IB | < Vertalingen > | Index

Lichtbeelden , kip of ei , gewicht


Isack Beeckman - 1620 v


[ 12 ]

Lichtbeelden in donkere kamer    

Formas rerum in aere cubiculi obscuri repraesentare.

  Mirantur multi praestigiatores, quos vocant, ostendere aliquibus facies quasdam quae in toto cubiculo non sunt*). At si rem optime consideremus, id hoc pacto fieri poterit:

Vormen van dingen voorstellen in lucht van donkere kamer.

  Veel goochelaars, zoals men ze noemt, worden bewonderd omdat ze aan mensen gedaanten tonen die in de kamer helemaal niet aanwezig zijn*). Maar als we de zaak goed beschouwen kan dit op deze manier gedaan worden:

  Omnis labor situs est in eo ut species visibiles multae a facie exeuntes, colligentur. Si enim vulgari tantummodo ratione species faciei, extra cubiculum positae, foramini januae rotundo incidant, atque ita cubiculum intrent, necessarium erit omnes eas species, in cubiculo divergentes, iterum speculo concavo colligi in unicum punctum, ut ita monoculo duntaxat facies dicta cum omnibus coloribus cernatur, eo modo ac si oculus ipsi foramini admotus foret.     Het hele werk zit hem erin dat vele 'beelden'°) die van de gedaante uitgaan, verzameld worden. Als immers alleen maar op de gewone manier de beelden van de gedaante, die buiten de kamer staat, door een rond gat in de deur vallen, en zo de kamer ingaan, zal het nodig zijn al die beelden, die in de kamer uiteengaan, weer met een holle spiegel te verzamelen in één punt, opdat zo althans met één oog de genoemde gedaante met alle kleuren onderscheiden wordt, op die manier als wanneer het oog bij het gat gehouden wordt.
At si species extra cubiculum colligantur atque ita collectae in foramine conveniant, poterunt eae speculo apto in cubiculo incidentes, etiam binis nostris oculis rem visam repraesentare coloratum; et quidem erectam etsi plano speculo incidat, quia extra cubiculum poterit converti. Sciendum enim eam partem tunc rei visae, quae a janua aversa est, cubiculum ingredi debere, cum alias ea pars, quae januae opponitur, ingrediebatur, cum solum intra cubiculum specula collocarentur.   Maar als de beelden buiten de kamer verzameld worden en zo verzameld in het gat samenkomen, kunnen deze, via een geschikte spiegel in de kamer vallend, ook voor onze twee ogen het zichtbare voorwerp gekleurd voorstellen; en zelfs rechtop, ook al valt het op een vlakke spiegel, omdat het buiten de kamer omgekeerd kan worden. Te weten is wel dat dan dat gedeelte van het voorwerp, dat van de deur afgekeerd is, de kamer in moet komen, terwijl eerst het gedeelte tegenover de deur binnenkwam, toen alleen binnen de kamer spiegels werden opgesteld.

  [ *)  Drebbel was zo'n goochelaar, zie III, 367.  Zie ook Porta, Magia naturalis 1560, cap. II;  Engl. (1658): vol. 17, ch. VI.]  [>]
  [ °)  Voor het begrip 'species visibilis' (afdruk, schijngestalte, beeltenis) zie de tweede noot bij 'Licht' (1613).]

[ Ned. ]


[ 40 ]
De kip of het ei    

Pullus ovo fuit prior.

  T'Utrecht den 21en Mey, legens Gal., 'Peri anatomikoon egcheirèseoon, biblion a'.
Kuiken was eerder dan ei.

  Te Utrecht de 21e Mei, bij het lezen van Galenus, 'Over anatomische verrichtingen', boek 1.
  Dubitant quidam an existimandum sit ovum tempore prius esse pullo aut pullum ovo*). At si quis teneat animalia sponte sua nata esse ex materia insensili, ut ait Lucretius [II.865-], necesse est pullum ovo prius esse.
  [...]
    Sommigen twijfelen of men moet geloven dat het ei er eerder was dan het kuiken, of het kuiken eerder dan het ei*). Maar als iemand beweert dat levende wezens vanzelf zijn ontstaan uit materie zonder gevoel, zoals Lucretius zegt°), is het noodzakelijk dat het kuiken er eerder was dan het ei.

  *)  Deze vraag werd al gesteld door Plutarchus (Septem sapientium convivium, Lib. II, quaest. 3). [Zie: Chicken or egg.]
  °)  Lucretius, De rerum natura II, 865-896, in de vertaling van A. Rutgers van der Loeff:
...
Wat is het echter dat den geest zo drijft en dwingt
tot stemmingen om niet te willen denken, dat
uit ongevoeligs ooit gevoeligs kan ontstaan?
't Is dat geen mengsel ooit van steen en hout en zand
een levend resultaat kan hebben met gevoel.
Let wel nochtans, dat 't geenszins mijn bedoeling is
uit alle kiemen van de hele werklijkheid
ontstaan te laten wat behept is met gevoel,
maar dat de kleinheid van de atomen voor 't ontstaan
van wat gevoelig is belang heeft, en hun vorm,
zogoed als hun beweging en locaal verband.
Beeckman vraagt later (1630) aan Mersenne of Gassendi kan verklaren hoe leven ontstaan is uit iets 'zonder gevoel' [>].

[ Lat. ]


[ 107 ]
Gewicht    

Pondus corporum quomodo ab igniculis ex coelo octavo emissis, oriatur.

Hoe gewicht van voorwerpen door vuurdeeltjes uit de achtste hemel ontstaat.

  Scripsi ante alubi [<] de corporum pondere: id fieri quia corpuscula ab octavo coelo dimittuntur ad Terram, corporibusque sibi obvijs impingere eaque deorsum rapere.
 
  Hiervoor heb ik ergens [<] geschreven over het gewicht van voorwerpen: dat het komt omdat deeltjes vanaf de achtste hemel [firmament] naar de Aarde gezonden worden, en voorwerpen die ze tegenkomen treffen en ze omlaag sleuren.
 
  Hic defluxus est perpetuus et undique aequalis fitque forsitan per stellarum ejus coeli scintillationem. Corpuscula haec autem non ita videntur pura, ut radij solares; ideo lucem nullam adferunt; continent tamen ejus materiam. Hinc enim Sol nutritur, nam corpuscula non immediate ad Solem videntur redire, sed ad octavum coelum. Redeunt autem ob levitatem, ab his terrenis excussa, usque ad superficiem aeris; ibi enim in vacuo pergentes moveri, non quiescunt donec ad coelum pervenerint. Haec octavi coeli adferunt huc vires, quas vocant quintam essentiam et coelestem.

    Dit neerstromen is eeuwig en overal gelijk, en ontstaat misschien uit de fonkeling van de sterren van deze hemel. En deze deeltjes lijken niet zo zuiver als zonnestralen; daarom brengen ze geen licht; toch bevatten ze de materie ervan. Hieruit wordt namelijk de Zon gevoed, want de deeltjes lijken niet onmiddellijk terug te keren naar de Zon, maar naar de achtste hemel. Verder keren ze terug, wegens hun lichtheid weggeslagen van deze aardse gebieden, tot aan het oppervlak van de lucht; daar in het luchtledige namelijk, gaan ze door met bewegen, en ze komen niet tot rust totdat ze de hemel bereikt hebben. Deze deeltjes brengen de werkingen van de achtste hemel hierheen, die men noemt vijfde en hemelse essentie.

  Gravia autem corpora eo sunt graviora quo plus corporeitatis eodem spacio continent. Omnibus enim atomis occurrunt haec corpuscula coelestia; poros vero, etiam exiguos, libere permeant, donec solido alicui in corpore gravi occurrant; hinc et aeris minima deorsum deprimuntur.
Haec locum habeant Terrâ in medio mundi existente, quia coelum undique aequalibus stellis et viribus constare dici potest, etiamsi quasdam stellas non videamus, quasdam minores appareant ob distantiam; vires enim et corpuscula aequalia in Terram conveniunt.
Si vero Terra non sit in medio mundi, fit nihilominus ob motum Terrae diurnum ut omnium stellarum vires aequaliter recipiat; celerrimus enim hic est motus. Nec Terra, etiam secundum Copernici sententiam, respectu immensi coeli, longe a centro abest, adeo ut ejus via annua ad coelum se habeat instar puncti.

    En zware lichamen zijn des te zwaarder naarmate ze meer lichamelijkheid bevatten in dezelfde ruimte. Want deze hemeldeeltjes komen alle atomen tegen; en ze gaan ongehinderd door poriën heen, ook heel kleine, totdat ze iets vasts tegenkomen in een zwaar lichaam; vandaar dat ook de kleinste deeltjes van lucht omlaag gedrukt worden.
Dit vindt plaats als de Aarde zich in het midden van de wereld bevindt, omdat gezegd kan worden dat de hemel overal met gelijke sterren en werkingen onveranderd blijft, ook al zien we sommige sterren niet, en schijnen sommige kleiner wegens de afstand; de werkingen en de deeltjes komen immers gelijk samen op Aarde.
Als echter de Aarde niet in het midden van de wereld is, is het niettemin zo, wegens de dagelijkse beweging van de Aarde, dat ze de werkingen van alle sterren op gelijke wijze ontvangt; deze beweging is immers heel snel. En de Aarde is, ook volgens de mening van Copernicus, ten opzichte van de onmetelijke hemel, niet ver van het middelpunt vandaan, zodanig dat haar jaarlijkse baan zich tot de hemel verhoudt als een punt.*)

  Haec de hac re hactenus sufficiant, donec alius, vel ego ipse [>], meliora. Sint vero si placet haec corpuscula is ignis simplex de quo modo [<].     Dit is over deze zaak nu voldoende, totdat een ander, of ikzelf, iets beters heeft. En deze deeltjes zijn, zo men wil, dat enkelvoudige vuur, waarover kort geleden geschreven is.


  *)  Zie de uitleg bij Simon Stevin, in 'Hemelloop' (1608), p. 259 (sterren vertonen geen parallax, lamp in het midden); en diens figuur van het zonnestelsel op p. 250 (een jaar voor de ellipsen van Kepler).

[ Lat. ]




Isack Beeckman | 1620 v (top) | vervolg