Home | Beeckman | < Vertaling > | Brontekst | Index

Boeken , lichtbeelden , dampen , vergelijking , zonnewijzers , psalmen , Galenus , kip of ei


Isack Beeckman - 1620 v



[ 11 ]   8 - 19 jan. 1620

Boeken voor jongeren

Aan jongeren voor te schrijven.

  Aan jongeren moeten vooral zulke boeken worden opgegeven die naast een elegante wijze van uitdrukking ook een zaak zelf bevatten. Zo zou de Aeneis van Vergilius, als die althans in onze taal zou bestaan [1599], niet gelezen moeten worden; de Georgica echter zou ook in onze taal [1597] met voordeel onderwezen kunnen worden.   [<,>]

[ Ned. ]

[ 12 ]

Lichtbeelden in donkere kamer

Vormen van dingen voorstellen in de lucht van een donkere kamer.

  Veel goochelaars, zoals men ze noemt, worden bewonderd omdat ze aan mensen gedaanten tonen die helemaal niet in de kamer aanwezig zijn*). Maar als we de zaak goed beschouwen kan dit op deze manier gedaan worden:

  Het hele werk zit hem erin dat veel 'beelden'°) die van de gedaante uitgaan, worden verzameld. Als immers alleen maar op de gewone manier beelden van een gedaante, die buiten de kamer staat, door een rond gat in de deur vallen, en zo de kamer ingaan, zal het nodig zijn al die beelden, die in de kamer uiteengaan, weer met een holle spiegel te verzamelen in één enkel punt, opdat zo althans met één oog de genoemde gedaante met alle kleuren onderscheiden wordt, op dezelfde manier als wanneer het oog bij het gat gehouden zou worden.
Maar als de beelden buiten de kamer verzameld worden en zo verzameld in het gat samenkomen, zullen ze, via een geschikte spiegel in de kamer vallend, ook voor onze beide ogen het zichtbare voorwerp gekleurd kunnen voorstellen; en zelfs rechtop, ook al valt het op een vlakke spiegel, omdat het buiten de kamer omgekeerd zal kunnen worden.
Te weten is wel dat dan het gedeelte van het voorwerp, dat van de deur is afgekeerd, de kamer in moet komen, terwijl in het andere geval het gedeelte tegenover de deur binnenkwam, toen er alleen binnen de kamer spiegels waren opgesteld.


  [ *)  Drebbel was zo'n goochelaar, zie T. 3, p. 367.  Zie ook Porta (genoemd op p. 14), Magia naturalis 1560, lib. 4, cap. II;  Engl. (1658): vol. 17, ch. VI.]  [>]
  [ °)  Voor het begrip 'species visibilis' (afdruk, schijngestalte, beeltenis) zie de tweede noot bij 'Licht', 1613.]

[ Ned. ]

[ 16 ]   19 jan. - 22 febr.1620

Dampen

Lucht is bij vochtige hemel nauwelijks voldoende voor de longen.

Vergilius, I  Georgica: de vaars — de kop ten hemel / getild — staat met gesperde neus de lucht te snuiven.*)

  Wat gedaan wordt omdat de lucht met waterige dampen vermengd is, waardoor het komt dat met één teug niet zoveel lucht geschept wordt als bij heldere hemel: damp kan immers niet in de plaats komen van lucht, want het is water gemengd met vuur.


*)  Vergilius, Georgica I, vs 375/6.  [Vertaling: Ida Gerhardt, Amst. 1994.]   [<,>]

[ Ned. ]

Astma

Waarom astmatici bij nevelige hemel moeilijk ademhalen.

  Van astmatici wordt gezegd dat ze bij nevelig weer te kampen hebben met een ademgebrek, en dat ze alleen rechtopstaand ademhalen.

  De reden hiervan lijkt dezelfde te zijn als die ik eerder heb gegeven over het snuitsel [<], te weten dat damp, in lucht gemengd, de luchtdeeltjes verder van elkaar doet zijn, zodat de longen met één ademteug niet zoveel lucht aantrekken als wanneer de hemel helder zou zijn, daar de borst met lucht gemengde damp aantrekt. En daar de longen van astmatici niet veel inhoud hebben, is deze lucht voor hen niet voldoende.
Ik kan weliswaar niet ontkennen dat de dampmaterie hun enige volheid geeft, daar deze water is, maar we zien ook dat tijdens het drinken veel drank in de longen dringt, en dat deze damp van de soort is die voortdurend uitwasemt. En zo denk ik dat gebrek aan lucht hen het meest kwelt.


[ Ned. ]

[ 17 ]

Uitzetting door vocht en vorst

Waarom hout en linnen bij nevelachtige hemel uitzetten.

  Den 22 en Februarij t'Utrecht.

  De wereldkaart die in de school van deze rector hangt, is nu slap en niet gespannen. Maar de lucht is al vochtig; eerder, terwijl het vroor, was hij echter helemaal goed strak.

  De reden hiervan is, omdat terwijl het vriest de warmte eerst uit de lucht, en vervolgens ook van andere dingen wegstroomt en het vocht meeneemt waarmee ze gemengd was. Wanneer nu vocht dat in de substantie van de kaart was, deze heeft vergroot en ruimer gemaakt wegens de verbinding met overvloediger materie, is het noodzakelijk dat, bij het weggaan van dit vocht, de substantie van de kaart kleiner is; en omdat delen van de eigenlijke kaart, wegens het binnenkomen van vocht, meer van elkaar gescheiden waren dan naar hun aard, is het noodzakelijk dat ze terugspringen naar hun oorspronkelijke stand, op de manier waarop een stalen lat, eerst gebogen en daarna losgelaten, naar de oorspronkelijke toestand terugspringt; wel heftiger en sneller dan deze kaart, maar niet ongelijk.
En warmte gaat er uit omdat de omgevende lucht koud is, en de voortdurend wegstromende warmte wordt van buiten niet hersteld; vocht dringt echter in de substantie van de kaart wanneer de lucht vochtiger is dan die kaart. Dan is de lucht buiten de kaart namelijk dikker en dichter dan die, welke in de poriën van de kaart zit; de buitenlucht ligt dus op de lucht erbinnen en, omdat hierin meer leegte is, laat hij vocht van buiten toe, door de zwaarte gedrukt, ja zelfs uitgedrukt, in de poriën van de kaart, op de manier waarop lucht binnenkomt in een plaats die leger is dan hij zelf is.
En als dit warmere vocht in de poriën is gedrongen, doet het met zijn warmte de lucht uitzetten die al in de poriën was, en op deze wijze zetten niet alleen kaarten uit, maar ook deuren en talloze andere dingen bij regenachtig weer; bij droog weer echter krimpen ze.

Hoe iets uitzet door vorst.

  Dit gebeurt zo wanneer de poriën van iets heel klein zijn, zodat het weinige vocht erin bijna geheel met de warmte er uit kan vliegen. Wat gebeurt bij kleine poriën omdat met afzonderlijke vochtdeeltjes meer warmte is verbonden dan wanneer veel vocht tegelijk verzameld is zonder houtvezels enz. ertussen. Want aan die vezels hangt zeker ook de warmte, die ook dat vochtdeeltje raakt, en die wanneer ze wegvliegt ook niet iets uit de vezels met zich mee kan nemen, ze neemt een deel van het vocht mee; er gaat namelijk niet alleen warmte uit, en ook niet met teveel vocht erbij. Dan laat ze namelijk het overige achter en draagt zoveel met zich mee als ze kan.

[ 18 ]
De warmte dus, die aan de vezels was verbonden, zou ongehinderd wegvliegen, zonder vezelsubstantie, als ze niet vocht zou tegenkomen.

  Wanneer dus waterachtig vocht in grote poriën is verzameld, waaruit warmte weinig van het vocht naar buiten brengt en het meeste er in laat, dan bevriest dit achtergebleven vocht, en dan wordt de omvang groter en zet het ding zelf uit, zoals we elders hebben uitgelegd [<].
"Alsoo vriesen de steene wel uyt de aerde ende worden los ende kommen hooger, alsoo dat de deuren niet wel toegaen, ende komen de steenen oprysende."

[ Ned. ]

Vergelijking

Syllogisme uit volledige vergelijkingen.

  Volledige vergelijkingen lijken op deze wijze in syllogismen te komen: als gevraagd wordt of de koning boven het volk staat, kan de vergelijking zijn: zoals de stuurman tot de zeelieden, zo is de koning tot het volk, wat de propositio minor maakt als volgt: een stuurman staat boven de zeelieden; de koning en het volk zijn stuurman en zeelieden; dus de koning staat boven het volk.
Doch ik zeg dat de koning een stuurman is, en het volk zeelieden, niet echt en in alles, maar op het punt van voorrang; en bij voorrang behoren een hogere positie, eer, rijkdom enz.*)

  Het is anders als ik zeg: Elke mens is een dier. Eenvoudig gezegd zou het onwaar kunnen zijn, want een mens is niet geheel en al dat wat een dier is: ze verschillen immers in stem en in het algemeen, Maar wanneer ik zeg: De mens is een dier, bedoel ik de aard van een dier: levend, voelend enz.

  Zo ook: zoals 1 tot 2, zo is 4 tot 8. Hieruit komt het syllogisme: 1 tot 2 is de helft; 4 tot 8 is 1 tot 2; dus 4 tot 8 is de helft; doch 4 en 8 zijn niet geheel als 1 en 2, maar meetkundig in verhouding, waarvan de soort is: dubbel, helft, drievoudig enz.   [>]


[ *)  Elders (p. 64, 65, 130, 171, 326): 'schip' i.p.v. 'zeelieden'.  Simon Stevin: 'schip' en 'koninkrijk', in Bewysconst, p. 30.]

[ 19 ]

Dissonantie en cadens

Verband tussen dissonantie en cadens.

  Waarom in Psalm 90 de voorlaatste noten van de eerste en tweede regel slechts een halve toon van de noten ernaast verwijderd zijn, daarvan kan ik geen andere reden bedenken dan omdat deze voorlaatste noten dissonanten zouden zijn, daar ze zich verheffen buiten het verloop van de noten van die toonsoort; van deze dissonanties is vaker benadrukt [<] dat ze, waar er een geschikte consonantie op volgt (zoals hier het geval is), de grootste bekoorlijkheid geven, die gewoonlijk met de naam cadens [<] wordt aangegeven.
Weliswaar dissoneren deze voorlaatste noten niet in een gezang met meer stemmen; maar niettemin kan deze reden stand houden omdat meer stemmen de plaats van een dissonantie uitkiezen, die ze het best uitkomt. Zo eindigt in de Psalmen 129 en 77 een regel op zo'n halve toon, en dit wijst erop dat er nog iets anders te verwachten is, dat deze dissonantie weer goedmaakt. Als een regel namelijk mag eindigen op een noot die niet een hoofdnoot is, waarom dan ook niet op een dissonant, opdat des te meer wordt opgemerkt dat er nog iets over is?

Horatius had gelijk

  "Den 28en Februarij hebbe ick Mr Verhaer [<] betaelt voor 3 maenden musyck singen. Twelck ick mentionere om te toonen, hoe waer het is": Je kunt de natuur verjagen met een riek, althans totdat ze zal terugkeren*). Want bijna niemand anders heeft zo lang en met zoveel genoegen gezongen; hoewel ik toch met deze inspanning alleen maar heb bereikt dat ik nauwelijks gewoon kan zingen. [<].


*)  Horatius, Epistulae, I, 10, 24.  [Ned. Pieter Huisinga Bakker, 1782, p. 107, 31.]
Natuur, onheusch verjaegd, keert weder, eer wy 't willen,
En blyft meestresse, ondanks de dwaesheid onzer grillen.

[ Ned. ]

[ 20 ]   [28] febr. - 11 maart 1620

Zonnewijzers

Zonnewijzers van elke soort met redeneren beschrijven.

  Als iemand met redeneren zonnewijzers van elke soort wil beschrijven [<], moet hij om het zich voor te stellen zich voor ogen stellen een materiële globe of de 'makrokosmos' zelf, onderscheiden in horizon, meridiaan, evenaar, zodiak enz., en het oppervlak waarop ze zonnewijzer wordt vastgemaakt, moet hij nemen als horizon, en hij moet bezien hoeveel de wereldpool van dit vlak af staat.

[ 21 ]
Als dit gezien is moet hij de materiële horizon enz. gebruiken, niet anders dan wanneer hij daar op die plaats zou wonen. Dat wil zeggen: laat de horizon zijn die van de materiële sfeer, nu dienend als zonnewijzer­vlak, en breng de pool ermee in overeenstemming volgens de waargenomen verhouding van deze tot het zonnewijzer­vlak, wat je in gedachten met de globe zelf in overeenstemming hebt gebracht door middel van jouw meridiaan­vlak door het zenit — snijdend met rechte hoeken als de zonnewijzer moet komen aan een muur precies op het Zuiden, door middel van een vlak dat past bij jouw meridiaan als die op het Oosten of Westen uitkijkt.
Als middelpunt van de wereld of van de globe wordt bij deze zonnewijzers gesteld het bovenste punt van de opgerichte stijl, van waaruit op papier een cirkel wordt getrokken die overeenkomt met de evenaar (deze zonnewijzer is namelijk voor degenen die onder de evenaar wonen). Vanuit de afzonderlijke graden hiervan moet een rechte worden getrokken door het middelpunt, dat wil zeggen door de top van de stijl tot onder het middelpunt.
quandrant
Met zijn overige deel ziet het er zo uit:
    cad is een kwadrant,
    a het middelpunt van de wereld,
    ab de stijl,
    eb en gb zijn schaduwen.

  Geheel op deze manier redenerend kunnen we de hoogte van de Zon boven de horizon te voorschijn halen uit de schaduwen en de lengte van de stijl, door op deze manier zoals gezegd een cirkelkwadrant op te richten.

  Een zonnewijzer die afwijkt van het zuiden, een hellende, of een van het zuiden afwijkende en hellende, zal niet anders gemaakt worden, als zo'n vlak bij de globe wordt toegepast, hetzij in gedachten hetzij met het ding zelf, en als de afstand van de pool tot dat vlak wordt genomen, of hij nu met die meridiaan of met een andere cirkel wordt gemeten. Als deze verkregen is moet te werk worden gegaan op de gewone manier en voor dit vlak moet de materiële horizon worden gebruikt.

Zonshoogte

Middaghoogte van Zon en poolshoogte geven de zonshoogte op elk uur en andersom.

  Evenzo zul je ook weten, bij gegeven middaghoogte van de Zon en poolshoogte boven de horizon, hoe de zonshoogte is op elk uur en andersom. Bij gegeven zonshoogte buiten het middaguur (die tevoren met de schaduw van de stijl is gevonden) zul je weten welk uur van de dag het is.

  Bedacht moet worden een cirkel door het lichaam van de zon en beide polen, en bezien moet worden hoe het vlak daarvan de horizon snijdt. En vanaf de pool worden twee loodlijnen neergelaten, de ene op de meridiaanlijn, de andere op de lijn waarmee het vlak van de horizon de bedachte cirkel snijdt. Voorondersteld moet ook worden de afstand van de Zon op de horizon tot de meridiaan.


[ 22 ]

cirkel, lijnen
(Onduidelijke figuur hersteld door C. de Waard.)

  Laat ten eerste dbce het vlak van de horizon zijn, a het middelpunt van de wereld, bc de hoek, dat wil zeggen de afstand van de meridiaan ab tot het snijpunt van de door de Zon en beide polen bedachte cirkel met de horizon op het noordelijk halfrond.
Laat vervolgens abce zuidelijk zijn, d de pool, loodlijnen dg op ab en df op ac; maar gf verbindt deze beide punten en is noodzakelijk loodrecht op ac.
Laat ten derde dbce de bedachte cirkel zijn door de Zon en beide polen en laat fc loodrecht zijn vanuit de pool e (die zoëven d was); dan zal ec zijn het deel van de bedachte cirkel vanaf de pool tot de horizon. En vanaf de pool tot aan de Zon verandert de afstand niet, dus is bekend de afstand van de Zon tot de horizon op diezelfde cirkel, die namelijk getrokken wordt door beide polen en de Zon.

  Ofschoon ik aanvankelijk erop gericht was de afstand te zoeken van de Zon tot de horizon op de cirkel die getrokken wordt door de polen van de horizon [zenit en nadir] en de Zon, heb ik het niet verwezenlijkt.
Toch kan hier het volgende aangehouden worden: Als een vlak is opgericht loodrecht op een ander vlak, zoals hier het vlak dgf, bestaande in twee loodlijnen van de pool op twee lijnen naar de horizon, dan is d de pool. Dit genoemde vlak is opgericht op het vlak van de horizon abc; ik zeg dat, als df loodrecht op ac staat, ne dg op ab, ook gf loodrecht staat op ca.

Atmosfeer

Bewijs dat de luchtbol niet onmetelijk is.

  Uit de breking van sterren [<,>], wanneer ze dichtbij de horizon zijn, door zuivere lucht, wordt opgemaakt dat de bol van lucht niet onmetelijk is zodat hij geen verhouding zou hebben tot de grootte van de Aarde. Dan zou de Aarde immers overal als een middelpunt zijn, en daarom zou er geen breking zijn, zoals niet gebeurt wanneer sterren dichterbij het zenit zijn.

Syllogisme met voorwaarde

Syllogismos hypotheticos 4 terminorum ad cathegoricos reducere.

  Hypothetische syllogismen, ook met vier termen, kunnen worden herleid tot categorische*) met één of twee sylligismen, daar de waarheid van de voorwaarde voortkomt uit de overeenstemming van de termen zelf, zoals herleid wordt: Als een mens een dier is, heeft Pieter gevoel.

Elk dier voelt; Elke mens is een dier;
maar Pieter is een dier; Pieter is een mens;
dus Pieter voelt. dus Pieter is een dier.

  De minor wordt bewezen.


[ *)  Simon Stevin, Bewysconst (Leiden 1585), Definitie 41: 'Rechte Gewysredenen, Def. 44: 'Bewysreden met voorwaerde', zie p. 139 voor de Latijnse woorden.
Wikipedia: 'Over de categorieën', de tien van Aristoteles.]

[ 23 ]
  Maar als de termen niet ter zake doen, maar de waarheid afhangt van de verbinding van hele proposities, kunnen deze voorwaardelijke syllogismen niet worden herleid tot categorische. Er zijn namelijk niet meer dan twee termen, omdat grondstellingen niet verdragen dat hun leden van elkaar gescheiden worden, zodat de leden ter zake doen. Zoals: Als David niet behouden zal worden, zal de duivel zich verheugen; Als ik met iemand trouw, zal een preek gehouden worden*). Deze zijn namelijk gelijk aan grondstellingen met één term, zoals:

Als het nacht is, schijnt hij; maar het is nacht; dus hij schijnt.

  Dit zou wel herleid kunnen worden door toevoeging van het woord "nu". Maar zo kunnen ook de voorgaande herleid worden. Maar dit werd niet gezocht, omdat het meer lijkt op gebeuzel.   [<,>]


[ *)  Beeckman trouwt op 20 april 1620, ruim een maand hierna, zie p. 37.]

Tropen

Waarom de keerkringen heter zijn dan de evenaar.

  Degenen die wonen onder de keerkringen, worden door een grotere hitte bestookt dan degenen die onder de evenaar wonen, wanneer de Zon zich in hun zenit bevindt, en dit door twee oorzaken.
Wanneer de Zon namelijk op een keerkring is, is het zonnewende en blijft hij meer dagen bij dat punt dan wanneer hij op de evenaar is; daar­vandaan wijkt nij immers snel af naar het Zuiden of Noorden.
Ten tweede, daar hij als hij op de keerkring staat, een kleinere dagelijkse cirkel beschrijft dan op de evenaar, is het noodzakelijk dat hij zich op afzonderlijke dagen meer momenten bij hun zenit bevindt, dan bij dat van de laatsten, aangezien hij zoals gezegd in dezelfde tijd verschillende cirkels beschrijft.

Koude bergen

Waarom het boven in de bergen koud is.

  Waarom is er in de bergen niet zoveel warmte van de lucht als op de grond, terwijl ik zeg [<] dat alle stralen en volstrekt alle warmte hier vandaan opstijgt? zodat er evenveel stralen door de bovenlucht gaan als door de onderste.

  Ik antwoord: Omdat ze in de onderste lucht langzamer opstijgen, in de bovenlucht heel snel, op de manier waarop een steen die in lucht valt steeds wordt versneld; verder ook omdat de stralen in contact met de Aarde voor de terugkeer naar de hemel noodzakelijk stilstaan: zo gaat het immers met elk lichaam, zoals een bal die wordt teruggekaatst door een muur, in het contactpunt enig tijdsmoment stilstaat, want stilstand is er altijd tussen twee tegengestelde bewegingen van hetzelfde lichaam.


[ 24 ]

Psalmen

Verlaging van de hand vereist een lange lettergreep.

  Eergisteren trof ik aan het Liber Psalmorum van Andrea Spethe*), bestaande uit Latijnse verzen volgens het Duitse ritme opgesteld, en aangepast aan de muzikale getallen°) van de Franse Psalmen van Theodorus Beza*).

  Hierin heb ik met genoegen lange en korte lettergrepen opgemerkt die heel goed met de noten zelf overeenkomen en die in niet geringe mate overeenstemmen met mijn overdenkingen hierover. Hij lijkt namelijk op weinig punten te zondigen tegen welluidendheid en in het algemeen draagt hij er zorg voor, door bij verlaging van de hand een lange lettergreep te plaatsen, en bij opheffing een korte.
En indien ergens drie hele noten voorkomen, voegt hij aan het eind van de middelste een korte in, hoewel hij hier en elders soms zondigt tegen welluidendheid, maar heel zelden. En er lijkt bij zoiets ook rekening te moeten worden gehouden met de sprong en met de kortere en de langere noot, vooral als de woorden van het lied meer gekleurd, dat wil zeggen bij meer verschillende noten passend, moeten aansluiten.

  Wanneer twee korte lettergrepen elkaar opvolgen, voegt Spethe die onverschillig aan noten toe; zo ook wanneer hij met meer en lange te werk gaat. Maar zie zijn Psalm 100, waar hij het niet goed doet, zoals het meest blijkt uit het vijfde vers van deze Psalm.


*)  Andrea Spethe, Psalmorum Davidis ... Paraphrasis metrorhythmica, ad melodias gallicas et rhythmos germanicos Ambrosii Lobwasser ... accommodata (Heidelberg 1596).  [>]
Clement Marot, Theodore de Besze, Les pseaumes de David mis en rhythme francoise (Genève 1560).  [<]

[ °)  Lat. "numeris musicis", kan ook slaan op ritme. Interessant zijn de cijfers (en namen) bij de noten in 'Pseaume 1' van ed. Gen. 1560, niet in ed. Gen. 1562.]

[ Ned. ]

[ 25 ]   11 - 15 maart 1620

Zout en peper

Waarom zoute dingen meer drogen dan scherpe.

Galenus, 'eis to Peri diaitès oxeôn nosèmatôn'*), fol. 89, lin. 42: "zoute dingen drogen meer dan scherpe, al verwarmen ze niet evenveel".

  Om de fysische reden te geven, moet worden gesteld dat het in zout bevatte vuur makkelijker wordt gescheiden van de rest van het lichaam, zodra het zich met water heeft vermengd, of liever zodra water in het zout is gedrongen; dat, zeg ik, het vuur van zout makkelijker gescheiden wordt dan dat van peper, ook al is het in peper overvloediger, maar niet door water te scheiden van datgene waarin het zit.
En wanneer het vuur zich met water heeft verbonden tot op de kleinste deeltjes, komt er damp, die lichter is dan lucht en dus opstijgt. Maar deze damp is onzichtbaar wegens de ijlheid en door vuur verdund water begeleidt die ook door de kleinste poriën van een vat.


*)  Galenus, ed. Basel 1538, zie voor deze uitgave T. 1, p. 159; vol. 5 (de Victus ratione in morbis acutis ex Hippocratis sententia).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 8, fol. 135r.8.]

[ Ned. ]

[ 27 ]   15 - 21 maart 1620

Zwakte

Waarom zwakte dampen en vochten uitdrijft.

Galenus, 'eis to Prognôstikon' 1, fol., dat is pag. 122, 40: "door zwakte wordt voortdurend iets onzichtbaars uitgescheiden door de kleinheid buiten de huid, alsof er dunnere vochten uitstromen".
En even verder, pag. 124, 24°), zegt Hippocrates [dat de ogen] "onwillekeurig tranen".

  De reden waarom een zwakke gezondheid dampen en vochten uitdrijft bij het verzwakken van het lichaam, lijkt me de volgende:

  Sterkte van krachten is niets anders dan ruim voorziene geest [spiritus] in alle zenuwdelen, door een oorsprong, waar deze geest wordt voortgebracht, voortdurend uitgezonden, die ze met zijn binnenkomst en aanwezigheid uitstrekt en verwijdt, niet anders dan ik eerder elders [<] heb gezegd dat geest, uit het hart in de omhulsels van slagaderen gezonden, als reden wordt gegeven voor de uitzetting, op welke manier ook de penis wordt opgericht.
Op deze wijze dus, als alle zenuwdelen door deze geest versterkt zijn, en verdicht en uitgestrekt, ontstaan poriën, welvingen en holten, waardoor vochten en dampen ruimer en omvangrijker worden bijeengehouden, en daarin houden ze niet alleen vast wat erin zit, maar ook trekken ze vochten en dampen aan van buiten (of ook van binnendelen, andere zachtere, of waarmee voortgang naar andere delen van het lichaam beschikbaar is) in hun ruimten, door wat men noemt vlucht voor het vacuüm.
Wanneer echter deze geest ontbreekt, storten alle zenuwdelen in en worden de poriën vernauwd, en worden de dampen, vochten en warmten erin meer samengedrukt (waardoor het komt dat slapenden vochten meer verteren, te weten daar weinig geest wordt uitgezonden door hersenen in rust), samengedrukt dus door gebrek aan geest, dat wil zeggen door zwakte. Als deze zwakte heel groot is, storten ze zeer in en drukken ze de damp en de vochten uit hun poriën, ja zelfs ook de warmte, die samengedrukt sterker wordt en, zich vermengend met de vochten, uit het lichaam vervliegt.


*)  Galenus, Hippocratis Prognosticon et Galeni in eum librum commentarius I, in ed. Basel 1538, vol. 5. [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 191v.F7.]
[ °)  Lat. ed. 1565, fol. 192v.10, 'Ex olculis'.]

[ 28 ]
Alle vliezen zijn vol met voelende geest.

  Dit is die geest [spiritus], waardoor de moederschoot het zaad aantrekt, het nieuwe embryo negen maanden vasthoudt en met zoveel stuwing uitperst; en het is geheel dezelfde substantie als die waardoor we kunnen lopen, wandelen, dat wil zeggen die aan de spieren hun beweging verschaft, en ze is gemeenschappelijk ann alle vliezen van het menselijk lichaam, die alle op hun manier voelen door die geesten. Door diezelfde geesten weren ze vreemde dingen af en ze trekken homogene*) aan en behouden deze, waartoe deze delen van ons lichaam, ook van nature, vliezen en vezels als instrumenten gebruiken van allerlei soort.

  Laten we echter niet denken dat slechts die delen voelen waarvan we waarnemen dat ze voelen, dat wil zeggen waarvan we het gevoel opmerken, maar laten we stellen dat er gevoelige delen zijn, waarvan het gevoel op geen enkele manier onze waarneming treft, en andere waarvan het gevoel de aandacht in het verborgene raakt, die toch niet minder, ja zelfs wel eens scherper, voelen dan die delen waarvan het gevoel door ons wordt opgemerkt. Zo voelen de hersenen zelf soms terwijl we het niet weten, zoals bij epilepsie enz.


[ *)  Zie voor'homogenea' als moleculen: p. 74; voor het eerst genoemd, in de marge: T. 1, p. 130.]

Etter

Waarom witte en goed ruikende etter het best is.

Galenus, Hipp. 'Prognôs.', pag. 133, lin. 43*): "de beste etter is wit en allerminst stinkend".

  De reden hiervan is omdat het een aanwijzing is dat de natuurlijke warmte sterk is. De natuurlijke warmte nu is geest [spiritus], of liever vuur, en gaat door alle delen van het hele lichaam, waar vaste delen het meest voorkomen. Dat zijn namelijk van nature warme plaatsen, ook al lijken sommige kouder: dit komt namelijk door de bijzondere verbinding van vuur, op de manier waarop ook kaarsvet koud is, terwijl het helemaal vuur is.
Als er dus een of ander vocht uit een vat is ontsnapt, werkt deze geest daarop in. En omdat deze niets anders is dan een afschaafsel van de vaste delen, verandert hij datgene waarop hij inwerkt tot zijn natuur, op de manier waarop die delen zelf het bloed, waarmee ze gevoed worden, aan zich gelijk maken. Maar deze geest is witachtig en van goede reuk: zo zijn in elk geval de delen waar hij vandaan is gekomen; voor elk levend wezen lijkt namelijk van goede reuk datgene, wat het meest gelijk is aan zichzelf. Dus wordt ook de etter wit en van goede reuk.

Voortbrenging van etter uitgelegd.

  Maar daar in dat vocht, dat buiten een vat is gestroomd, een bepaalde eigen warmte zit, nog niet door delen onderworpen en daarom van een andere kleur en reuk, gebeurt het dat dit vocht verrot, want deze warmte die inwerkt op zijn vocht verdeelt de vochtdeeltjes niet volgens de verdeling van de deeltjes van het menselijk lichaam, omdat die warmte van iets anders komt en in zijn kleinste deeltjes van een andere figuur is dan de natuurlijke warmte.
Waardoor het komt dat ook de deeltjes van onderworpen vocht door deze warmte anders worden gerangschikt dan ze door de natuurlijke warmte gerangschikt zouden worden. Maar zoals al het gelijke ons behaagt, zo mishaagt ons alles wat ongelijk is en van kwade reuk. Dus dit vocht zou van kwade reuk zijn als het slechts door de eigen warmte zou worden onderworpen, wat gebeurt wanneer er weinig natuurlijke warmte is. Maar ook al is deze overvloedig aanwezig, toch kan hij de vochten niet geheel aan zich gelijkmaken, omdat ook de eigen warmte van het vocht wat doet.


*)  Ed. Basel 1538, vol. 5. [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 197r, cap. 42.]

[ 29 ]
Die kan namelijk niet geheel worden overwonnen door de natuurlijke geest, zoals bij de voeding van de delen gebeurt, omdat bij de voeding van de delen op één tijdstip weinig vocht wordt opgenomen om onderworpen en gelijkgemaakt te worden. Vocht echter dat buiten de vaten een ontsteking opwekt, is verenigd; en de geest raakt de te onderwerpen bolletjes aanvankelijk slechts aan het oppervlak.
Maar we hebben dikwijls gehoord*) dat het oppervlak van een klein lichaam een grotere verhouding heeft tot zijn lichaam, dan het oppervlak van een groot lichaam tot het zijne. Groter is dus de verhouding van de onnatuurlijke warmte tot de natuurlijke warmte, die het oppervlak van het ontstekende vocht raakt, dan de verhouding van de onnatuurlijke warmte tot de natuurlijke warmte, die het beete vocht raakt dat bij de voeding gelijkgemaakt moet worden.
Etter zal dus iets zijn midden tussen het aan ons gelijke en ongelijke. En de vochten in de vaten zijn soms meer, soms minder ver verwijderd van de natuur der delen, afhankelijk van de goede of slechte toestand van maag en lever, en daarom bevatten ze ook soms meer, soms minder natuurlijke en onnatuurlijke warmte.
Daar etter veel onnatuurlijke warmte bevat, dat is weinig die door de ingewanden onderworpen is, worden die vochten moeilijker door de te voeden delen bewerkt en eraan gelijkgemaakt, en daardoor, namelijk door een ontstoken lever, worden mensen waterzuchtig, zoals Hippocrates zegt bij Galenus, fol. 135, 19°): "Allen die ten gevolge van de lever waterzuchtig worden", enz.


[ *)  Zie b.v. de verklaring van de "cleyne sprinckelinckxkes" bij gloeiende kooltjes, T. 1, p. 275. Meer in de index.]
°)  Ed. Basel 1538, vol. 5. [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 198v, cap. 3.]

Oreren

In syllogisme alle woorden van redenaars opnemen .

  Het gebeurt soms dat redenaars en filosofen een middenargument stellen, waarvan het ene deel bevestigend is, het andere ontkennend. Bijvoorbeeld:

Elke mens is een dier en geen daarvan is ongevoelig; maar geen steen is een dier en elke steen is ongevoelig; dus Geen steen is een mens*),
in Cesare en Camestres°).
Zo zullen alle woorden van redenaars in een syllogisme kunnen worden opgenomen door ook aan de overige termen hun werkingen toe te voegen. Dikwijls verschijnt immers een grotere kracht bij verenigde argumenten, vooral als elk afzonderlijk van zichzelf zwak is, en zo lijkt de redenaar sterker te argumenteren dan de filosoof, die ze van elkaar scheidt; maar als deze die ook samenvoegt, zal hij niet kariger llijken dan de eerste.   [<,>]


[ *)  Op p. 40 hierna: "levende wezens ... uit materie zonder gevoel" bij Lucretius gevonden.]
°)  Woorden uit de middeleeuwse 'ezelsbrug' in de logica, zoals ook: 'Barbara, Celarent, Sorites'. Beeckman noemt Molinaeus [>], Keckermann en Alstedius [>].
[ Zie: Simon Stevin, Bewysconst, p. 125 en 38 (A, E, I, O). En hier in T. 2: p. 63, 171, 181, 191, 313; in T. 3: p. 145, 167.
A.C.J.A. Greebe, 'Ezelsbrug', in Tijdschr. Ned. taal- en letterkunde 37 (1918), p. 65-79, met op p. 67-68: Petrus Tartaretus.]


Purgeren

Reden van kritieke en symptomatische purgaties.

Gal., 'eis to Progn. Hipp.' II, 138, 8*): "wat compact doorgaat krijgt de aanduiding symptoom, wat na verloop van veel tijd meer tegelijk doorgaat is dikwijls een teken van goede uitscheiding, omdat de natuur het overtollige verwijdert".


*)  Titel op p. 27 hierboven (Comm. II), in ed. Basel 1538, vol. 5.  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 199r, cap. 14.]

[ 30 ]
  En geen wonder, want als de krachtengeest [spiritus virium], waarover hierboven [<], sterk is, verwijdt hij de holtes zoveel mogelijk, en zolang hij niet bezwaard wordt door veelheid of slechtheid, behoudt hij het overtollige. Zolang, zeg ik, als de holtes met weinig moeite verwijd kunnen worden; en verwijden is voor de geest makkelijker dan uitdrijven, omdat bij het eerste alleen een gewone instroom gebeurt of een wat ruimere. Het laatste is echter een ander soort werking. En niets verandert zijn oorspronkelijke werking als het niet door een of andere oorzaak wordt gedwongen.
Zodra dus de natuur begonnen is uit te drijven, gaat ze door met uitdrijven en dwingt ook het naburige tot uitdrijving omdat ze dat samendrukt. En samengedrukt probeert dat zich ook op te richten (wat een beweging van uitdrijving is) met een beverige beweging en dan komt het naburige de materie tegen die erin zit en wordt het daardoor aangezet tot uitdrijving terwijl het die eerder nog had kunnen verdragen.
Dus wanneer de natuur begint zich te purgeren, gaat ze door met zich purgeren, en dit is de gemeenschappelijke reden van alle kritieke purgaties. Symptomatisch echter valt het overtollige vanzelf uit de holtes, daar de natuur wegens zwakte de holtes niet verwijden kan, of sterker uitdrijven, en daarom valt dit vaak en met weinig tegelijk eruit.

Vuur lijmt

Vuur is de lijm van dingen.

Galenus, pag. 139, 11*): "dikwijls ontstaat iets kleverigs op wat al heel sterk is verhit".

  Het is immers vaker gezegd [<] dat vuur, hangend aan dingen die niet verdampen, ze aaneenlijmt. Zo is water kleveriger dan ijs, zoals te zien is aan druppels; warm kaarsvet is kleveriger dan koud kaarsvet.


*)  Ed. Basel 1538, vol. 5, Comm. II.  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 199v, cap. 21.]

Binding van deeltjes

Binding in kleine dingen is heel sterk.

Galenus, 'eis Prog.', 144, 31*): "schuim ontstaat aan zee bij vele en kleine deeltjes van uiteenspattend water".

  Wel juist, als hij niet even daarna zou hebben gezegd dat schuim niets anders is dan veel kleine belletjes, waarbij toch te weten is, al is het niet geheel absurd, dat lucht en heel zuiver water zich met elkaar kunnen verbinden zonder dat een bel wordt gemaakt, als ze verdeeld zijn tot in de kleinste deeltjes: dan is water immers nauwelijks zwaarder dan lucht, daar die deeltjes heel dicht bij de kleinheid van atomen komen, die allemaal even zwaar zijn als ze van dezelfde grootte zijn.
Bovendien, in deze kleine deeltjes van water en lucht hebben de oppervlakken een grote verhouding tot hun volume. Daar ze zich dus met hun oppervlakken aan elkaar voegen en elk zich op een eigen plaats terugtrekt met zijn volume, volgt dat de binding in kleine dingen heel sterk is, en dan ontstaat uit lucht, water, aarde en vuur in de zuiverste vorm, verdeeld tot in de kleinste deeltjes, elk gemengd lichaam dat de elementen op zijn nauwst verbonden bevat.
Het blijkt dus dat in kleine dingen het weinige aan oneffenheid waarmee ze verbonden zijn, sterker is dan de vele oneffenheeden in grote dingen, hoewel niets kan verhinderen dat ook de kleinste dingen even oneffen zijn als grotere.


*)  Ed. Basel 1538, vol. 5 (Comm. II, 47).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 201v, cap. 47.]

[ 31 ]

Vocht uit aderen

Verdrijving van vocht uit aderen vergeleken met verandering in aderen.

Galenus, 'eis to Progn.', pag. 150, 3*): "En dan niet, als bij de ziekte de spijsvertering goed is, met een abces, maar inderdaad door uitscheiding zal die opgelost worden", enz.

  Want de weg die de kwade vochten buiten de aderen voert, is moeilijker dan die, welke leidt naar een of ander zwakker deel. De eerste moet immers met een uitmonding de aderen openen, zodat ze de vochten kunnen verwijderen, de laatste echter is slechts een plaats­verandering in de aderen zelf. Als het vocht dus dun is, verteerd, dat wil zeggen licht verteerbaar, wordt het door het bezette deel wel weggedrukt naar andere zwakkere delen, maar die zwakke delen laten het niet toe; het vocht staat dus van alle kanten onder druk en wegens de dunheid ontsnapt het helemaal uit de aderen en uit het hele lichaam.
Maar als het taai is, proberen de zwakkere delen niettemin zich te verzetten tegen het opnemen ervan, maar ofschoon het taaie vocht niet de uiteinden van adertjes kan openen, en die veeleer afsluit, is het noodzakelijk dat zwakkere delen bezwijken en, overwonnen door sterkere, het schadelijke vocht opnemen; en als het vocht daar nu verblijft, verzwakt het de plaats en wordt het zelf scherper en een deel ervan ontsnapt uit de aderen in holtes van het vlees.


*)  Ed. Basel 1538, vol. 5 (Comm. II, 65).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 205r, A4, cap. 65.]

Kritieke dagen

Hippocrates' reden van kritieke dagen uitgelegd.

Galenus, 'Hippo., Prog.', III, 154, 34*): "Het is niet mogelijk crises precies in hele dagen te tellen, want het jaar", enz.

  Misschien heeft Hippocrates de maanmaand hier verdeeld in vier gelijke delen, zodat het eind van de eerste week valt op een tijdstip na de middag, van de tweede op de 14e voor de middag, van de derde op de 20e na de middag, van de vierde op het tijdstip dat de maanmaand eindigt, waarvan wij ook, elders [<] geloof ik, hebben gemeend dat het gedaan moet worden. Toch is het zo dat ziekte­verschijnselen soms voorafgaan aan een crisis, het tijdstip bespoedigen, of vertragen.
Misschien hebben dag en nacht zelf ook enige invloed op crises, en zijn sommige tijdstippen van de dag geschikter dan andere, wat ook het uur van de crisis kan veranderen; of, als je wilt, laten we zeggen wat we hebben gezegd over intermitterende koortsen°), dat elke zaak zijn rijpheid en zijn eigen tijdsruimte volgt, op de manier waarop appels, peren, pruimen, noten, een foetus enz. afzonderlijk een bijzondere tijdsruimte vereisen om te rijpen en de maat van hun vermeerdering vol te maken.
Ten slotte moet bezien worden of niet, zowel bij intermitterende als ook bij aanhoudende koortsen, afzonderlijke paroxismen beschouwd moeten worden als in de plaats komend van dagen, daar er weinig ziekten zijn die niet hun verergering hebben.


*)  Ed. Basel 1538, vol. 5 (Comm. III, 4).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 207r, cap. 4.]
°)  Zie T. 1, p. 145, en Beeckmans proefschrift: Theses de febre tertiana intermittente (1618).

Koortsen

Reden van intermitterende koortsen.

Galenus, 'eis Hipp., Prog.', III, 160, 53*): "Maar als de natuur niet eerder datgene uitdrijft wat om zo te zeggen de as is van hevig verhitte vochten", etc.

  Hieruit onstaat een intermitterende koorts en wel misschien op deze manier:

  De warmte, dat is al het vuur van de betreffende vochten, is er uitgegaan, de as is echter overgebleven in de aderen omdat die niet met de warmte, die er niet nauw genoeg mee verbonden was, weg kon gaan.


*)  Ed. Basel 1538, vol. 5 (Comm. III, 27).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 210r, cap. 27.]

[ 32 ]
Deze as wordt dan daarna verbonden met ander vuur of andere warmte, die weliswaar op zichzelf niet schadelijk is, maar toch krijgt hij, met deze as verbonden, de hele gestelde ruimte voor zich, om die te verrotten en koorts op te wekken, wanneer in een tijdvak van enkele dagen de as en de warmte geheel verbonden zijn en tot rijping zijn gekomen, soms sneller, en soms langzamer, afhankelijk van de aard van de as; en zo verschilt de vierdedaagse van de derdedaagse en anderdaagse intermitterende koortsen.
Maar bij elk paroxisme scheidt de warmte zich af van de as, en buiten het lichaam gedreven, neemt hij iets van die as met zich mee, op de manier waarop met water gemengd zout, als het water voortdurend verdampt en het opnieuw eraan toegevoegde weer uitwasemt, en er geen zout wordt toegevoegd, tenslotte al het zout verdwenen zal zijn. Doch hoe zwaarder deze as is, en hoe minder sterk met warmte vermengd, des te minder vervliegt er tegelijk bij elke verergering, en zo wordt de koorts langduriger.

  Dit voorgestelde over de vierdedaagse koorts zal overeen kunnen komen met alle intermitterende koortsen.

  Den 21en Meerte.

Drie soorten koorts

Waarom er maar drie soorten intermitterende koortsen zijn.

  Zo komen koortsen wel op dezelfde manier terug en worden ze terugkerende koortsen. En de reden waarom er niet meer dan drie soorten intermitterende koortsen zijn, is omdat er niet oneindig veel kleinste deeltjes [minima naturalia] zijn, wat Lucretius breedvoerig bewijst [II, 482]; dat wil zeggen dat deze as niet bestaat uit zodanige deeltjes, die door voortdurende deling of verandering een verschillende figuur kunnen krijgen, maar, zegt Lucretius, de verscheidenheid van atomen is eindig.
Zo kunnen ook de delen van de as van de vochten slechts in drie verschillende vormen variëren en opgesteld worden, op de manier waarop er geen schepsel is midden tussen mens en beest, en waarop er niet oneindig veel vruchten zijn tussen appel en peer.

Zwarte gal zet vochten om tot zijn natuur.

  Bovendien valt niet te ontkennen dat er vochten kunnen zijn, ja ze bestaan zelfs werkelijk in onszelf, van zodanige aard dat ze goede vochten omzetten tot hun natuur, op de manier waarop vuur olie verandert in vuur en er uit een klein beetje vuur een grote vlam ontstaat, als olie de materie levert.
Zo'n vocht is bij uitstek zwarte gal, die, terwijl hij zich vaak in het begin weinig verbreidt, van alle kanten zeer vermeerderd wordt; meer gematigde vochten echter van deze soort verbreiden zich wel verder, maar hun natuur overwint en verdrijft meer, dan ze voor zich winnen.

Waarom koortsen in het begin toenemen.

Waarom wordt dan niet gezegd dat in de genoemde as van koortsen ook zo'n gif schuilt, dat in het begin wel meer omzet tot zijn natuur dan de natuur bedwingt. Maar daar dat wat omgezet is, niet zo kwaadaardig is als het omzettende vocht was, wordt het tenslotte door de natuur geheel overwonnen en krijgt de ziekte met zijn vier tijden een einde, op de manier waarop de mens eerst groeit en daarna oud wordt en sterft.
Of, als je dit liever wilt, laat gesteld worden dat het omgezette vocht dezelfde kwaadaarigheid heeft als het omzettende, maar dat niet alles in de aderen omgezet kan worden, waaruit niet minder het eind van de ziekte volgt, als alles wat omgezet kan worden op is. Of zeg liever dat beide samengaan, dat namelijk de kwaadaardigheid en de om te zetten materie langzamerhand gaan ontbreken.

[ 33 ]

Loep voor arts

Gebruik van microscoop*) in de geneeskunde.

Galenus, 'eis to Kat' iètreion', I, 669, 32°): "Wat betreft het licht uit de omgeving, dat wat behandeld wordt zo helder mogelijk maken".

  Twelck sonder schade van de sieckten soude konnen geschieden met sulck eenen bril daerdoor men sien kan dat een vloo eenen steert heeft. Men soude oock veel dingen in de sieckte sien, die men nu niet en siet, ende soude veel baten.


*)  Deze naam voor het 'vlooglas' [>] werd voor het eerst gebruikt in een brief van Giovanni Faber aan prins Cesi, 13 april 1625 [zie Galileo's microscope, Anthology, p. 7; Ital.: "questo novo ochiale di veder le cose minute et lo chiamo Microscopio"].
Gassendi gebruikt hem in 1629. De marge-tekst is uit 1628. [Vgl. 240 en 317: 'perspicillum'.]

°)  Ed. Basel 1538, vol. 5 (Hippocratis de Medici officina Liber et Galeni in eum commentarius I, 11).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 8, fol. 201v, cap. 11.]

Klopping

Palpitatio cur non sit frequens.

Galenus, 'eis Prorr.', I, 179, 6*): "kloppingen door het geheel", etc.

  Die wind, die de materie is van klopping°), is zo dik dat hij niet door de poriën van ons lichaam heen kan gaan. Maar waarom wordt niet altijd een zo dikke geest voortgebracht, daar dingen die we eten van verschillende aard zijn? Het is één en dezelfde warmte. Waarom bewerkt deze sommige dingen niet minder, namelijk die welke moeilijker te verteren zijn, en wekt hij zo niet voortdurend kloppingen op?

  Ik antwoord: omdat we alleen zodanige dingen innemen waarvan we door gebruik hebben geleerd dat ze, door onze warmte verdund, in de poriën kunnen dringen. Er zijn er namelijk bij wie de poriën kleiner zijn en de warmte zwakker, en die zijn zeer onderhevig aan deze ziekte.


  *)  Ed. Basel 1538, vol. 5 (Gal. in primum Prorrhetici librum Hippocrati attributum, Commentarius I, 29).  [Lat.: Ven. 1565, vol. 5, fol. 167r, cap. 29.]
[ °)  Lat. 'palpitatio', zie ook T. 1, p. 150 en hierna p. 175, T. 3, p. 333: damp verzamelt zich in spieren.]

Verlof

  Ick hebbe den Rector gegeven vyff stucken van 11 gl. ende 4 stuyvers, desen 31en Meert 1620 tot Utrecht.


Waarschijnlijk in verband met het verlof dat Beeckman nodig had voor zijn huwelijk (op 20 april) in Middelburg [>].

Maan

Waarom de wassende Maan het vochtigst is, de afnemende het warmst.

  Te Dordrecht, den 3en April.

Baptista Porta [<] zegt in Lib. I, cap. 8, Magiae naturalis, dat de wassende Maan het vochtigst is, en de afnemende het warmst.

  De reden hiervan is mijns inziens dat de Maan, als ze juist te voorschijn komt uit de stralen van de Zon, weinig licht naar ons stuurt, en er damp van een heel halfrond van de Maan, die puur vocht is, zonder bijmenging van licht naar ons toekomt; en dat ze tenslotte, hoe meer licht ze krijgt, ook des te meer warmte geeft.


[ 34 ]
  Maar waarom is ze afnemend warmer dan wassend, terwijl ze in beide gevallen evenveel licht van de Zon ontvangt?

  Ik antwoord: omdat het deel van de Maan dat naar de Zon is gekeerd, steeds warmer wordt zolang de Zon zijn stralen ernaar stuurt. De stralen worden immers in het lichaam van de Maan gedreven op de manier zoals ik eerder heb gezegd [<] dat ze in de Aarde worden gedreven en erin blijven steken. Bij volle maan is dus het westelijke deel van het maanhalfrond, verlicht en voor ons zichtbaar, het warmst, omdat het langer zonlicht heeft verdragen, namelijk vanaf het begin van het toenemen tot volle maan.
Bij afnemende maan echter wordt dit westelijke deel het eerst verduisterd, maar niettemin blijft het nog enige dagen gloeiend heet door de langsgekomen warmte, die er gedurende 14 dagen aanhoudend door de Zon aan was toegediend. Dus damp van dit deel dat het eerst wordt verduisterd, stuurt wel het natuurlijke en gewone vocht van de Maan naar ons toe, maar nog gemengd met hevige warmte, op de manier waarop gloeiend ijzer, van het vuur weggehaald, enige tijd heel vurige warmte geeft.
De overige delen van de Maan, in het midden en oosten, worden met de dag warmer terwijl de Maan afneemt, zodat de afnemende maan veel warmer is dan de volle maan.

  De waarneming van de warmte van de Maan komt dus heel goed overeen met de rede, wanneer de wassende maan slechts zoveel warmte geeft als ze licht krijgt, en de afnemende maan ook zoveel geeft als ze licht heeft en bovendien dat wat in het verduisterde deel aan warmte is overgebleven; en wat zich misschien uitstrekt tot nieuwe maan, waarbij, aangezien al het licht weg is, als er enige warmte resteert, die is van de voorgaande hitte. En hoe meer de warmte afneemt, des te meer vermeerdert de eigen vochtigheid en de kwaliteit ervan.

  Dus de wassende maan "bevochtigt en verwarmt, is meer bevochtigend; terwijl de volle maan evenveel warms als vochtigs heeft", zegt Porta*). Zodat hij ook de nieuwe maan om dezelfde redenen eveneens voor warm en vochtig houdt.


*)  Op p. 8, r. 50-54 [r. 6-2 van onderen] in Io. Bapt. Portae Neapolitani Magiae naturalis libri XX, ed. Napels 1589. [Beeckman las waarschijnlijk (zie p. 20) ed. Frankf. 1591, p. 19, midden.]

Stemgeluid bewaren?

Stem opgesloten in buizen kan niet bewaard worden.

Baptista Porta [<,>] denkt*) dat de stem kan worden opgesloten in buizen zodat, als die geopend worden na enige dagen, de stem goed wordt weergegeven zoals hij tevoren was voortgebracht.


...


  Middelburgi.


*)  Ed. 1589, p. 257, r. 37-38 of p. 288, r. 19-21.  [1591, p. 568, 634.  Engl. 1658, p. 353, 386.]


[ 40 ]

Kip of ei

Pullus ovo fuit prior.

  T'Utrecht den 21en Mey, legens Gal., 'Peri anatomikoon egcheirèseoon, biblion a'.
Kuiken was eerder dan ei.

  Te Utrecht de 21e Mei, bij het lezen van Galenus, 'Over anatomische verrichtingen', boek 1.
  Dubitant quidam an existimandum sit ovum tempore prius esse pullo aut pullum ovo*). At si quis teneat animalia sponte sua nata esse ex materia insensili, ut ait Lucretius [II.865-], necesse est pullum ovo prius esse.
  [...]
    Sommigen twijfelen of men moet geloven dat het ei er eerder was dan het kuiken, of het kuiken eerder dan het ei*). Maar als iemand beweert dat levende wezens vanzelf zijn ontstaan uit materie zonder gevoel, zoals Lucretius zegt°), is het noodzakelijk dat het kuiken er eerder was dan het ei.

  *)  Deze vraag werd al gesteld door Plutarchus (Septem sapientium convivium, Lib. II, quaest. 3). [Zie: Chicken or egg.]
  °)  Lucretius, De rerum natura II, 865-896 [hier in de vertaling van A. Rutgers van der Loeff:]
Wat is het echter dat den geest zo drijft en dwingt
tot stemmingen om niet te willen denken, dat
uit ongevoeligs ooit gevoeligs kan ontstaan?
't Is dat geen mengsel ooit van steen en hout en zand
een levend resultaat kan hebben met gevoel.
Let wel nochtans, dat 't geenszins mijn bedoeling is
uit alle kiemen van de hele werklijkheid
ontstaan te laten wat behept is met gevoel,
maar dat de kleinheid van de atomen voor 't ontstaan
van wat gevoelig is belang heeft, en hun vorm,
zogoed als hun beweging en locaal verband.

En V, 797:
Ook nu nog komen dieren uit het aardrijk voort,
gestold product van zonnewarmte en regenvocht,
...
[ Beeckman vraagt later (1630) aan Mersenne of Gassendi kan verklaren hoe leven ontstaan is uit iets 'zonder gevoel', T. 4, p. 186.]

[ Lat. ]


[ 43 ]

Regel over 'elke' en 'geen'

Regel over alle en geen, hoe die is in de overige figuren.

  Een regel over Elke en over Geen is op deze manier impliciet bevat in de tweede en derde figuur*):
    Geen steen is een dier; elke mens is een dier; dus geen mens is een steen.
  Want omdat geen steen een dier is, is ook geen dier een steen, en daarom kan wat onder dier bevat is, niet een steen zijn, zoals wat onder steen is bevat ook niet een dier kan zijn.


[ *)  Stevin, Bewysconst (1585), p. 138: 'Soorte' voor 'Figura'; def. 35: "Der Bewijsreden sijn Vier Soorten, welcker Drie, hebben een ghemeen Middel Termijn".]

[ 44 ]
  Zo:
    Elke mens is een dier; elke mens is een tweevoeter; dus een of andere tweevoeter is een dier.
  Want daar elke mens een tweevoeter is, is ook een of andere tweevoeter een mens; dus aangezien elke mens een dier is, is ook alles, wat onder de mens is bevat, een dier. Maar een of andere tweevoeter is onder de mens bevat. De regel over 'elke' zit hier dus impliciet in, omdat in "elke mens is een tweevoeter" impliciet bevat is: "een of andere tweevoeter is een mens".

  Van het begrip hiervan hangt elke herleiding af van syllogismen tot de eerste figuur; ik heb het nu niet over het al of niet nuttig zijn daarvan. Om dan deze regel met de minste moeite op te roepen, moet je elk van beide middentermen vergelijken, en bezien wat onder de middenterm bevat is, of waaronder de middenterm valt, of waarmee de middenterm niet overeenkomt. Gezegd wordt dat deze regel impliciet in deze figuren bevat is, omdat het niet onmiddellijk blijkt, maar na omzetting van een van beide proposities enz. [<,>]


[ Ned. ]


Home | Isack Beeckman | 1620 v (top) | vervolg