Beeckman | Appendices | Index

Invallen , stapels papier , ordening , boek , van wie , voor wie , postuum , editie


Isack Beeckman - manuscript

C. de Waard, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634

Tome I: 1604 - 1619 , Note sur le manuscrit

[ een uittreksel ]


[ XXV ]

Invallen

In het begin maakte Beeckman twee soorten notities: Hij hield ze gescheiden: Alleen de aantekeningen van de tweede soort zijn bewaard gebleven.
Deze invallen werden genoteerd: De aantekeningen werden in het net uitgeschreven op een aantal daartoe bestemde bladen. Op sommige ervan staat bovenaan een titel in andere inkt (ouder, naar het schijnt) zonder verband met het geschrevene, zoals in het begin: Deus, Spiritus boni, Spiritus mali, Fides et religio, Fides historica, Superstitio; en later: Navigatio, Agricultura, Divitiae.

Misschien is zo ook de titel van het manuscript 'Loci communes, Anno 1604' te verklaren. Beeckman kan als 15/16-jarige begonnen zijn met iets dat studenten wel meer deden, maar waarschijnlijk heeft hij veel van zijn eerste aantekeningen niet opgenomen: aan het eind van de eerste foliopagina zijn we al in 1608 of 1610.


    *)  De folionummers zijn in het digitale Journaal niet zichtbaar, maar ze staan wel in de 'broncode' (r: recto, v: verso, scheiding: vertikale streep |). De Waard paste de folionummering aan. (Briefje van Du Fos, 'Purgativum', in IV.)
[ XXVI ]

Stapels papier

In het omvangrijke manuscript (ca. 500 bladen) zijn de volgende dossiers te onderscheiden:
  1. Fol. 1 - 47:  van 1604 tot dec. 1616.
    In Beeckmans eigen handschrift. Er is een verwijzing uit 1618 (I, 186, fol. 77r) naar "fol. 10 van het eerste deel van dit boek". Hieruit volgt dat er toen een afgerond deel was.

  2. Fol. 48 - 79:  dec. 1616 - lente 1618.
    De eerste vijf pagina's waren eerst blanco gelaten, er staan familiegegevens op. De rest is in ander handschrift, met latere aanvullingen.

  3. Fol. 80 - 126:  lente 1618 - lente 1619.
    De kopiist eindigde op 119v midden in een notitie (zie verder na 5). De bladen waren in de zomer van 1618 nog niet genummerd (I, 201), maar kort daarna wel.
Waarschijnlijk in verband met de veelvuldige verplaatsingen van de auteur werd het overschrijven pas veel later hervat in een nieuw dossier. Beeckman zelf werkte hieraan. De Waard geeft een facsimile van fol. 178bis.r, in zijn handschrift.
  1. Fol. 116bis - 224:  van 20 april 1620 (huwelijksdag) tot okt. 1624.
    Aan het eind: uittreksels uit Stevins papieren (al genoemd op 194r: II, 291), vervolgd in 9.
    Dit dossier volgt op 3, zoals blijkt uit het volgende.
    - Tot en met fol. 153bis is de pagina verdeeld in twee kolommen, met soms bovenaan een titel (de laatste drie zijn Metallum, Vita, Mors). Dit is verder alleen te vinden in 1 t/m 3.
    - Verwijzingen geven aan dat er al genummerd was: aug. 1620 naar 118, sept. 1620 naar 143, en dec. 1620 naar 152. Pas later is er een minder precieze verwijzing: dec. 1622 "abhinc paginâ quintâ" (de vijfde pagina vanaf hier).

  2. Fol. 239 - 267:  okt. 1624 - 24 april 1627 (vertrek uit Rotterdam).
    Hier vindt men de verwijzingen "pag. 3" en "zie voorgaande pag.", en zelfs "siet fol. 242" naar een oudere nummering die nog te onderscheiden is: de nummering was in aug./sept. 1626 nog niet definitief (vgl. de nummers van 9). Aan het eind bleven twee ongenummerde bladen leeg.
[ XXVII ]

Ordening

In dec. 1626 schrijft Beeckman dat hij zijn papieren op orde wil brengen (261v, II, 377: "in ordinem redacturus"). Het schijnt dat hij toen de pakketten 2 en 3, met notitieboekjes, gegeven heeft aan een andere kopiist, die te herkennen is aan een gotisch handschrift. Deze bewerkte fol. 50 - 119v: ontbrekende woorden en figuren voegde hij toe, enkele notities maakte hij af. Hij completeerde pakket 3, en ging verder met:
  1. Fol. 127 - 139:  juni - nov. 1619 (vertrek naar Utrecht). Aansluitend op 3, vervolg in 8.
    Fol. 140 heeft op de achterkant, ondersteboven: "Isaacus Jacobus Bekemanus".

  2. Fol. 268 - 280v:  het 'Collegium mechanicum' te Rotterdam, aug. 1626 - febr. 1627.
    Fol. 281:  correspondentie 1613 (Jeremia van Laren); geschrift van Rudulph Snellius.
    Fol. 282r - 287r:  documenten betreffende het verblijf te Caen in 1618.
    Fol. 287v - 290v:  correspondentie met Descartes in 1619.
    Een aantal bladen bleef nog over, en later schreef dezelfde kopiist:
    Fol. 292r - 294r:  inaugurele rede te Dordrecht, juni 1627.
Alle genoemde pakketten hebben dezelfde papiersoort. Waarschijnlijk omstreeks de verhuizing naar Dordrecht (mei 1627) schafte Beeckman andersoortig papier aan. De laatste kopiist beschreef hiervan (141 bleef leeg):
  1. Fol. 142 - 159v:  nov. 1619 - 20 april 1620. Sluit aan op 6, vervolg in 4.
    Fol. 159v, 160r:  over de kettinglijn.
    Fol. 160v - 178v:  kopie van diverse geschriften van Descartes, eind 1618 ontvangen.
    (De nummering in het manuscript, 115 - 178, was al gebruikt in pakket 4. Daar werd nog hernummerd: van 116 naar 179, maar de fout was onherstelbaar. Vandaar nu: 116bis in 4.)

  2. Fol. 225 - 238:  uittreksels uit Stevins papieren, aansluitend op 4.
    Fol. 234 - 238:  eerst leeg, later familiegegevens.
In afwachting van zijn kopieën begon Beeckman in Dordrecht met fol. 297, op het nieuwe papier. Hij wilde graag een chronologische volgorde, maar die was al doorbroken. Familiegegevens in pakket 2 werden aangevuld (op 49v, 50r), en in april 1628 onderbrak hij de nieuwe serie voor dergelijke gegevens (314v, 315r).
[ XXVIII ]
Verwijzingen uit deze tijd geven aan dat er een nieuw begin was gemaakt:

Een boek

In juni 1628 bracht Beeckman alles naar een binder (320r), met daarbij een dik pakket onbeschreven papier voor toekomstige aantekeningen. Het oude formaat werd iets verkleind (alles werd 24,2 cm x 36,3 cm), en er kwam een mooie kalfsleren band omheen, met een dubbele koperen sluiting en koperen ornamenten op de hoeken. Hierna wordt alleen nog verwezen naar 'dit boek' (zoals "huic libro insertum" op fol. 333r).

In het gebonden boek zal Beeckman met plezier gebladerd hebben. Hij bracht nog kleine correcties aan, vooral in de gedeelten van de kopiisten. Nu schreef hij ook de toelichtende aantekeningen in de marge*). Dat deze van latere datum zijn blijkt uit het woord 'microscopium' bij notities uit 1620 en 1624 (II, 298): het werd toen nog niet gebruikt. Ook is geen van de marge-aantekeningen aangetast bij het verkleinen van de bladen. En de inkt heeft dezelfde kleur als die van de tekst in het laatste deel.

In het laatste deel van zijn manuscript doorbreekt Beeckman nog enkele malen de chronologische volgorde:


    *)  De marge-teksten staan in het digitale Journaal in kleinere letter onder een toegevoegd kopje.
[ XXIX ]
Beeckman stopte met zijn gewone aantekeningen in november 1634 (fol. 459r). Daarna komen er nog opmerkingen over het slijpen van lenzen, tot 9 nov. 1635. Aantekeningen over zijn familie — door De Waard aangetroffen in verzegelde toestand (op 234v - 238v) — gaan tot 9 mei 1637, tien dagen voor zijn dood. Het is waarschijnlijk dat notitieboekjes uit de laatste drie jaren verloren zijn gegaan.


Van wie

Verscheidene malen verzekert Beeckman dat hij altijd zijn bronnen noemt, een gewoonte die des te meer te prijzen is omdat plagiaat onder geleerden toen niets bijzonders was. Dit laatste werd geschreven toen de auteur enkele van zijn eigen gedachten aantrof bij Zarlino. Zo kon hij ook zijn eigen rechten veilig stellen bij het lezen van Basson (177bis.v), Kepler (321rv, 324r, 336r), Galileï (388r) en Benedetti (409r).
[ XXX ]

Voor wie

Hoewel Beeckman veel moeite deed om zijn 'meditaties' te bewaren, dacht hij niet aan publicatie. Bij het ordenen in dec. 1626, toen het vaderland in moeilijkheden was na de dood van prins Maurits, schreef hij (fol. 261v, II, 377):
... geen besluit dat ze ooit uitgegeven worden, want als er iets afkeurenswaardigs in wordt gevonden, wordt de auteur berispt.

... mijn gevoelen is om al dit verzamelde werk alleen aan mijn vrienden te geven, en, opdat het niet in handen valt van vijanden des vaderlands, in de Belgische taal te schrijven

... moet dit niet aan één, maar aan minimaal drie vrienden gegeven worden, en ik moet niet te veel zonder reden wanhopen.

Dus: laat drie anderen beoordelen of het waardevol is. Hij ontveinsde zich niet dat zijn schrijverstalent kritisch beoordeeld kon worden (fol. 321r, III, 67):
Men wete dat ik hier slechts mijn best doe om mezelf eens te begrijpen, niet om dit zo onder de mensen te verspreiden; want die woorden die me het eerst te binnen schoten heb ik neergezet, overal zeer haastig om ze later, zo ik leef, te verbeteren.
Ondanks dit bescheiden doel zijn de ideeën vaak juist en exact geformuleerd, zij het vaak omslachtig. Slechts één keer, waarschijnlijk bij het opnieuw lezen, uitte Beeckman de hoop een werk uit te brengen, in 1628 (fol. 335v):
Spero me aliquando meis meditationibus ... adhibitis, absolutum opus de hac re conscripturum
(Ik hoop eens met behulp van mijn meditaties ... een afgerond werk over deze zaak te schrijven)
Een van de vrienden was Descartes, die in 1618 de aantekeningen gezien zal hebben, en waarschijnlijk weer in 1628 (we weten dat hij het manuscript in 1630 goed kende). Een tweede was Mersenne, die bij zijn bezoek aan Beeckman in 1630 hele dagen erin las, en enkele uittreksels publiceerde in 1636.*)
Als derde vriend wordt in 1634 genoemd Hortensius, oud-leerling van Beeckman (fol. 450v, III, 354):
D. Martinus Hortensius, in Illustri Amstelrodamensium Schola mathematum professor, vidit et cum judicio percurrit librum hunc meditationum mearum, post D. des Cartes et D. Mersennum tertius.
(De heer Martinus Hortensius, professor in de wiskunde aan de Illustere school te Amsterdam, heeft dit boek met mijn meditaties gezien en met goedkeurende beoordeling doorgenomen, na de heer Descartes en de heer Mersenne als derde.)

    *)  Brief van Descartes aan Mersenne (4 nov. 1630). Mersenne gebruikte een stukje over muziektheorie (I: 248).


Postuum

Na Beeckmans dood in 1637 kwam het manuscript in handen van zijn jongste broer Abraham, sinds 1636 rector van de Latijnse school in Vlissingen. Deze noteerde op fol. 296 [^] over Isaac:
Is altoos besigh geweest met speculeren, gelyck dit boeck kan getuyghen.

Was kort van posture, gelyck oock syn vader was; groot van oordeel, uytstekende in verstant, soet van aert ende aengenaem int converseren. Myde alle twist en tweedracht; was onder syn discipelen seer bemint ende lieftallich by iedereen.

Mersenne informeerde naar het manuscript, en schreef aan Rivet:
C'est grand dommage, car il pouvoit donner quelque chose de bon en la philosophie, s'il eust voulu. Et je ne sçay que sera devenu un gros livre en blanc, où il escrivoit tout ce qui luy venoit en la pensee. J'y ay leu de belles choses.
(Het is zeer betreurenswaardig, want hij kon iets goeds geven in de filosofie, als hij gewild had. En wat zal er geworden zijn van een dik blanco-boek, waarin hij alles opschreef wat hem in gedachten kwam. Ik heb er veel moois in gelezen.)
Jan van Beverwijck [<], te Dordrecht, schreef hem op 27 juni 1639 (IV, 285): het is bij zijn broer, rector te Vlissingen.

Abraham Beeckman publiceerde in 1644 honderd notities, nogal willekeurig gekozen, soms gecoupeerd of in verkeerde volgorde.*)


    *)  Isaaci Beeckmanni Mathematico-physicarum Meditationum, Quaestionum, solutionum Centuria (Utrecht, 1644). De Waard gaf een ster (*) aan de notities die daarin zijn opgenomen [75 van fol. 1 - 30 (t/m maart 1615); hier een index].
[ XXXI ]
Maar ze werden gelezen: Colvius kopieerde een notitie over muziek (I, 49), en verwijzend naar notities over de magneet en 'subtiele materie' (zoals I, 36) schreef een Jan Smith uit Nijmegen aan Constantijn Huygens:
Ostendit non Cartesio ista corpuscula primum in mentem venisse.
(Het toont aan dat niet Descartes als eerste aan deze deeltjes gedacht heeft.)
Een tweede serie van honderd stond op stapel, en hoewel het er niet van kwam konden anderen het manuscript inzien. In 1652 werd Abraham rector in Rotterdam, en het is waarschijnlijk daar dat hij in contact kwam met Hendrick Stevin, die in 1649 al papieren van zijn vader had gepubliceerd, en die nu aan Constantijn Huygens schreef:
hadde hy, Beecman [...] de hantschriften onses vaders Simon Stevin, [...] ooc in hande gekregen, en daeruyt verscheyde stoffen in een boec van meer ander zynder eygen aenteyckeningen overgedragen
Na de dood van Abraham Beeckman in 1663 is het manuscript lange tijd niet te traceren. Men kan slechts veronderstellen dat de erfgenamen waren: Samuel Beeckman, zoon van broer Jacob, of zijn dochter Maria, vrouw van Daniel Radermacher, van wie een zoon Samuel trouwde met een zuster van Pieter de la Rue, die een biografie van Isaac schreef in zijn Geletterd Zeeland (1741).

[ XXXII ]
Pas in 1878 wordt het manuscript weer vermeld, in een catalogus van een boekenveiling in Middelburg*). Een halve gulden was de prijs die nodig was om het veilig op te bergen in de Provinciale Bibliotheek (alleen omdat het aangegeven stond als het werk van een Zeeuw). Nog in 1895 schreef iemand, die de Centuria bestudeerd had, te hopen dat het teruggevonden zou worden. In 1905 deed De Waard zijn ontdekking in de genoemde bibliotheek.

Er was nog een lange weg te gaan tot publicatie. Belangrijke stappen waren:

[ De Waard vermeldt in deel II (1942) in een post-scriptum dat het manuscript bij de oorlogshandelingen in 1940 bijna verloren is gegaan, zoals een aantal andere archiefstukken die hij gebruikt had, maar het bluswater kwam op tijd en de schade bleef beperkt.]
    *)  Van Benthem & Jutting, 28 okt. 1878, cat. nr. 2186: "J. Beeckman, natuurk. en mathem. schriften, Mss. van 472 blad., 1604 - 36, l. b., kop. sloten."
[ XXXIII ]

Editie

[ Het lange uitstel van publicatie kan de kwaliteit alleen maar ten goede zijn gekomen. De Waard zegt het niet, maar het lijdt geen twijfel of hij heeft zich steeds weer gebogen over nog niet opgeloste problemen, fouten hersteld, nieuwe verwijzingen toegevoegd, enz.]
Over de manier waarop hij zijn taak als editeur heeft vervuld zegt hij:
Het manuscript is uitgegeven in drie delen, naar de woonplaatsen van Beeckman, met steeds een 'avertissement' aangaande stukken van andere herkomst, herplaatsing en weglating. Een vierde deel geeft veel bijkomende informatie.
  1. in Zeeland [ met aan het begin een uitgebreide biografie ]
  2. in Utrecht en Rotterdam
  3. in Dordrecht
  4. documenten, verzameld door Beeckman of anderen, en een index.
[ Er zijn maar 200 exemplaren gedrukt, ze zijn met de hand genummerd.]
    *)  Deze twee verantwoordingen ontbreken in dit digitale Journaal, evenals veel noten.



Beeckman | manuscript (top) | fol. 178bis.r