hieraan toe de kracht van de natuur, die verdrijft wat haar tegenstaat; zodat dit zwakkere deel ook het meer brandende*) opneemt.


[ *)  Lat.: excrementiora (orig. excrementitiora), van excerno of excresco (afscheidsels of uitgroeisels), of van excremo, branden.]

[ 154 ]

Aderen

Hoe aderen het schadelijke verdrijven.

  Gezegd wordt dat aderen verdrijven op de volgende wijze. Wanneer iets ze hindert, wordt dit afgeschud en tegelijk drukken ze op al het bloed. Bloed wordt echter niet verdreven, omdat het met zijn haarvaten samenhangend is, maar vreemde materie die met niets anders samenhangt wordt uitgeperst. En dit is dan in de huid de bron van alle puistjes; het uitwendige is immers zwakker dan het inwendige en daarom kan het minder tegenstribbelen.
Doch wanneer aderen bij overvloed te vol gemaakt worden, drukken ze niet meer dan de blaas, als spieren een overvolle blaas ontlasten; maar als er vochten uitkomen, gebeurt het door een eigen beweging van de vochten, of door druk van delen rondom de aderen die door de volheid geprikkeld zijn.

Jeugd

Teken van het begin van de jeugd.

  Aangezien Galenus in boek 1 van de Tuenda sanitate zegt*) dat door droogte de groei van het geheel wordt belemmerd en dat het lichaam zich dan in de breedte uitbreidt en stabiliseert, zal het beste teken van het begin van de jeugd van elk afzonderlijk zijn: het stoppen van de groei.


*)  de Sanitate tuenda Libri VI, Lib. I, cap. 2  [F9].

Koudegraad

De eerste graad van koude verbetert de vierde niet.

  Wanneer van het lichaam een of ander deel enz. vier graden*) kouder is gemaakt dan het van nature is, en daarop een geneesmiddel wordt toegepast dat slechts een enkele graad kouder is, waarom wordt het deel daardoor dan kouder en kouder, terwijl ik koude slechts een verminderde warmte heb genoemd? °)

  Geantwoord moet worden dat het vuur dat ik koude noem, ijler van consistentie is dan onze lichaamswarmte, en daarom, als dat ijle vuur ons lichaam bezet, is er minder dichte warmte, dus dit lijkt ons kouder. En nu heeft dat wat ik in de vierde graad koud noem, zijn delen van koude verbonden, zodat weinig warmte daarmee is vermengd; en iets dat in de eerste graad koud is heeft de delen van ijlere warmte (die ik koude noem) minder verbonden, en daarmee is meer vermengd van dichtere warmte (die ik warmte noem).
Wanneer dus koude van de vierde graad een of ander deel bezet, bezet deze het toch niet zo geheel, dat er niets van gematigde warmte is overgebleven, of instroomt vanuit de rest van het lichaam. Waardoor het komt dat, als er wat koude, hetzij van de eerste graad, hetzij van een andere, deze bovendien die plaatsen zal bezetten, die tevoren door restwarmte werden gevuld, en derhalve zal het deel kouder worden, meer deeltjes zijn namelijk door koude in bezit genomen. Want al heeft iets kouds van de eerste graad ook warmte in zich vermengd, aangezien er toch meer delen van koude zijn dan van warmte, zullen de delen meer de koude te hulp komen dan de warmte.

  Maar misschien zal iemand denken dat koude van de eerste graad daarin verschlit van koude van de 4e graad, dat vuurdelen van deze laatste op zich zeldzamer zijn, zonder dat bijmenging van vreemde delen beschouwd wordt. Maar dit zou ik niet gemakkelijk zeggen, want daaruit zou volgen dat koude van de eerste graad iets dat koud is in de vierde graad verbetert. Verwarming van het deel zou immers meer vuurdeeltjes bijmengen, die gematigdheid meer nabij komen, omdat het meer zou verschillen van koude van de vierde graad dan van gematigde warmte.
Daarom moet gezegd worden dat er weinig verschillen zijn van vuren op zichzelf beschouwd, maar veel naar gelang ze met andere substanties gemengd worden. Ja zelfs misschien maar twee: het een dat warmte, het ander dat koude wordt genoemd, beide weer veel verschillend door menging, tenzij misschien het geslacht van vuren een ander geslacht van koude omvat: de zijnden, dat wil zeggen atomen, moeten zeker niet verveelvoudigd worden #), maar toch moet er ook niet aan voorbij gegaan worden.   [<,>]


[ *)  Op p. 276 staan 4 warmtegraden van geneesmiddelen uitgelegd als samenstellingen van 4 warme delen en resp. 3, 2, 1, geen koude delen.]
°)  Vergelijk p. 98, 99, 132, 134.]
[ #)  Naar het 'scheermes' van Willem van Ockham.]

[ 155 ]

Twee soorten koude

Positieve koude en koude door afwezigheid van warmte.

  Dan zijn er dus twee geslachten van koude: het ene dat genoemd wordt afwezigheid van warmte, zoals wordt opgewekt als de Zon verder weggaat van ons zenith, het andere is de positieve koude, waarvan de substantie ijlere warmte of ijler vuur is, zoals door Saturnus en koude sterren wordt uitgeworpen. Het eerste wordt gezien in hard geworden kaarsvet: wegens afwezigheid van vuur namelijk, neemt de substantie minder ruimte in dan vloeibaar kaarsvet. De laatste misschien in ijs: dit neemt namelijk meer ruimte in dan het water waaruit het bestaat [<]; daarom wordt gezegd dat water kouder kan worden dan ijs.

  Als het zo is, komt dit door afwezigheid van warmte, niet door positieve koude. Bovendien ook is onderaards water in de zomer het koudst; wie heeft dit toch bevroren gezien? Hoewel ik niet zou ontkennen dat er een manier bedacht kan worden, waarop het ijs kan worden door alleen afwezigheid van warmte, zoals ik hiervoor ergens [<] heb gedaan, maar de koude van sterren is noodzakelijk geheel positief.

Wrijven

Zachte wrijving, harde, veel, weinig, hoe ze werken.

Galenus, Lib. 2. de Sanitate tuenda [cap. 3], betoogt veel over zachte en harde wrijvingen, maar het is misschien goed nauwkeuriger te overwegen, waarom zachte wrijving zacht vlees teweegbrengt, en harde wrijving hard vlees.

  Ons lichaam is voortdurend in beweging, zodat er altijd iets van uitwasemt en toegevoegd wordt. Als dan, wanneer vlees zich al veranderend opricht, het geen belemmering vindt, en er een zacht lichaam is, waar het heel dichtbij komt, en dat heel makkelijk meegeeft wanneer het vlees zich ontplooit bij een of andere beweging ervan (zoals bij expulsie enz. en die door inwendige uitwaseming wordt veroorzaakt), is het noodzakelijk dat het heel zacht naar buiten komt en zich naar de natuur ervan zo soepel mogelijk uitstrekt.
Als het echter iets hards is dat heel dichtbij naar de huid toe beweegt, wordt deze samengedrukt en zijgt hij ineen, en de poriën worden dichtgesnoerd, aangezien dat harde niet meegeeft met de huid als deze zich naar zijn natuur ontplooit.
Lucht dus, aangezien deze het zachtste omgevende is, zou lichamen het zachtst maken als we bloot zouden lopen en die zou altijd gematigd zijn. Maar daar dit niet zo is, bedekken we ons tegen ongematigdheid met kleren, waarvan zachtere onderkleding het lichaam zachter maakt, en hardere harder.

  Wanneer het met deze zaak zo gesteld is in rust, zullen, wegens de voortdurende beweging van tenminste de verandering in ons lichaam, zachte en harde wrijving het hiervoor gezegde nog veel meer teweegbrengen: ze bewegen het lichaam immers meer, veranderen het en veroorzaken dat het zich ontplooit.
Weinig wrijving wekt wel meer op uit het lichaam dan geen, maar verstrooit ook meer; en daarom vermeerdert deze het lichaam niet, maar maakt ze het slechts zoveel zachter, als ze er een grotere beweging aan toevoegt dan het in rust krijgt. Middelmatige wrijving maakt het bij een zekere hoeveelheid nog zachter, maar omdat deze meer damp opwekt dan ze verstrooit, vermeerdert ze. De grootste wrijving maakt, vooral wegens zeer veel verandering, het lichaam het zachtst, maar tenger omdat ze nu meer verstrooit dan opwekt: elk deeltje houdt immers zijn vochten vast en alleen maar in het begin, en stap voor stap als het naar buiten gaat, staat het toe dat ze aangetrokken worden.


[ 156 ]

Wijn voor bejaarde

Of van nature koude mensen warm voedsel moeten krijgen.

Galenus zegt op de laatste pagina van Lib. 5. de Sanitate tuenda dat wijn goed is voor een bejaarde, en hij is geheel van mening dat bij koude ongematigdheden wijn te drinken gegeven moet worden, die warm is [<], en daarom lijkt hij te schrijven: "ongematigdheden die ook binnen de grenzen van gezondheid voorkomen", daar hij immers bejaarden als voorbeeld aanvoert.

  Maar hoe staat voor hem dan vast zijn "gelijke moeten met gelijke behouden worden"*), omdat een koude met koude dingen wordt gevoed, een warme met warme enz.? Is wijn voor bejaarden slechts passend op grond van subtiele delen om de excrementen te zuiveren, en om koude van excrementen te bedwingen? Zo noteert hij ook misschien warme dingen voor koude mensen, op grond van bepaalde aandoeningen die bij koude mensen voorkomen, en op grond van de koude natuur, vooral de gezonde, om de gezondheid te beschermen, dat zal hij niet opgeven.
Wanneer dus een gezonde een koud temperament heeft, en alle functies verricht naar de stand van zijn gezondheid, moet hij niet met warme dingen gevoed worden: warmte zal namelijk teveel oorspronkelijk vocht°) verbruiken. Als je ook derde vochtige toevoegt aan wat verteerd is, zal het niet juist toegediend worden: een koud en droog lichaam zal namelijk het eraan gelijke makkelijker in zich opnemen, maar wel als het in het eerste en tweede gebied voedingsmiddelen slecht verteert, om de vertering te helpen met iets warms.
Koude mensen lijken dus te worden verkwikt door het koude, maar behalve als de vertering van ook dunne delen niet makkelijk kan worden verminderd.

  Is het dan zo dat het koude wel past bij koude mensen, maar niet op grond van dunne delen, hetzij op zichzelf ingenomen, hetzij met een andere eerdere inname? Dunheid van delen van voedsel is namelijk niets, vergeleken met gelijkheid, omdat die dikwijls tot deze moet worden bewerkt voordat er iets opgenomen wordt. Het voedsel moet dus zijn in delen, van gelijke gematigdheid, gemakkelijk opgelost. Zo ook, aangezien er weinig past bij koude mensen, als ze meer hebben ingenomen dan behoorlijk is, en vettere dingen, is het geen wonder dat door hen die dingen worden aangewend, die ook zonder ons de veelheid en vetheid enz. kunnen overwinnen.

  Toch wil Galenus misschien, wanneer een gezonde ongematigd is, dat hij door voortdurende druk tot een betere gematgdheid gebracht wordt, en op deze wijze dat aan een bejaarde wijn moet worden aangeboden, dat wil zeggen iets warms aan een koud iemand, er is namelijk een gematigd middelste naar het gewicht.


[ *)  Lat.: 'similia similibus sunt conservanda', vergelijk: Taco H. de Beer, Eliza Laurillard, Woordenschat (1899 / 1993, ed. Ewoud Sanders), p. 1063.]
[ °)  Lat.: 'humidum nativum', zie 'humidum radicale'. op p. 123 en 'humor primigenius' op p. 133.]   [>]

Voeding en bloed

Voeding uit recent voedsel en bloed gemengd.

  Gevraagd kan worden, aangezien de aderen nooit zonder bloed zijn, of voedsel bloed voedt, en bloed het lichaam. Of is het veeleer zo dat het nu ingenomen voedsel ons na enige uren direct onderhoudt?

[ 157 ]
  Ik geloof dat beide worden vereist, zowel bloed als recent voedsel. Want voedsel dat enige kwaliteit heeft: niet eten wordt op dezelfde dag gevoeld in de uiterste delen van het lichaam, zelfs zwerende of verzwakte; en van bloed wordt niet zonder reden gezien dat het in de aderen zit, daar bij het onttrekken ervan het lichaam niet weinig wordt uitgemergeld. Van recent voedsel wordt dus iets met bloed samengevoegd, en van het bloed gaat iets af, met recent voedsel, om het lichaam te voeden, zodat ze gemengd beide deugdelijke voeding worden.

Kloppende slagaders

Kloppen van slagaders door geest die uit het hart door vezels van slagaders stroomt.

  Wat Galenus schrijft in het boek An sanguis sit in arterijs,*) over een rietje dat in de lengte geplaatst wordt in een slagader, die boven het rietje met een touwtje is dichtgesnoerd, werpt duidelijk omver, wat ik onlangs°) heb geschreven dat materie uit het hart ze opheft.
Laat nu evenwel gezegd worden dat een bepaalde materie binnen het omhulsel en de vezels of tussen beide bevat is, die niet anders dan ik elders over deze materie heb geschreven: van het hart vermeerdering opneemt, en aangezien de omhulsels van de slagader nu vol zijn, worden ze makkelijk in een enkel ogenblik door de weinige substantie toegevoegd door het hart, uitgerekt en zo noodzakelijk geopend en door vlucht voor vacuüm trekken ze geesten [spiritus] binnen de holte. En het is niet wonderlijker dat er een vluchtige substantie zit in de omhulsels, dan in zichtbare zenuwen, die zeker geen holtes hebben.
Wanneer er dus materie de slagaders instroomt, worden de vezels ervan noodzakelijk gespannen; dan richten ze zich ook meer op zodat ze meer kunnen bevatten, evenals wanneer iemand ineengevallen darmen opblaast, hij zal zien dat ze zich oprichten. Als hij dan deze ingewanden rondom met glad hout omgeeft en dit aan elkaar lijmt, en dan het hout wegtrekt, zal er uit de darmen een buis gemaakt zijn; en als je de ineengevallen buis opblaast, zul je zien dat de omvang van de buis wijder wordt, terwijl alleen de ingewanden gespannen worden, daar de buis eruit bestaat. Vergelijk hiermee de spanning van de mannelijke penis.   [<,>]


*)  Galenus, An sanguis naturâ in arteriis contineatur, cap. 8 [Gr.: Opera vol. 1, 1538, p. 221]. Met veel experimenten, tegen Erasistratus die beweerde dat de slagaders ook 'pneuma' bevatten [<].
°)  Zie p. 148 ["wordt warmte ... door het hele lichaam verspreid door het hart, zoals uit de polsslag blijkt"].

Traagheidsbeginsel

Galenus, de Hip. et Plat. Lib. 4,*) als hij de oorzaak geeft waarom iemand die hard loopt niet kan stilstaan zodra hij wil, te weten op een vlakte, had duidelijker kunnen zeggen: wat beweegt, beweegt altijd, tenzij het belemmerd wordt.


*)  Galenus, de Hippocratis et Platonis dogmatibus Libri VIII sine primo, lib. IV, cap. 2 [p. 249r: B 12].

Zenuwen

Hoe levensgeest door zenuwen stroomt.

Galenus, Lib. 7 de Hip. et Pla. placitis, schrijft*) dat, als geest van de hersenen door zenuwen naar de uiterste delen zou stromen, we ons moeten voorstellen dat een spinnenweb, dunner dan weefsel, de zenuwvezels omringt.

  Wat waar is, als het noodzakelijk is dat de geest altijd door een holle buis wordt geleid. Maar we zien water van de daken langs een stok omlaag gaan, en van buiten eraan kleven. Waarom zou de geest niet ook rondom heel dunne vezels kunnen rollen, wegens zijn vasthoudend vermogen, dat elders wordt bewezen op grond van de beweging van kleine diertjes?   [<,>]


*)  Ibid. lib. VII, cap. 3  [D 6: "reticularem contextum"].

[ 158 ]

Wetenschap en toeval

Hoe wetenschap en toeval verschillen.

Galenus, Lib. 9 de Hip. et Plat. placitis [cap. 1], zegt dat mensen van nature onderscheid maken tussen wetenschap en toeval, en dat ze wettenschap noemen wat bij alles gelijk gaat, en toeval wat in het een of het ander gebeurt.

  Maar als iemand duizend dobbelstenen vindt in een kruik, en ze in een speelse bui alle tegelijk eruit gooit op een tafel, zal het enige tijd duren, zoals door mij eerder is aangetoond [<], bij onophoudelijk herhaalde worpen, dat alle dobbelstenen gelijk liggen, en dat elke steen zes ogen weergeeft. Wat nu? Is dit het werk van toeval of van wetenschap?

Samentrekking

Zenuwen trekken samen door volheid.   Hoe leer samentrekt door warmte.

  Misschien is te overwegen of beweging niet komt door het inlaten van geest in zenuwen, daar ook gezegd wordt dat ze door volheid samentrekken, Galenus, Lib. 3, de Locis affectis [cap. 8, 9].   [<,>]

  Zo ook waarom leer samentrekt als het bij het vuur wordt gebracht? Soms wegens vlucht voor vacuüm? Doordat vocht dunner wordt, en daarom wegvliegt aan de kant die het dichtst bij het vuur ligt. En daar de omgevende lucht dikker is dan om de geleegde poriën te vullen, verdwijnen die delen van leer.

Winden, kookpot

Hoe winden in het lichaam vastgehouden worden.

  Behalve door dikte van substantie en vasthoudend vermogen van damp, worden winden in het lichaam [<] ook vastgehouden door dichtsnoering van delen van poriën. Daarbij gebeurt immers hetzelfde als bij een kookpot die nog niet kookt: de poriën zijn nog niet open, zodat in het begin zelfs vuur ze niet kan doordringen, waarvan een teken is de hevige warmte van de bodem: in poriën van de bodem vastzittend wordt vuur daar, terwijl er steeds nieuwe warmte bijkomt, vermenigvuldigd. Zodra er vuur door de bodem heen is gegaan, heeft het ook tijd nodig om door water en vissen in de kookpot te gaan: in het begin blijft het vuur steken in het onderste water, dat warmer is dan het bovenste, hoewel het lichter is, zolang de poriën van de hele inhoud nog niet voldoende openstaan.

Water staat soms op wijn.
Vissen onder water gaan dood als het door ijs is afgesloten.

Zo staat water soms ook op wijn.
Maar dat er in water poriën zijn blijkt in de winter, wanneer vissen doodgaan onder het ijs bij gebrek aan lucht die in water dringt. Het is namelijk niet de koude en damp die uit de bodem opstijgt, die ze doet omkomen, behalve bij een wak, waar zowel koude als damp uit de bodem meer overvloedig aanwezig zijn. In een kookpot worden ze dus in leven gehouden, als alle poriën openstaan.
Warmer water gaat naar boven en de warmte gaat er snel doorheen, en blijft niet méér bij de bodem steken dan zonnestralen, gaande door de middelste regio van de lucht, daar warmte opwekken; hierbij komt dat het koude deel van het water naar de bodem gaat, en deze afkoelt.

  Zo worden in het menselijk lichaam, als alle poriën open zijn, nauwelijks winden vastgehouden, en we hebben niet meer pijn dan wanneer verhit glas opeens breekt.

[ Ned. ]

[ 159 ]

Tegenstroom

Meseraïsche aderen*) trekken chijl aan en laten tegelijk bloed gaan.

Galenus zegt in de Usu partium, tegen het eind van Lib. 4,°) dat velen zich erover verbazen dat door dezelfde aderen opwelling gebeurt en voedsel terugkeert.

Gewoon water geplaatst op levenswater#) daalt, terwijl levenswater stijgt.

  Maar zoiets zul je zien als je een glas vol met water voorzichtig omkeert in een schotel gevuld met levenswater: je zult met deze opstelling namelijk zien dat het levenswater stijgt, en het gewone water tegelijk daalt.


[ *)  Aderen van het darmscheil of mesenterium.]
°)  'Peri chreias tôn en anthrôpou sômati moriôn logoi iz', de Usu partium corporis humani Libri XVII, Lib. IV, cap. 19  [laatste zin: "anadosis ad hepar", opwelling naar de lever].
[ #Aqua vitae, sterk alcoholische drank.]

Geluidsbron

De plaats vinden waar een stem vandaan komt.

lijnen, vox, auris, auris      Als je alleen op het gehoor van iemands stem de plaats te weten wilt komen, waar de stem vandaan komt, moet de stem weerkaatsen tegen een of ander lichaam, en moet je hem tweemaal horen, op verschillende plaatsen staande, en zoek dan een of ander punt waarin de lijnen, van je oor naar het lichaam, onder gelijke hoeken weerkaatst, beide eindigen. Dit zal het punt zijn van de plaats van de stem.

Ingewanden

Hoe de afzonderlijke lichaamsdelen het hunne aantrekken.

  Wanneer Galenus in Lib. 1 van 'Peri phusikôn dunameôn'*), veel betoogt tegen Epicurus en Asclepiades concludeert hij aan het eind van het boek, en aan het begin van het tweede, dat de ingewanden en alle delen datgene aantrekken dat ermee verwant is.


*)  'Peri dunameôn phusikôn biblia g' (de Facultatibus naturalibus Libri III).
[ Lib. 1, Asclepiades: cap. 13, Epicurus: cap. 14, aantrekking magneet en ijzer, barnsteen en stro;  Gr. & Engl. (A.J. Brock) 1916.]
Vanaf hier blijkt Beeckman bekend met de Griekse tekst van Galenus [<] in de uitgave 'Galènou hapanta' (Basel 1538), later door hem genoemd (p. 339); zie hiervan Vol. 1, Pars 1, p. 91-97.
[ Griekse ligaturen: Alphabetum graecum, 1528, 1543 (nexus), Rudimenta Graecae linguae, Francof. 1582..   Andreas Schmidhauser, Vernon E. Kooy, 'Renaissance Greek with Ligatures', 2006.]

[ 160 ]
  Maar het 'samentrekken'*) zal kunnen worden aangevuld op deze wijze: op al het aardse wordt van alle kanten gedrukt door de lucht die erop leunt, zoals elders [<] gezegd is, dus des te meer op die dingen, die in het lichaam zijn, waarbij een druk van omliggende lichamen kan komen.

  Laat dan eens het hart zijn samengesteld uit goud, of een andere substantie die makkelijk kwikzilver opneemt, en de nieren uit gedroogde modder of iets anders dat graag water krijgt, de milt tenslotte uit kweepeer, waarin olie makkelijk doordringt, en laat de aderen gevuld zijn met olie, kwik en water.
Zal dan niet, als het lichaam onder druk staat, olie snel naar de kweepeer gaan, water naar de modder, en kwik naar het goud? Daar elk inwendig deel, behalve in het eigene, ook in elk ander kan dringen, omdat de poriën van elk deel overeenkomen met vormen in elk lichaam; niet anders dan wanneer een zeef met verschillende openingen doorboord is, ronde, driehoekige, maanvormige enz., en als in de zeef tegelijk ronde, driehoekige, maanvormige enz. dingetjes worden geworpen, zul je dan niet zien dat elk door zijn eigen opening zal dringen?

  Voedsel wordt dus gebracht naar de buik en de ingewanden, en dit met vermogens die niet nu uitgelegd moeten worden. Als het voedsel is ingelaten trekken buik en ingewanden zich ook samen, verder dan bij de genoemde gewone druk, en wat de lever kan binnendringen, wordt uitgedreven; wat echter niet overeenkomt met poriën van de lever, gaat ergens anders heen. Hetzelfde gebeurt ook in de aderen na de lever. Het voorafgaande inwendige deel stuurt dus dingen naar een ander deel; en als dit vol is, trekt het zich samen en maakt het zich vrij.


[ *)  Beeckman noemt het in het Grieks 'to sustellein', zie ed. 1538, vol. 1, p. 96, r. 11; Lat. cap. 16, tegen Erasistratus, r. G 4-5: "Contractio igitur stomachi nulla videtur esse ... supernis partibus contractis".  Engl. p. 95.]

Slijm

Kwaliteit van slijm.

Galenus, Lib. 2 'Peri phusikôn dunameôn' aan het eind bij deze woorden*): "van slijm heeft de natuur geen reinigend orgaan gemaakt, omdat het koud en vochtig is, en als zodanig enig half verteerd voedsel" moet niet begrepen worden, denk ik, dat koude en vocht samen diagnostische aanwijzingen zijn van slijm dat half verteerd is en geschikt voor vertering. Gewoon water is dat immers niet, dat toch koud en vochtig is, maar wel geheel als materie passend bij voeding.
Wat koud is zal zeker door vocht worden verteerd. Koud en droog, zwarte gal, is nooit te verteren wegens de droogheid, omdat alles wat verteerd wordt droger wordt; gele gal echter wordt wegens hetzelfde, dat wil zeggen ook de droogheid, niet verteerd, terwijl die toch voor voeding geschikte materie heeft.


[ *)  Beeckman citeert hier de Griekse tekst, zie ed. Basel 1538, Pars 1, p. 107, r. 40.  Latijn: De Facultatibus naturalibus, Ven. 1565, cap. 9, 'De Generatione et corruptione Succorum', p. 302r, A 12.]

Harmonie

Harmonie bestaat uit eenstemmige en dissonanten.

  Harmonieën of samenklanken zijn niets anders dan eenstemmige gemengd met dissonanten. Eenstemmig zijn ze wanneer voortdurend twee stootjes of geluiden tegelijk de oren treffen, zoals hiervoor elders is gezegd [<]. Wanneer dus een snaar tegen een andere snaar een octaaf laat horen, zal, zoals we hebben aangetoond [<], het octaaf de oren tweemaal treffen in de tijd dat de eerst gekozene ze slechts eenmaal treft,

[ 161 ]
dat wil zeggen: om de andere beweging van het octaaf komt steeds tegelijk met een beweging van de bas bij het oor aan; de overige geluiden, binnen het octaaf, zouden dissoneren, als niet de tweede beweging van het octaaf ermee zou samenvallen. Zo gaat het ook bij de andere samenklanken, waarin echter minder dissonanten zijn en de eenstemmige vaker dissonanten opvangen en belangrijker zijn. De kwint is dus belangrijker dan de kwart en de vijfvierde dan de zesvijfde enz.

  Het gebeurt echter niet zelden, ja zelfs bijna altijd, dat snaren niet nauwkeurig verdeeld worden in de juiste verhoudingen, maar de kleine fout ontgaat het oor, omdat ze niet lang bewegen, maar meteen weer in rust zijn. Doch wanneer er een fout is gemaakt (neem aan dat de octaafsnaar groter gemaakt is dan die moet zijn), is dit misschien bij de twintigste beweging niet merkbaar, omdat nog steeds bij de twintigste beweging, nadat die bas- en octaafsnaar zijn aangeslagen, de stootjes tegelijk het oor raken, maar toch een beetje later dan zou moeten.
Want als de eerste beweging in snelheid te kort schiet en later gehoord wordt dan zou moeten, hoe onwaarneembaar ook: wanneer alle bewegingen gelijk zijn, zal de tweede beweging na deze weer evenveel te kort schieten als de eerste te kort schoot van het juiste tijdstip van horen; dus schiet de tweede beweging de dubbele tijdsduur te kort van het juiste tijdstip van horen. Doch laat ook dit verschil niet waarneembaar zijn, ja zelfs ook niet de genoemde twintig van zulke tijdsduren, waarmee de afzonderlijke stootjes later dan het juiste tijdstip gebeuren, toch zal het bij een honderdvoudige trillende beweging van de snaar waarneembaar zijn.

Noten van langere duur vereisen nauwkeurigere snaren.

Hieruit volgt dat noten van een langere duur nauwkeurigere snaren vereisen en dat moeilijker een melodie met voortdurende hele noten gespeeld wordt, en de harmonie zoet en verrukkelijk wordt, omdat zoals ik zei een verborgen gebrek mettertijd wordt opgemerkt.

  Wie dus het best samenklinkende snaren wil aanbrengen, moet zich snaren kiezen die lang klinken of goed onderhouden snaren: als je ze eenmaal aanraakt, laat ze dan bewegen zo lang ze kunnen, en op deze manier zal blijken of er een gebrek in schuilt.

Oven

Wanneer rook uit de oven komt, gaat lucht er in.

Galenus, Lib. de Usu respirationis*) schrijft dat een brandede oven, als deze geopend en dan weer gesloten wordt, rook uitbraakt en tegelijkertijd zuivere lucht aantrekt.

  De reden is deze. Warmte in de gesloten oven had verdunde lucht door poriën van de oven doorgelaten, en uit materie dikke dampen en rook opgewekt die, daar ze meer samengepakt en dikker waren, de hele oven niet tot in de kleinste ruimtes kon vullen, terwijl ze zelf ook met rook vermengd waren. Door vlucht voor vacuüm wordt dunne lucht aangetrokken, — maar rook stijgt alleen door lichtheid en alleen door een hogere opening, niet ook door een lagere; en het uitgaan ervan en ook van de ongemerkt binnenkomende lucht vermeerdert de hoeveelheid, die de trekkende kracht van de oven zoveel toont, als de rook de lichtheid van lucht overtreft en geschikter is om op te stijgen.
En wanneer tenminste de enige opening in de top van de oven is, leert de rede dat de rook door deze opening weg zal gaan in dezelfde tijd dat er lucht binnenkomt; niet anders dan wanneer je een glas vol kwik, omgekeerd met alleen de open kant in water zet: er zal immers water in opstijgen, terwijl kwik daalt door deze opening.


*)  'Galènou apanta' 3, 'Peri chreias', p. 162 [r. 36: 'kaminon' - oven.  Lat. 1565, vol. 2, cap. 3, A2].
Griekse tekst
Gr.:  'Ego de kai kaminon idôn sbennumenèn hupo tou mè diapneisthai ...'  
Lat.:  "Ego vero etiam cum fornacem viderem, ob id, q. perspirationem non haberet, extingui ..."


[ 162 ]

Luchtverversing

Schadelijke lucht in een kamer verbeteren.

  Als je lucht in een kamer wilt brengen, en andere ziekmakende of giftige lucht eruit wilt laten gaan, moet je een groot vuur aanleggen in de haard van die kamer en alle kieren afsluiten van deur en vensters enz.; met alleen een open toegang, die leidt naar de plaats vanwaar je de lucht wilt binnenleiden. Het vuur zal namelijk trekken aan de eerste lucht die in de kamer is, en deze verbruiken en verdrijven; en de gewenste lucht zal deze volgen. Maar deze weg moet uitkomen in de kamer op de plaats waar de lucht het laatst wordt weggetrokken, opdat het niet alleen nieuwe lucht aantrekt.

Kloppende slagaders (2)

Hoe het kloppen van slagaders duidelijker te onderzoeken is.

Galenus, Lib. 1 Dign. pulsibus*) zegt dat linnen, gelegd op slagaders, zichtbaar beweegt.

  Zal er soms een instrument gemaakt kunnen worden waarmee een geringe beweging groot verschijnt, net zoals die instrumenten waarmee we met een kleine kracht grote lasten optillen? Als immers een lans met zijn uiteinde op hout ligt, zodat het ene deel zich veel verder vanaf het hout uitstrekt dan het andere, zal het ene deel veel merkbaarder bewegen dan het andere, als de lans zo wordt bewogen dat hij op het hout rust.

instrument   Een instrument voor onderzoek van het kloppen kan namelijk als volgt zijn. Laat iets van die lichte materie op de slagader worden gelegd met het gedeelte a en laat chfa en biga aan weerskanten twee lancetten zijn, gekromd bij g en f, zodat ze vanzelf naar a vallen en wentelen op de punten h en i.
Als a dan door de slagader wordt bewogen, zullen af en ag stijgen, maar b en c dalen, des te meer zichtbaar naarmate ch en bi langer zijn dan ig en fh. Laat a makkelijk beweegbaar zijn, en f g zal soms lichter en soms zwaarder gemaakt kunnen worden, zodat het ook drukkende, kloppende en middelmatige aanraking weergeeft.
Laat ideh een gouden doosje zijn, met een zachte doek eronder, en bij a een zacht velletje; doch bij k en l moet een of ander gewicht hangen dat, dichterbij c en b gezet en verder er vanaf, deel fa en ga zwaarder en lichter maakt ten opzichte van c en b.

  Maar als je ook rust en het overige meer betrouwbaar wilt waarnemen, moet het deel bij a besmeerd worden met een of andere kleverige materie, zodat het aan de huid vast blijft zitten: op deze manier worden immers tegelijk met de huid zowel het velletje a als de hamertjes fa en ga naar beneden getrokken, te weten als fa en ga ook aan het velletje zijn vastgehecht, zodat ze tenminste nooit losraken van a, maar wel van elkaar af kunnen gaan en naar elkaar toe.   [<,>]


*)  'Galènou apanta' 3, 'Peri diagnôseôs sphugmôn', p. 59 [r. 32: 'othonion']; De dignoscendis pulsibus, lib. 1, cap. 8 [H 4: linteum].

[ 163 ]

Vermogens

Hoe vermogens soms opkomen.

Galenus, Lib. 2 de Causis pulsuum*), zegt dat een vermogen opkomt, wanneer door voorgaande kloppingen nog niet aan de behoefte is voldaan. Maar aangezien de natuur altijd op dezelfde manier te werk gaat, hoe kan dan gezegd worden dat het opkomt?

  Ik antwoord dat er in elk ding veel vermogens zijn die gericht zijn op verschillende werkingen, en die elkaar wederzijds, als het een of ander ontbreekt, te hulp komen. Zo zegt hij zelf in 'Peri phusikôn dunameôn' Lib. 3°), dat de baarmoeder het embryo uitdrijft, wanneer het al lastig is voor de moederschoot, maar dat alle omgevende delen blijken te helpen.
Zo zijn er ook in het hart vermogens, of het nu substanties zijn, of wat dan ook dat zorgt voor het uitrekken van de slagaders: sommige brengen bloed over naar een long, sommige doen iets anders, ook wat ons onbekend is. Dus bij de dringende behoefte aan kloppingen, komen naburige vermogens te hulp, eigen zaken onderbrekend, totdat aan de dringende noodzaak van de nabuur genoeg is voldaan.

  Hetzelfde is te zien bij het verteren van voedsel, zoals Galenus zegt in Lib. 3 de Causis pulsuum [108-109]. Want na het innemen komt er warmte in, die niets anders is dan de substantie van het verterend vermogen. Alle vermogens komen dus van alle kanten samen om de vertering te helpen. Waarom zou het dan een wonder zijn, als in het hart het vermogen om te kloppen slap is, dat de overige vermogens van het hart, voor iets anders bestemd, te hulp komen als de behoefte het eist, en dat op deze wijze wordt gezegd dat een vermogen opkomt?   [>]


*)  'Galènou apanta' pars 3, 'Peri tôn en tois sphugmois aitiôn logos', p. 95-96 [r. 10: 'anapherousa']; De causis pulsuum, lib. II, cap. 4 [D 10: attollere].
[ °)  Gr. Pars 1, 109, r. 20-;  Lat., p. 303r;  Engl. p. 235.]

Slagader en veerkracht

Bij slapenden grotere samentrekking dan uitrekking van slagaders.

Galenus, Lib. 3 de Causis pulsuum*), zegt dat bij het slapen de samentrekking groter is dan de uitrekking.

  Maar zijn uitleg begrijp ik niet. En ik vat de zaak als volgt op. Een slagader trekt zich samen aan het eind van een uitrekking, tot aan het begin van rust erbinnen. Doch ten tijde van de rust gaat de slagader zonder een uitrekkend vermogen, alleen door het terugspringen van de omhulsels wegens teveel samentrekking, terug naar de natuurlijke toestand. Hierna begint hij echter uit te rekken, zodat de samentrekking zoveel groter is dan de uitrekking, als ten tijde van rust de omhulsels van nature terugspringen, op de wijze van plaatjes die terugspringen als ze gebogen worden.


[ *)  Cap. 9, p. 106, r. 27:'sustolèn ... diastolèn'; Lat. p. 97v, F 15: contractionem ... distentionem.]

Mens niet toevallig

De mens is niet toevallig gebouwd.

  Daar Galenus, in Lib. 9 de Hip. et Plat. plac.*), en helemaal in de Usu partium°), goedkeurt dat de mens met een zeker inzicht is gebouwd, en niet toevallig, zodat geen enkel deel beter bij hem zou passen dan de delen die hij heeft. Daarom: als hij toevallig de kracht van een leeuw zou hebben gekregen, zouden er in hem veel dingen geweest zijn die ongeschikt zouden zijn voor veel gebruiks­mogelijkheden, wegens de instrumenten die vereist zijn voor kracht, ongunstig voor talloze handelingen van de mens.


*)  Gr.: pars 1, p. 339-342  [Lat. ed.: vol. 2, cap 8].
°)  Gr.: pars 1, p. 367-556.  [Lat. ed.: vol. 2, f. 113-222, zie cap. 2.]

[ 164 ]
Als de natuur eenmaal is vastgesteld gaan dingen vanzelf.

  Een natuurlijk vermogen lijkt niet in het verborgene te worden getoond. Maar wanneer voor kracht noodzakelijk bepaalde deeltjes vereist worden, en kracht niet zou kunnen bestaan zonder de genoemde kracht-instrumenten, volgt dat de vermogens van alles al zijn ingericht en dat de grenzen van wat elk ding doet al bestaan, en dat dit ondermaanse niet nog bovendien door een onmiddellijk inzicht wordt bestuurd, maar dat eens alle dingen met een zodanige orde en plaatsing zijn geregeld, dat ze uit eigen beweging en op zichzelf, en door toevallige samenloop, wat dan ook samenstellen.
Evenals wanneer iemand mieren, bijen, spinnen, vogels enz. ergens zou opsluiten, en er materie bij zou brengen, waarin ze zich zouden bezighouden. Dit beperkt deze dieren wel, zodat ze niets kunnen teweegbrengen dan wat de genoemde materie toelaat; maar het toeval laat toch toe, hoe elk voor zich een deel van de materie opneemt om te bewerken, en welk werk de mens, die misschien ook daaronder valt, verricht.

  Zo zijn getal en orde van de lichamen geschapen, zonder welke niets gebeurt; toch zijn ze geschikt gemaakt om door hun samenloop onbeperkt niet oneindig veel voort te brengen, maar eindig veel. Als immers niet zekere grenzen zouden zijn, zou niets verhinderen dat alles uit alles zou ontstaan en zou aan de mens, zonder belemmering van de overige handelingen, de kracht van een leeus ten deel vallen. Aangezien immers de bouwmeester almachtig is, waarom zou hij dan niet kunnen, wat wij niet begrijpen? We begrijpen immers dat alleen datgene kan gebeuren, waarvan God heeft gewild dat het begrepen kan worden.   [<,>]

Klysma

Waarom een klisteerspuit soms omhoog gevoerd wordt.

Gal., Lib. 6 de Sumpt. causis*) zegt dat klisteren en excrementen soms omhoog worden gevoerd, wegens onmatig inhouden.

  Maar het is de vraag waarom, daar de ingewanden zich even hoog houden bij de beweging omhoog en omlaag; zo ook de spieren van de onderbuik. Maar het middenrif verdrijft wat in de ingewanden zit alleen omlaag. En zo overtreffen de krachten die omlaag doen bewegen die, welke omhoog duwen.

  Waarom wordt iets soms omhoog gevoerd? De reden is, omdat in sommige gevallen de ingewanden zich niet even hoog houden bij elk van beide bewegingen, en op deze wijze kan de ene zoveel de overhand hebben op de andere, als hij de kracht van het middenrif te boven gaat. Deze beweging gebeurt met wat onderaan wordt ingehouden. Het vermogen trekt het samen wegens een of andere hinder enz.
Deze samentrekking zal wat erin zit een beetje omhoog bewegen. Het excrement echter dat hier is, beïnvloedt ook dit deel om samen te trekken en te verdrijven; dat kan echter niet omlaag, omdat het onderste al samengetrokken is door samentrekking, of andere effecten. Dus wordt de inhoud omhoog geduwd naar delen die de werking van de materie nog niet hebben gevoeld, maar in rust waren. Die even later pijn voelen en evenzo op het onderste inwerken, ondanks de opwellingen, als het effect buitengewoon groot was.


*)  'Galènou apanta' 3, p. 240; Lat. ed.: Lib. III, cap. 2  [G 9, H 6].

[ 165 ]

Vermogens (2)

Vermogens: voedend, inhoudend, verterend, verdrijvend.

  Dit plaats ik als geheugensteun over de oorzaken van het voedend vermogen bij Lib. 6 van Galenus, de Causis sumpt.*)

  Alleen warmte trekt aan, en daarin bestaat het vermogen aan te trekken. Er lijkt immers geen reden te zijn dat deeltjes zich van elkaar zouden verwijderen wegens een behoefte: ze plegen immers geen overleg. Vocht is het geschiktst voor vertering en assimilatie bij de overige temperamenten, droogte echter voor het inhoudend en het verdrijvend vermogen. Doch bij vermeerderde droogte wordt het verdrijvend vermogen slechter: dit heeft namelijk beweeglijkheid nodig en buigzaamheid, omdat een plotselinge werking wordt verricht; maar het inhoudend vermogen wordt minder gehinderd, omdat het stap voor stap en langer werkt.
Zo ..., ...°) immers en buigen ze moeilijk. Toch, als het langzaam gaat, wordt het niet gehinderd en houden ze steviger en langer vast, omdat ze moeilijk worden losgemaakt. Als nu een deeltje door vocht en droogte in zo'n toestand is, maar zwakker, door ongematigdheid van warmte en koude, neemt het inhoudend vermogen terstond af: dit heeft immers meer kracht nodig. Koude is tenslotte totaal werkeloos.   [<,>]


*)  Op dezelfde p. 240 van de vorige noot, Lat. cap. 2.
°)  Hier lijken enkele woorden te ontbreken.

Resonantie

Waarom een bewegende snaar een eenstemmige enz. laat meebewegen.

  Wat is er toch de reden van dat twee snaren van gelijke toonhoogte beide bewegen, terwijl slechts één van beide is aangeslagen?

  Hoewel ik elders hiervoor een reden heb opgeschreven [<], zal het volgende toch dienstig zijn, hetzij door uitleg, hetzij door verbetering.

  Daar is aangetoond dat aangeslagen eenstemmige snaren gelijk bewegen, en daar het noodzakelijk is dat wat beweegt, beweegt volgens de beweging van de beweger, en ten derde aangezien via de lucht de ene snaar de andere bereikt, volgt dat de door een bewgende snaar bewogen lucht op dezelfde manier beweegt als de genoemde snaar, en dat die even vaak en in dezelfde tijd de afzonderlijke bewegingen herneemt en afmaakt.
Als dus de andere snaar, aangeslagen op welke manier dan ook, altijd gelijk beweegt met de vorige snaar en als ze tegelijk hun bewegingen beëindigen (wat de aard is van eenstemmige) wat is er dan verbazend aan dat lucht die tegen een snaar in rust slaat deze beweegt, misschien onzichtbaar. Maar wanneer de lucht bij het tweede stootje deze snaar aanslaat en deze ook tegelijk aanvangt met een tweede beweging, wordt weer iets toegevoegd aan de beweging. Zo ook bij het derde en vierde stootje, en zo wordt de beweging tenslotte zichtbaar.

  Als echter een snaar in rust niet eenstemmig is met een bewegende, en ze daarom hun bewegingen niet gelijk uitvoeren, wordt de snaar in rust wel door de lucht aangeslagen en bewogen door de eerste aanslag, maar wanneer de lucht de tweede keer beweegt en aanslaat, is de beweging van de snaar nog niet afgemaakt, en zo ontmoet de lucht hem als hij teruggaat en dan belemmert hij zijn beweging. Als de lucht immers naar rechts beweegt, beweegt de snaar naar links, zodat hij door de tweede beweging steeds tot stilstand gebracht wordt; en ofschoon gezegd is dat de eerste beweging onwaarneembaar is, is het noodzakelijk dat van dissonante snaren, als de ene beweegt, de andere in rust is, voorzover het de waarneming betreft.


[ 166 ]
  Van dissonante, zeg ik, want soms gebeurt het misschien, dat bij hevige bewegingen van snaren, die als een octaaf ten opzichte van elkaar klinken, met de bewogen snaar ook de andere wordt bewogen. De lucht ontmoet bij de tweede beweging namelijk wel de andere beweging van de snaar en vermindert deze daarom; toch beweegt hij hem nog enigszins. En bij de derde beweging bewegen de snaren weer gelijk. Dus de tweede snaar, die nu in beweging is, en naar de ene kant gebogen, en daarom vanzelf naar dezelfde kant bewegend met een zetje van de lucht erbij, beweegt geweldig mee.
Het is dus zeker dat de snaar bij de derde trilling heviger beweegt dan bij de eerste. Zo is ook aan te tonen dat de beweging weer vermeerderd wordt door de vijfde trilling. En op deze wijze lijkt het niet vreemd dat ook hier, als de eerste snaar beweegt, de tweede beweegt, maar alleen als de beweging van de eerste snaar hevig is en uit veel trillingen bestaat.

Luchtstroming, niet geluid, beweegt onaangeroerde snaar.

  Maar, zal iemand zal vragen, is niet de gebroken lucht [<], maar geluid zelf het instrument van de beweging van de tweede snaar: dat kan ook steeds bij de eenstemmige gebeuren.

  Wind echter, of enkelvoudige lucht, wordt wel eerst door de snaar naar de tweede snaar geduwd, maar volgt ook de eerste als deze terugkeert, wegens de vlucht voor vacuüm, komend naar de plaats van de snaar. Deze lucht wordt gevolgd door andere lucht, deze door een derde, totdat tenslotte ook aan de tweede snaar wordt getrokken, en als zo de tweede snaar heen en weer gaat, ontvangt de eerste snaar voortdurend hulp, als hij eenstemmig is.

Snaar beweegt snaar ook zonder geluid.

  Met de volgende kunstgreep zal misschien een spelletje of een wonder gemaakt kunnen worden met gespannen snaren, enkele verborgen, maar andere in het zicht, en de snaren moeten met elkaar eenstemmig zijn. Als dan de verborgen snaren bewogen worden, zullen ook die in het zicht gaan bewegen, en er zal iets wonderbaarlijks gezien worden. Zorg er evenwel voor dat de snaren, geen geluid gevend, of aanvankelijk wel geluid gevend, gelijk gestemd worden opgesteld; en dat de gelijk gestemde niet kunnen klinken, door de holte waarin het geluid gemaakt wordt te verwijderen.

  Als deze snaren op de beschreven manier door elkaar worden bewogen, blijkt dat de beweging gemaakt wordt door wind, niet door geluid, waarover eerder iets is gezegd.   [<,>]

Niet vochtig

Niet al het zachte is vochtig.

Galenus, Lib. 1 'Peri diaphoras nosèmatôn'*), zegt "dat alle sappen naar de vorm vochtig zijn, maar naar de kracht niet vochtig".

  Dus kan het ook zijn, dat uit die vochten iets wordt samengesteld dat zacht is, en toch niet vochtig van uitwerking, maar droog, te weten door gal en zwarte gal "naar de vorm", bestaande uit vochtige stoffen, die zich ongehinderd met elkaar vermengd hebben. Dus niet al het zachte is vochtig.


*)  'Galènou apanta' 3, 204  [r. 51-52]; De differentiis morborum liber, cap. 12  [F 14-15].

[ 167 ]   23 dec. 1616 - 16 maart 1618

Vuur

Vuur blijft zonder materie niet bestaan.

Galenus, 'Peri tôn en tois nosèmasin aitiôn': "bij alle lichamen die van zichzelf warmer worden, met beweging de warmte vermeerderend, of door de nabijheid van een ander warmer lichaam"*).

  Gevraagd kan wel worden hoe warm gemaakte dingen op deze manier warm blijven, en hoe ondertussen de warmte ook vermeerderd wordt, aangezien een warm gemaakte steen in korte tijd koud wordt?
Maar het is te geloven dat er in ons lichaam een brandbare materie is als zwavel, maar met onzichtbaar vuur, dat is warmte die zich in geschikte materie onderhoudt, niet anders dan een vlam. Wanneer dus de warmte groot genoeg is, en deze brandbare materie geschikt, brandt ze zolang ze zulke materie tegenkomt.
Zo brandt aangestoken hout een tijdje. Doch als het droger is, maakt het een vlam voor langere tijd; en als het helemaal droog is, wordt al het hout verbruikt, ook op zichzelf. Het dooft dan alleen door aanwezigheid van vochten, en nabijheid van koude waarvan het zich niet kan afscheiden.


*)  'Galènou apanta' 3, 206, 1-2; De morborum causis, cap. 2.





Home | Isack Beeckman | 1617 v b (top) | vervolg