Home | Beeckman | < Vertalingen > | Brontekst | Index

Olie, breking , zonnevlekken , beschaamd , oog , eten , gebreken , hersenen , persoon , stergrootte , telescoop


Isack Beeckman - 1631 v b



[ 214 ]

Olie in pit

Waarom olie opstijgt in een brandende pit.

  Olie stijgt op in een brandende pit, omdat die olie, die in dat deel van de pit is dat brandt, al bijna verbruikt is [<]. Dus de doorgangen in de vezels van de pit zijn op die plaats leger dan ze waren, en daar die vezels al uitgedroogd zijn door de vlam, kunnen ze niet zo gemakkelijk verdwijnen als voordat ze uitgedroogd waren. Terwijl die eerste dus openstaan en ze in dat deel waar de vlam is, gesloten zijn wegens de droogte, wordt de olie die het dichtst bij is door de erop steunende lucht in deze doorgangen gedrukt.

  Vergelijk hierme wat ik elders [<] over een filter heb gezegd; hierdoor stroomt namelijk niets weg tenzij het buitenste deel lager is dan de olie die in het vat zit.

  Waar de vlam is worden delen van de vezels ook gesloten door snuitsel, dat is as die eraan hangt, en hun buitenste poriën dichtstopt. De vlam, die gewoonlijk meer omhoog beweegt dan omlaag, lijkt niet een mede-oorzaak, omdat er vrij veel vuur en materie door omlaag gedrukt wordt, zodat hierdoor niet iets gedwongen wordt op te stijgen.
En de vlam opent de poriën van de vezels, omdat de olie erin uitzet waardoor, als hij al vlam gevat heeft en buiten de poriën opstijgt, de zijden van de poriën, zoals gezegd uitgedroogd, zich niet kunnen sluiten.


[ Ned. ]



[ 216 ]   begin aug. - okt. 1631

Lichtbreking

Hoe de breking van sterren in de lucht is.

  De breking van sterren [<] aan het oppervlak van de lucht wordt door de Astronomen op zeer gering gesteld. Maar als iemand zou zeggen dat de breking niet eenmaal gebeurt, maar vaker, voordat een straal tot ons komt, zou hij met deze uitspraak de grootte van de breking zeer vermeerderen; vooral bij de horizon, waar de afstand tussen onze ogen en het oppervlak van de lucht veel groter is, en daarom kunnen er in dit grootste interval zeer veel wolkjes of verscheidene verdichtingen van de lucht zijn.
Water en glas, die noch verdund, noch verdicht kunnen worden, vertonen wel slechts een enkele breking, die een inkomende straal ontvangt; maar daar de lucht op de ene plaats dicht, en op de andere ijl kan zijn, kan hij in de breking een grote veranderlijkheid aanbrengen.

[ Lat. ]



[ 217 ]   10 okt. 1631

Zonnevlekken

Of zonnevlekken hemellichamen kunnen zijn.

Galileo Galilei, wiens boeken behalve Sidereus nuncius [<] ik nu voor het eerst zie, zegt in de Eerste brief over zonnevlekken*) op p. 26 dat, als zonnevlekken hemellichamen zouden zijn tussen Mercurius en Venus, ze sneller zouden bewegen voor de Zon dan echte vlekken en Mercurius, omdat (zegt hij) het waarschijnlijk is dat ze, bewegend in een kleinere cirkel dan die van Mercurius, een snellere beweging zouden hebben dan Mercurius, die als hij voor de Zon langs gaat diens schijf in ongeveer 6 uur oversteekt.

  Maar als de Zon met zijn beweging de planeten meesleurt is het waarschijnlijk dat het zo kan zijn, dat sommige lichamen tussen Mercurius en de Zon, door de stralen van de Zon rondgevoerd, langzamer bewegen dan Mercurius. Er kunnen daar geen lichamen zijn die hun rondgang in een zo korte tijd volbrengen als de Zon zelf. Die welke niet ver van de Zon af zijn volbrengen misschien, door de sterkte van de stralen, hun rondgang in bijna dezelfde tijd als de Zon de zijne; die andere echter (omdat ze waarneembaar van de Zon verwijderd zijn) gaan sneller over de zonneschijf dan de zonnevlekken, maar daarom nog niet zoveel sneller als Mercurius.

  Het is niet noodzakelijk waar, wat Kepler zegt, dat wat het dichtst bij de Zon is 't snelst beweegt, omdat van die welke hun periode tegelijk volbrengen, de verst verwijderde het snelst bewegen. Maar ik heb al gezegd [<] dat het kan zijn dat op een of andere afstand van de Zon alle tegelijk hun rondgang waarneembaar volbrengen, wegens de sterkte van de stralen daar. Dus sommige kunnen langzamer bewegen dan Mercurius, maar niet langzamer dan de zonnevlekken, behalve op een zodanige afstand waar de stralen weinig invloed hebben; tenzij er lichamen worden gevonden die de kracht van de stralen niet kunnen volgen, wegens poreusheid, zachtheid of iets anders.

  De 10e oktober 1631.   [<,>]


  *)  Istoria e dimostrazioni intorno alle Macchie solari e loro accedenti (Rome 1613).  [Sunspots]
Albert van Helden, 'Galileo and Scheiner on Sunspots', in: Proceedings of the American Philosophical Society, 140.3 (1996), 358-396.
Galileo Galilei & Christoph Scheiner On sunspots, Eileen Reeves & Albert van Helden (transl. and introd.), Chicago 2010.

[ Lat. ]


[ 219 ]   okt. 1631
Beschaamd  

Pudentia mea.

  Tam aegre ego in conspectu aliorum mingo ut aliquando per quadrantem unius miliaris de via decedam, ne a praetereuntibus videar.
Mijn beschaamdheid.

  Zo ongemakkelijk plas ik in het zicht van anderen dat ik soms wel een kwart mijl van de weg af ga, om niet door voorbijgangers gezien te worden.   [<,>]


Oog  

Iris oculi mei evanuit.

  Iris quam scripsi per sinistrum oculum meum circa candelam apparere [<] jam aliquot mensibus non apparuit. Oct. 1631.
Regenboog in mijn oog verdwenen.

  De regenboog die zoals ik beschreef [<] met mijn linkeroog te zien was rondom een kaarsvlam is nu al enkele maanden niet zichtbaar geweest. Okt. 1631.   [>]

[ Ned. ]

[ 220 ]   okt. 1631
Eten  

Comedere multum an bonum sit mihi.

  Qui multa edunt eorum excrementa videntur plus nutrimenti retinere, ipsi vero subtilissima ciborum parte nutriri. Non igitur videor quare debere quod tam multa ego edam. Qui vero pauco cibo nutriuntur, in substantiam suam vertunt eam partem cibi quae est crassior. Quid autem hinc boni fiat vel mali videndum.
Of veel eten goed is voor mij.

  Van degenen die veel eten schijnen de uitwerpselen meer voedsel te behouden, en ze schijnen zich te voeden met juist het fijnste deel van de voedingsstoffen. Dus zie ik niet in waarom het nodig is dat ik zo veel eet. Degenen die inderdaad door weinig voedsel gevoed worden, zetten van het voedsel dat deel in hun lichaamsstof om dat grover is. Wat hier nu voor goeds of kwaads uit komt valt te bezien.


Gebreken  

Vitia mea.

  Vitio etiam hoc laboro quod in cymbis aut curribus, imo ad mensam inter ignotos, nihil fere queam disserere, satis inter amicos disertus. Soleo cum juvenis essem, ad odium usque esse disputax. Etiam nunc incomptus sum vestibus, ac ordinationis bibliothecae et musei negligentissimus.
Mijn gebreken.

  Ook [<] lijd ik aan dit gebrek dat ik in boten of op wagens, zelfs aan tafel tussen onbekenden, bijna niets kan bespreken, terwijl ik onder vrienden tamelijk bespraakt ben. Toen ik jong was was ik gewoonlijk redeneerziek tot in het onuitstaanbare. Ook ben ik nu onzorgvuldig met kleding, en zeer onverschillig over de ordening van bibliotheek en studeerkamer.   [>]


Hersenen  

Cerebri figurae membranis infixae.

  Cerebri substantia quam alubi [<] vocavi membranulas, tota subjecta est recipiendis figuris rerum per sensus ingressarum. Illae autem figurae in usum veniunt tribus potentijs: memorativa, imaginativa, et intellectu, quia nihil aliud sunt quam nisus et conatus animae diversi.
Voorstellingen van hersenen vastgelegd op vliezen.

  De hersensubstantie die ik elders velletjes genoemd heb [<], is geheel onderworpen aan het opnemen van voorstellingen van de dingen die via de zintuigen binnengekomen zijn. Deze voorstellingen nu komen te pas bij drie vermogens: van geheugen, verbeelding, en inzicht, omdat ze niets anders zijn dan verschillende strevingen en pogingen van de ziel.

[ Ned. ]

Persoon  

Animi mei natura multis explicata.

  Natura ego sum timidus. Soleo enim optare sub fratre meo Jacobo*) militare, si militandum esset, nam ille, etiam in rebus adversis, animum non solebat amittere. Facile etiam alijs credo, ideoque solebam saepius falli, ac sententiam mutare. [...]

Mijn karakter met veel voorbeelden uitgelegd.

  Van nature ben ik verlegen [<]. Want ik kies er gewoonlijk voor onder mijn broer Jacob*) te strijden, als er gestreden moest worden, want die gaf, ook bij tegenslag, gewoonlijk de moed niet op. Gemakkelijk ook geloof ik anderen, en daarom was het dat ik me gewoonlijk nogal vaak vergiste, en van mening veranderde. [...]

  *)  Jacob Beeckman, eerst rector in Veere, toen in Rotterdam, overleden in 1629.

[ Ned. (vervolg) ]


[ 225 ]   okt. 1631

Stergrootte

Sterren zijn niet zo groot als de Aardbeweging ingeeft.

  Als je wilt weten van welke afstand een ster kan worden gezien, let er dan eerst op van welke afstand een kaarsvlam kan worden gezien, op een hoog uitstekende plaats neergezet. Concludeer hieruit: een ster waarvan de diameter duizend maal zo groot is als deze kaarsvlam, zal kunnen worden gezien van een afstand die duizend maal zo groot is als die, waar­vandaan de kaarsvlam kan worden gezien.*)

  Aangezien dus diameters van sterren niet duidelijk verschijnen, en hun randen niet begrensd lijken, is het waarschijnlijk dat ze niet zo onmetelijk groot zijn als wordt opgemaakt uit de hypothesen van Copernicus, met een aangenomen grootte van de diameters. Het kan immers zo zijn dat die diameters veel kleiner zijn dan wordt aangenomen. Zo wordt immers een kaarsvlam die niet gezien wordt, toch duidelijk met een diameter gezien. Zo is het ook wanneer sterren licht geven aan hun oppervlak; maar als ze met hun hele lichamelijkheid licht uitzenden zoals vlammen, zul je de verhouding van diameters tot afstanden verdubbeld krijgen, en zo zal dan bij sterren veel minder een spoor verschijnen van de randen. [>]


  *)  De grootte van sterren was onderwerp van discussie. Lansbergen [<] stelde ze groter dan zijn voorgangers. Deze notitie zal het resultaat zijn van besprekingen die Beeckman had met Hortensius in Leiden. Zie Hortensius aan Gassendi (13 dec. 1632) in IV, 211-2 [uit Dissertatio de Mercurio in Sole (1633), p. 63-65, Ned.].

[ Lat. ]



[ 228 ]   30 okt. 1631 - [15] maart 1632

Telescoop  

Telescopia longiora meliora ob duas rationes.

  Longiores tubi oculares (telescopia dicta) optimi sunt, nam convexum vitrum majus potest esse antequam irides*) ob obliquiorem in concavum vitrum incidentiam creantur, quam in tubis minoribus, id est quorum convexum vitrum ex minori circulo confectum est, uti antehac alubi dictum est [<].
Langere telescopen beter om 2 redenen.

  Langere buiskijkers (telescopen genoemd) zijn de beste, want het bolle glas kan groter zijn voordat er regenbogen*) ontstaan door een schuinere inval in het holle glas, dan bij kleinere buizen, d.w.z. waarvan het bolle glas uit een kleinere cirkel is vervaardigd, zoals hiervoor ergens is gezegd [<].
Secundo quia etiam, si utriusque tubi vitrum convexum aeque magnum est, melius tamen res per longius videntur, nam in minoribus punctum concursus constat angulis majoribus ideoque extremi unius penicilli radij aberrant ab ea parte concavi vitri quae eos in oculos transmittit parallelos, vel potius divergentes, aut non satis a concavo vitro refringuntur; majoris vero tubi vitrum convexum omnes fere unius puncti seu penicilli radios paulo ante et post concursum propinquos tenet. Ten tweede omdat ook, als van beide buizen het bolle glas even groot is, toch door de langere buis de dingen beter gezien worden, want in kleinere buizen is het punt van samenkomst gemaakt met grotere hoeken en daarom wijken de buitenste stralen van één bundeltje af van dat deel van het holle glas dat ze evenwijdig naar het oog laat gaan, of liever divergent, of ze worden niet voldoende gebroken door het holle glas; maar van de grotere buis houdt het bolle glas bijna alle stralen van één punt of bundeltje iets voor en na de samenkomst dicht bij elkaar.

  *)  Chromatische aberratie: kleuren.
[ 229 ]

Sic per solum vitrum convexum, oculo post concursum posito, quo majus, id est quo majore constat circulo, eo res apparent majores et distinctiores. Plures enim radij unius penicilli pupillam ingrediuntur, et tam propinque proportionaliter puncto concursus apponi potest oculus, ut pauciora puncta simul videri debeant. Zo verschijnen de dingen door alleen een bol glas, met het oog na de samenkomst geplaatst, des te groter en duidelijker, naarmate het glas groter is, d.w.z. uit een grotere cirkel gemaakt. Meer stralen van één bundeltje gaan dan de pupil in, en het oog kan naar verhouding zo dichtbij het punt van samenkomst worden geplaatst, dat minder punten tegelijk moeten worden gezien.

[ Lat. ]



Home | Isack Beeckman | 1631 v b (top) | vervolg