Home | Beeckman | < Vertalingen > | Brontekst | Index

Kaarsen , geluid , stem , zout , winden , slagader


Isack Beeckman - 1616 v


[ 86 ]

Hoe kaarsen aangroeien

Keersen, hoe het roet daeraen hanght, alse groyen.

  De wijze waarop kaarsvet aan kaarsen gaat hangen is hier te zien:
  Het oppervlak van kaarsen smelt door de warmte van het er omheen stromende kaarsvet*), maar door de koude van de kaarsen wordt het er omheen liggende kaarsvet verdicht, en op deze manier worden gelijke dingen verenigd, en samen worden ze er tegelijk en behoedzaam uitgetrokken.
Waardoor het komt dat kaarsvet dat kouder is dan het moet zijn, niet geschikt is om aan kaarsen te blijven hangen. Het staat namelijk onder druk, en toch drukt het niet zo op hun oppervlak dat het smelt.
Hiervan komt het ook dat grote kaarsen sneller groeien door warmer, en kleine door kouder kaarsvet. Uit de grote komt immers veel kou, uit de kleine weinig, om het omliggende kaarsvet af te koelen, zodat warmer kaarsvet ook het meest geschikt is voor het laten smelten van grote oppervlakken, en kouder kaarsvet voor dat van kleine.


[ *)  Als de kaarsen gemaakt worden; zie de Kaarsemaaker-prent van Jan en Kasper Luiken, 1694.]

[ Ned. ]

[ 88 ]   6 febr. - 23 dec. 1616

Toonsoorten

Musici modi modorum.

  Het Dodecachordon van Glareanus 1) komt heel goed overeen met mijn bespiegeling [<], of is er tenminste niet mee in strijd, maar van de afzonderlijke toonsoorten maak ik enige verschillende, die om zo te zeggen manieren van toonsoorten zijn. Zoals namelijk bij hem de twaalf toonsoorten verschillen wegens verschillende kwarten en kwinten, zo verschilt bij mij elke toonsoort van hem van zichzelf in grotere en kleinere tonen, op verschillende plaatsen gezet.
Want aangezien de kwart een grotere toon bevat, een kleinere en een kleinere halve toon, en de kwint twee grotere tonen, een kleinere en een kleinere halve toon, verschilt elk van de toonsoorten van Glareanus van zichzelf met zes verschillen wegens de afwisselende plaatsing van de kleinere tonen in de samenklank octaaf, terwijl de diatonische halve toon, dat is de kleinere, overal gelijk blijft, zodat er in totaal wel 72 toonsoorten zijn.
Als echter het octaaf wordt verdeeld met twee grotere halve tonen, die van 27/25 zijn, bevat de kwart twee kleinere tonen en een grotere halve toon, de kwint twee kleinere tonen, een grotere toon en een grotere halve toon, waaruit weer drie toonsoorten voortkomen van elke toonsoort van Glareanus.
Als de kwart een grotere halve toon bevat en de kwint een kleinere halve toon, komen er weer drie toonsoorten van elk van de toonsoorten van Glareanus.
Tenslotte, als de kwart een kleinere halve toon bevat, en de kwint een grotere halve toon, ziedaar nog zes toonsoorten van elk van de toonsoorten van Glareannus.
Zo bevat elke toonsoort 18 manieren van toonsoorten. Het aantal van alle manieren van toonsoorten is dus 216.   [>]


12 toonsoorten

[ Titelpagina van: Heinrich Glarean, Dodecachordon, 1547 (txt).
Zie H. F. Cohen, Quantifying Music (1984), p. 153-154 en n.114: later (1633) schrijft Beeckman dat hij de telling nauwkeuriger wil onderzoeken.]

Glareanus, 12 +2 toonsoorten

[ Glareanus, Musicae epitome (1559): de 12 + 2 toonsoorten op twee andere manieren, zie p. 71-72.
Dit werk komt voor in de Catalogus librorum (1637), Misc. 8o-96: "Musica Glareani".]


Meetkundige verdeling

Muziekinstrumenten berusten op meetkundige verdeling van tonen.

  Er is een instrument, in onze taal een claversyne [>] genoemd. Hierin lijken mij alle tonen en halve tonen meetkundig evenredig te zijn, wat je hiervoor [<] door mij in getallen uitgedrukt hebt gezien.

  Wat mijn oordeel over deze zaak betreft, met veel redenen heb ik eerder [<] bewezen dat bekoorlijkheid van muziek voortkomt uit rekenkundige verdelingen, waarbij tonen op tonen gezet worden die ieder afzonderlijk volgens een meetkundige verhouding worden vastgesteld, en volgens samenklanken harmonisch ingedeeld.

[ 89 ]
Wat nu de muziekinstrumenten betreft, daar niet alle verschillen van grotere tonen, kleinere tonen, enz. erdoor kunnen worden uitgedrukt, hebben ze de snaren ervan en stemmen verdeeld met een meetkundige verhouding waarbij ze de waarheid zo dicht mogelijk benaderd hebben met alle samenklanken naar behoren, zodat hun tweetoon slechts een tachtigste van de echte tweetoon verwijderd is. De echte tweetoon is namelijk 80/64, dat is 5/4, en die van hen is 81/64 van de verdubbelde verhouding 9/8. Dit verschil wordt door de oren nauwelijks waargenomen, of zelfs helemaal niet. Niettemin denk ik toch, dat menselijke stemmen veel aangenamer zijn voor de oren, omdat ze tijdens het zingen zonder moeite, en zelfs van nature, onechte in echte samenklanken veranderen.

Consonantie

Samenklanken met de voornaamste systeemnoten het best.

  Misschien zal niet weinig gemak bij het harmonisch indelen van de stemmen hieruit voortkomen: als de componist let op de toonsoort van het thema, en die harmonieën voor aangenamer houdt, waarvan de stemmen betrekking hebben op de laatste noot van het thema, zodat de harmonie juist in die laatste noot het voortreffelijkst is, dan op die welke betrekking heeft op de noten die elke toonsoort onderscheiden, tenslotte moeten ze de verschillen van de toonsoorten in acht nemen, en alle overeenstemmingen onderkennen die hier worden toegelaten; ook buiten de afstanden van de kwarten en kwinten van Glareanus [<].
De overige samenklanken zijn wel niet naar behoren, omdat ze immers niets dan een naam en een antal noten hebben, maar aangezien ze toch heel dichtbij de echte komen en het oor ze bij het klinken corrigeert, zijn ze te beschouwen als veel aantrekkelijker dan de dissonanten.

Opeenvolging van samenklanken.

  Bovendien moet bezien worden of niet ook het volgende tot steun zal zijn bij deze zaak, te weten dat altijd een slechtere samenklank volgt op een betere van langere duur, en dat zo'n betere die ook volgt. Dat wil zeggen: de eerste moet een betere samenklank zijn en van langere duur, met de volgende slechter en korter, en op deze moet er weer een volgen die beter en langduriger is dan de slechtere, zodat de slechtere steeds ligt tussen twee betere van langere duur.
Op deze manier komen alle samenklanken van alle soorten in gebruik. Het is namelijk niet noodzakelijk dat de derde beter is dan de eerste: deze kan soms beter zijn, soms slechter, afhankelijk van de gesteldheid van de tweede en naarmate deze te rechtvaardigen is. Zo geeft het spreekwoord: zoet na bitter is aangenaam, mijns inziens het belangrijkste fundament in de muziek.

Zes noten

Slechts zes noten moeten er zijn.

  Sommigen vragen waarom er slechts zes noten in gebruik zijn, en niet zeven, zodat een heel octaaf kan worden bereikt zonder verandering van één stem in een andere. [<]

  Ik antwoord: Opdat diminuties die altijd gebeuren rondom fa en mi (in samenklanken komen behalve de tweetoon altijd deze twee stemmen), opdat, zeg ik, diminuties van gelijke aard met deze stemmen worden uitgedrukt, moet ook gezegd worden dat diminuties niet kunnen dalen onder ut, noch stijgen boven la. Als dit gebeurde, zouden er namelijk valse kwarten en kwinten worden gevormd; soms volgt immers een la op een mi, en dan van fa naar deze mi en een grotere kwart, dus een valse — en soms is het fa, en dan van mi naar deze fa is het een kleinere kwint, dus een valse. Dit zelfde gebeurt met stemmen die net onder ut liggen.


[ 90 ]

Mutatie bij zingen

Wanneer namen van noten veranderen.

  Terecht heb ik eraan getwijfeld [<] op welke plaats bij het zingen de ene stem in de andere moet worden veranderd. Want bij dalen la en bij stijgen re als begin van een mutatie*) te stellen, zoals gewoonlijk gedaan wordt, lijkt niet met de rede overeen te stemmen, en er is geen reden te geven waarom de re dat voorrecht eerder zou moeten krijgen dan de ut, terwijl de la het begin van een daling is, en niet de sol.
En wie durft te zeggen dat, wanneer je bij het zingen bent gedaald tot la, de bevende stem in diminuties geen rekening houdt met de hogere fa? Of bij het stijgen, wanneer je tot een mutatie in re bent gekomen, dat het gezang terstond uit de lagere klasse naar de hogere is gestegen? Niemand, meen ik, aangezien de ondervinding het tegendeel leert.

  Wat is dan de vaste regelmaat van muteren?
  Ik antwoord: Wanneer het gezang boven de la stijgt, of onder de ut daalt, is het zeker dat de ene stem in de andere moet worden gemuteerd, en dat hier of daar met een nieuwe klasse moet worden begonnen. Laat dan die plaats één van de drie voornaamste sleutels zijn, waaraan de toonsoort van het lied is te herkennen en waarmee het systeem is samengesteld, zodat als het lied op de eerste toon is, de mutatie in la wordt gemaakt, als het op de tweede toon is in sol enz. Dan moet je in één klasse blijven, zolang het gezang niet stijgt boven la, of daalt onder ut, en daarin diminueren, totdat je op de gennoemde voornaamste sleutel komt. Dan blijkt het gezang zich namelijk niet te houden aan de vorige klasse, aangezien er een daling is onder ut, of een stijging boven la in die rij enz.   [>]


[ *)  Het gaat om een verandering van hexachord: molle, naturale, of durum.]

Acht toonsoorten

Slechts acht toonsoorten.

  Maar iemand zal zeggen dat de derde, vierde, vijfde en zesde tonen van Glareanus zodanige sleutels hebben, dat de hele regelmaat van de klassen ut, re, mi, fa, sol, la bedorven zou worden als daarvandaan steeds met diminuties begonnen zou moeten worden, en als gezegd zou moeten worden mi, la, sol, la, mi en fa, la, sol, fa, mi enz.

  Doch ik antwoord dat die mij geen ware toonsoorten lijken, ook tegen Glareanus, ten eerste wegens deze zaak, dat wil zeggen wegens deze verkeerde manier van diminueren boven la en onder ut, en verder ook omdat in al die vier toonsoorten de kwinten valse kwarten bevatten. Laat die dus verworpen worden, en laat zijn Aeolius en Hypo-Aeolius de derde en vierde zijn, en laat Lydius en Hypo-Lydius, bij hem de elfde en twaalfde, bij ons de vijfde en vierde zijn, en laat er niet meer dan die acht oude en ware systemen zijn voor liederen en toonsoorten.

[ 91 ]


...



[ 92 ]

Geluid

Geluid is precies dezelfde lucht die in de mond van de spreker was.

  Elders heb ik geschreven dat de materie van geluiden lucht is [<], maar gevraagd kan worden, op welke manier. Want als de overeenkomst die sommigen naar voren brengen op waarheid berust, ontleend aan water waarin een steen gegooid is, dat beweegt met evenwijdige cirkels waarvan het middelpunt het punt is waar de steen inviel, en dat zich trillend overal heen verspreidt, — als (zeg ik) met zulke cirkels ook lucht die getroffen is naar onze oren komt, en daar geluid opwekt*), zal het verbazend lijken waarom wind, die veel sterker is in het beïnvloeden van het lichaam, niet ook geluid opwekt; of waarom geluid (dat is bewegende lucht) alleen de oren beïnvloedt en niet ook de huid, zoals wind doet; en waarom tegelijkertijd stemmen gehoord worden die komen van west naar oost, en van zuid naar noord enz., zonder dat ze op enige manier elkaar belemmeren (of althans weinig), terwijl de wind niet van twee tegenovergelegen plaatsen of streken tegelijk waait.

  Ik zeg dan, wanneer op een hard lichaam geslagen wordt, en er lucht weggenomen wordt, of wanneer de lucht beweegt op welke manier dan ook waarop het geluid ontstaat:   het is niet zo dat de eerste lucht die door de stoot onmiddellijk wordt bewogen, de lucht ernaast wegduwt, die in beweging brengend op dezelfde manier als hij zelf in beweging gebracht werd, en dat deze weer tegen de naastbijgelegen lucht stoot, totdat bij opvolging de oren getroffen worden — zoals we gezegd hebben dat op het water gebeurt —, maar deze lucht zelf, die onmiddellijk geraakt wordt en beïnvloed, wordt door het harde ding heftig uiteengeslagen en verstrooid, en deze breidt zich ordelijk uit naar alle kanten, zodat aangestoten lucht zelf onze oren treft, op de manier waarop een kaarsvlam zich over een gehele zaal verspreidt, en licht genoemd wordt.

  Als dit gesteld is staat niets het in de weg, dat stemmen die van alle kanten komen tegelijkertijd gehoord worden, daar niet alle lucht bewogen wordt, maar slechts een klein gedeelte wordt vooruitgeworpen. En zoals het zien niet belemmerd wordt door licht, dat wil zeggen zichtbare 'speciën' [<] die van alle kanten komen, en die door wind weinig of niet bewogen worden wegens de snelheid van beweging en de fijnheid, zo wordt lucht, die immers enigszins (of liever veel) dichter is dan lucht of vuur, wel meer door de wind belemmerd dan licht. Maar hij heeft toch een zo grote snelheid, dat verschillende geluiden elkaar onderling niet belemmeren, of dat ze geheel door de wind beïnvloed worden naar gelang de grootte van de afstand.

  Snelheid en traagheid maken het onderscheid van hoge en lage geluiden, dat wil zeggen van de kwantiteit. Maar daar de lucht door verschillende instrumenten, afgezien van de snelheid, verschillend wordt bewogen en afgesneden, zodat delen ervan steeds weer anders bij elkaar gevoegd en uit elkaar geplaatst worden, en zo samengesteld of verdeeld naar onze oren komen, komt hieruit de hoedanigheid van het geluid naar voren, en het onderscheid van luidklok, snaarinstrumenten, en buizen, en ook het onderscheid in lawaai van voetstappen, slagen en in het algemeen van alle geluiden die door onze oren herkend worden.


  *)  De hypothese van de golfvoortplanting van geluid (Stoa, Vitruvius, 5.3) was in B.'s tijd vrij algemeen aanvaard. Als atomist meende hij echter, evenals Gassendi: een geluidsbron zendt deeltjes uit (Lucretius, de Nat. rer. IV, vs 524-).
In de vertaling van A. Rutgers van der Loeff, vs 524-541:


Vooreerst wordt elk geluid en elke klank gehoord,
wanneer iets stoflijks ervan in onze oren dringt;
want ook geluid en klank moet stoflijk zijn van aard,
daar ze indruk kunnen maken op een zinsorgaan.
De stem schraapt ook de keel, en 't harde schreeuwen maakt
de luchtpijp dikwijls ruw waardoor 't naar buiten dringt,
omdat, wanneer de kiemen van geluid erdoor
in dichte drommen uitgaan, 'n nauwe buitendeur
natuurlijk aan den rand een schuring ondervindt.
Het staat dus zonder twijfel vast, dat stemgeluid
uit deeltjes stof bestaat, zodat het kwetsen kan.

't Ontgaat u evenmin, hoe aan het lichaam stof
en kracht onttrokken wordt door eindeloos gepraat,
begonnen bij het krieken van den morgenstond
en voortgezet tot 't diepe duister van den nacht,
vooral wanneer dat luidkeels overdadig vloeit.
Dus moet het stemgeluid lichaamlijk zijn van aard,
omdat, wie veel spreekt, van zijn lichaam iets verliest.

[ 93 ]

Hoogte, duur, snelheid

Verschillende geluidsmaterie.

  Verder zijn luchtdelen [brokken >] die een laag of zwaar geluid maken, groter en zwaarder; een grote luidklok wordt immers van verder gehoord dan een kleine, en de eerste brengt het oor sterker in beweging dan de laatste. En een bovenstem, en een scherpe vrouwenstem, heeft ook kleinere luchtdeeltjes; het oor wordt er niet zozeer door in beweging gebracht als door de bas, en het gehoor niet zo in trilling gebracht, zodat de kwantiteit bestaat uit de grootte en kleinheid van de delen, waardoor verschillende traagheid en snelheid veroorzaakt worden.

  En wanneer van zulke stemmen de instrumenten na aanslag trillen blijft hun geluid voortduren, omdat aanhoudend nieuwe luchtdelen door het instrument verstrooid worden; instrumenten echter die onbeweeglijk blijven brengen alleen maar een slag voort die slechts een ogenblik gehoord wordt, omdat de lucht maar eenmaal bewogen is in het instrument, zoals wanneer een aambeeld geslagen wordt met de hamer, of een blaas vol lucht plotseling barst. Maar we moeten ook hierop letten, dat deze luchtdelen in het algemeen trager bewegen dan licht; en daarom, als we in de verte iemand hout zien hakken, is de bijl voor de tweede slag geheven voordat de eerste gehoord wordt.

Meer geluiden tegelijk

Geluid wordt door geluid niet zeer gehinderd.

  Waarom wordt nu de ene stem niet gehinderd door de andere, kan iemand zeggen, vooral bij die welke door een enkele slag ontstaan, als het gebeurt dat ze elkaar uit verschillende richtingen ontmoeten onder rechte hoeken, of tegen elkaar in?

  Ik antwoord: Omdat de delen met een zo grote snelheid vliegen, dat ze bij ontelbare afwisselingen op een zelfde plaats elkaar nauwelijks eenmaal tegenkomen, of veeleer nooit. Ten tweede omdat een deel van een vliegende stem een zekere breedte en omvang heeft, waardoor het komt dat, als een stem een andere zou tegenkomen, toch niet alle delen ervan alle delen van de andere stem ontmoeten, maar dat er altijd een een deel zonder belemmering bij de oren zou aankomen. Ten derde, ook al zou het voorkomen dat alle delen van de ene stem door alle delen van de andere stem precies geraakt werden, dan zouden toch, door de beweeglijkheid van die stemmen, ook die luchtdelen die elkaar tegenkomen hetzij naar links, hetzij naar rechts afbuigen, en enigszins weerkaatst zó bij de oren aankomen, dat het niet iets vals in de oren zou geven.

Geluid ontstaat in de hersenen

Geluid ontstaat pas als de lucht een indruk maakt op de hersenen.

  Ik heb gezegd dat een stem of een geluid vliegt, niet dat er dan, wanneer het vliegt, geluid is of stem; dan is namelijk alleen maar de lucht in beweging gebracht en gebroken, of bijeengebracht. Maar geluid ontstaat als met die lucht langs de gehoorwegen, afhankelijk van de vorm van de lucht, de hersenen in beweging gebracht worden.

Zware stem draagt ver

Hoe een zware stem verder gehoord wordt.

  Wat ik geschreven heb over de zware stem, dat deze van heel ver nog te horen is, dat moet zo begrepen worden, dat natuurlijk het instrument voor zwaarte geschikt moet zijn, zoals te zien is bij water dat opspringt uit een klein en rond gat. Want als de kracht van het water klein is, is een klein gat het meest van toepassing, om het water zo ver mogelijk te spuiten:

[ 94 ]
water dat namelijk door een groot gat gaat is te zwaar om door een kleine kracht, die op het water drukt, verder te bewegen; maar als bij dat grote gat een grote en passende kracht wordt uitgeoefend, zal het water daardoor veel verder springen dan tevoren met het kleine gat. Zo ook wanneer iemand een kleine steen weggooit, zal hij deze nooit zo ver van zich af kunnen gooien als een grotere steen, die geschikt is voor zijn krachten; een kind zal echter een kleine steen verder gooien dan een grote.

  Te geloven is dat hetzelfde ook gebeurt bij de stem. Een zeer lage stem immers vereist, daar deze zwaar is (zoals we gehoord hebben), en grotere delen heeft, een groot instrument om ver te kunnen komen, bijvoorbeeld een reusachtige klok, want als een zware stem door een kleine kracht wordt aangedreven zal hij nauwelijks gehoord worden. En een scherpe stem, die kleinere delen heeft, zal door deze kracht verder doorgaan en sterker de lucht doordringen. Waardoor het komt dat vrouwen en kinderen, daar ze minder kracht hebben, en als ze spreken duidelijk gehoord moeten worden, een scherpe stem gebruiken, en dat ze van nature (deze past zich altijd aan de noodzaak aan) het meest kunnen in de scherpe stem: hun lage stem is immers niet zo ver te horen. Daarentegen zijn zeelieden en sterke mannen in de zware stem tot het meest in staat; wanneer er hard geroepen moet worden gebruiken ze immers de zware stem, die ze om zo te zeggen als een donder laten horen. En mannen van gemiddelde constitutie gebruiken de tenor of een middenstem, wanneer ze zo ver mogelijk gehoord willen worden. Maar als de stemmen onderling vergeleken worden, is de bas van zeelieden en van klokken, door hun zwaarte en kracht die aangepast is aan de zwaarte, verder te horen dan de scherpe stem van vrouwen en kleine klokjes, en de krachten zijn ook aan de lichtheid van deze stem aangepast.

Stem van redenaar

Aard van de menselijke stem bij betogen.

  Als iemand over een gesprek tussen mensen vraagt met welke stem er gesproken wordt, dat wil zeggen of de stem daarbij naar kwantiteit veranderd wordt bij het spreken, zal ik antwoorden dat deze weinig of niet veranderd wordt bij een doorlopende redevoering. Maar toch wordt vrij vaak de ene zin met een hogere stem uitgesproken, de andere bassiger (om zo te zeggen). In afzonderlijke zinnen echter wordt het aangename niet tot stand gebracht door kwantiteit, maar door de kwaliteit, waarmee de stem niet in scherpte en zwaarte verschilt, maar dezelfde noot wordt voortgebracht met een nu eens sterker, dan weer zwakker blazen, dan weer zoetgevooisder enz., zodat het in zekere zin te vergelijken is met verschillende geluiden van verschillende instrumenten die dezelfde kwantiteit blijven aanhouden — welk verschil mijns afgeleid moet worden van retorische figuren, uitroepen, ondervragingen, verbazingen, twijfels enz., met geheel verschillende kwaliteit geuit. Verschillende zinnen evenwel worden niet zelden met verschillende kwantiteit uitgesproken, zodat het spreken soms met een kwint, terts, hele of halve toon verhoogd wordt. Het volgende meen ik dan dat hier in acht genomen moet worden: dat de stem niet verhoogd wordt of valt met valse kwarten, kwinten of hele tonen, en dat de gehele theorie over eenstemmige liederen hier in acht genomen wordt, en dan zullen tenminste afzonderlijke zinnen van een redevoering, zo niet ook het midden van één zin, in kwantiteit kunnen verschillen. En bij verschillende stemmen spreken vrouwen hoger, dat is scherper, dan mannen, en van de eersten klinken sommigen een kwint, een kwart, een octaaf enz. hoger dan mannen.

  Uit wat gezegd is lijkt dat een gedicht door verschillende stemmen in een of andere harmonie op dezelfde manier kan worden voorgelezen. En in muzikale composities worden de verschillende partijen verbonden in de afzonderlijke zinnen, met variatie van verhouding en samenklank, en ook met inachtneming van de acht toonsoorten (zoals men ze noemt), en met de samenstellingen van de woorden ingedeeld naar gelang hun verschil.


[ Lat. ]



[ 96 ]

Zoute zee

Waarom de zee zout is.

Aristoteles heeft geschreven [Meteorologica, II.3 ] dat de zee zout is door de Zon die erop brandt. Maar misschien zou gezegd kunnen worden dat zout de substantie zelf is van de zon of van de stralen, die vermengd met water een lichaam gekregen heeft door een of andere subtiele menging, zoals alchemisten die bij de vijfde essentie niet zelden ondervinden; zout is immers zonderling en van de subtielste natuur volgens de spagyrici, en met wonderbaarlijke eigenschappen.

[ 97 ]
De ondervinding leert ook dat zout lichtmaterie wordt. Bij nacht immers fonkelt het bewegende zeewater, en verlicht het de lucht, niet anders dan aangestoken olie, wat zoet water niet doet; waaruit ik niet zonder reden opmaak dat het zout is, dat onze ogen binnendringt, van de zilte vissenruggen afvliegend. Doch de wateren van de Middellandse Zee zijn niet zilt, daar er weinig is ten opzichte van de oceaan, en kort geleden ontstaan, en ze zijn van zoveel zoete substanties gemaakt dat de zon er niets in vermag.

[ Lat. ]



[ 98 ]

Winden    

Ventorum materia et ratio.

  Venti materia est vel aer purus, qualis ille est qui e follibus exprimitur, vel vapor, qualis ex olla fervente aqueus exit, vel fumus qui a foco per caminum avolat, vel ignis ipse, ut in fornace ignito et fervido, ubi foramen patet, videre est.
  [ ... ]
Materie en reden van winden.

  Windmaterie is ofwel zuivere lucht, zoals die uit blaasbalgen geperst wordt, ofwel damp, zoals die uit een kokendhete pot als waterdamp opstijgt, ofwel rook die van het haardvuur door de schoorsteen wegvliegt, ofwel vuur zelf, zoals te zien is bij een aangestoken en gloeiende oven, waar een opening is. [...]
Aerem autem subsidere posse certum est; quae enim alia ratio dabitur diversarum refractionum in diversis regionibus, etiam coelo sereno et eodem tempore anni? quod nautae testabuntur, quibus Sol multis diebus ante tempus, ab astronomis calculatum, apparuit in borealibus partibus Terrae, [>] En dat de lucht kan inzakken is zeker; welke andere reden is immers te geven voor de verschillende lichtbrekingen in verschillende gebieden, ook bij heldere hemel en in dezelfde tijd van het jaar? waarvan de zeevaarders getuigd zullen hebben, aan wie de Zon vele dagen voor de door sterrenkundigen berekende tijd verscheen, in noordelijke streken van de Aarde, [>]

[ 99 ]
quae ratio ad magnas refractiones referenda est, ut Miverius et Keplerus ratiocinantur*). Refractionis tantae causa est aeris densitas, densitatis frigus. Fit igitur frigore aer crassior et contrahitur, subito quidem expresso calore, propter minorem quam solitam partium aerearum ab invicem distantiam; at longo usu et consuetudine frigoris in frigida plaga, ita aer subsidit, ut inde immanes illae refractiones subducantur. [...] welke reden te herleiden is tot grote lichtbrekingen, zoals Miverius en Kepler redeneren*). De oorzaak van zoveel lichtbreking is de dichtheid van de lucht, en van de dichtheid: de koude. Door koude dan wordt de lucht dichter en trekt hij samen, zeker als plotseling de warmte uitgedrukt wordt, wegens een kleinere onderlinge afstand van de luchtdeeltjes dan de gewone; maar door de landurige en gewone toestand van kou in een koude streek, zakt de lucht zo ineen, dat daarvan die buitengewoon grote lichtbrekingen komen. [...]

  *)  Ook Stevin vermeldt het door Gerrit de Veer beschreven 'Nova-Zembla-effect'.
Daniel Miverius, Apologia pro Philippo Lansbergio ad Iacobo Christmannum (Middelburg 1602).
Johannes Kepler, Ad Vitellionem Paralipomena (Frankfurt 1604), cap. IV. 9: 'de Observatione Hollandorum in alto Septentrione'.
[ Lat. (vervolg) ]



[ 103 ]

Slagaders en buizen

Hoe slagaders vanzelf kloppen.

Fernel*) zegt dat de kracht van het kloppen niet alleen in het hart is, maar ook in de omhulsels van de slagaders zelf, omdat ze op hetzelfde moment bewegen als het hart. Maar daar dit nogal dwaas lijkt, en ik moeite had te geloven dat een dergelijke kracht in de omhulsels zit, en niet zag hoe deze daar zit: waarom zeggen we niet dat de 'spiritus' [<] die de slagaders ingestuurd wordt zo snel is, dat deze in een fysisch moment doordringt tot in alle delen van het lichaam, zoals licht naar de ogen, stemgeluid naar de oren; en dat de slagaders bij een voortdurende 'spiritus' gezwollen zijn, zoals buizen vol met water of lucht. Als immers bij buizen vol water iets ingegoten wordt, stroomt er terstond water uit een ander deel van de buizen; zo ook als ze vol met lucht zijn, dan zul je op hetzelfde moment dat je je mond erop doet, bij het andere uiteinde wind voelen. Zo kunnen de zenuwen vol met 'spiritus' zijn: de hersenen bewegen de buitenste botten, als ze op een enkel moment 'spiritus' met 'spiritus' aandrijven. Ik zei "in een fysisch moment", omdat voor het gevoel momentaan lijkt, wat wiskundig in de tijd gebeurt.
  [ > ]


  *)  Jean F. Fernel [>], Universa Medicina (Parijs 1554, Frankfurt 1581) [in Cat. Med. fol. 1: Lugd. 1602.].

[ Lat. ]



Home | Isack Beeckman | 1616 v (top) | vervolg