Stevin | Taal | Woordenlijst

Talen , Duytsch , oorsprong , vergelijking , strijtreden , woorden , bloemkens , uitleg , Noten


Stevin en Taal

Talen van Stevin

Het eerst gepubliceerde werk van Stevin is in het Nederlands: de Tafelen van Interest (1582), het tweede in het Latijn: Problemata Geometrica. Het derde en vierde verschenen in 1585, en zijn weer in zijn eigen taal: de Bewijsconst en De Thiende. In het Aenhangsel bij dit vierde werk staat op blz 32 dat hij hoopt een 'Sterreconst' te laten "uytgaen"
in onse Duytsche Tale (dat is inde aldercierlicste alderrijckste, ende aldervolmaeckste Spraecke der Spraecken, van wiens groote besonderheydt wy cortelick noch al veel breeder ende seeckerder betooch verwachten, dan Pieter ende Ian daer af ghedaen hebben inde Bewijsconst ofte Dialectike onlancx uytghegheven)
Die 'Sterreconst' kwam pas twintig jaar later uit (met uitleg volgens Copernicus!), als Hemelloop.

In 1585 was er nog een werk in het Frans: L'Arithmétique, maar daarna publiceerde Stevin alleen in het Nederlands. In 1586 verscheen de Weeghconst, met de voorrede 'Vytspraeck vande Weerdicheyt der Dvytsche Tael' {Elogium.}, een lofzang op de "Spraecke der Spraecken". Hierover gaat een het grootste deel van dit stuk.

Stevin beheerste Frans en Latijn, en kon ook overweg met het Grieks, hij was dus in staat verschillende talen te vergelijken met zijn eigen taal (het Engels wordt niet genoemd). In de 'Vytspraeck' beargumenteert hij de

weerdicheyt dese Taels boven al d'ander
Hoe futiel deze bezigheid ons ook voorkomt, het stuk is interessant voor wie zich wil verplaatsen naar die tijd (1). Het was nog nodig te verklaren waarom een wetenschappelijk werk niet in het Latijn geschreven was. Je zou denken dat dit dan beter in het Latijn gedaan had kunnen worden, maar de geleerde Becanus was hem al voorgegaan. Deze had in 1569 in zijn Origines Antwerpianae uitgelegd dat het 'Duytsch' de taal van het bijbelse paradijs was geweest, en dus de beste. Bij Stevin geen bijbel, geen God, geen Babylonische spraakverwarring, maar een zich
verwonderen, duer wat middel de Natuer mocht wercken, doen sy ons voorouders sich haer spraeck dede maken
Taalvaardigheid wordt verkregen door oefening, zie de opdracht van Het Burgherlick Leven:
ons ernstich vermoeden {Opinio.} (wie en worter van het sijne niet gheregiert?) vande wonderlicke verborghen eyghenschappen der Duytsche sprake, om inde welcke my met besonder wellust te oeffenen, hebbe daer toe vercoren dese Burgherlicke stof {Materiam politicam.}
Een andere taal die Stevin beheerste was de wiskunde. Al in de Tafelen van Interest gaf hij daarmee "de ghemeynte gheerne nutbaeren dienst" (p. 8, eind van opdrachtbrief) en tegelijk toonde hij zijn vaardigheid in het Nederlands (p. 3, begin van de opdrachtbrief):
Ghelijckerwijs den jaerlicxschen vloedt des Nilus oorsake was van groote twist die gheduerlick oprees tuschen den inwoonderen van Egypten, omme dieswille zy alle teeckenen daer ieghelicks landt mede afghepaelt was jaerlicks uytroeyede, welck nochtans by ghevalle een oorsake was van groote eenicheydt die haeren naecomelinghen daer uyt ghevolcht is, want heurlieder Koninck beval daer deur den priesteren (overmidts zy meer ledighen tijdt hadden dan andere) middelen te practiseren datmen door eenighe ghewisse regelen yeghelick zijn landt zoude mogen wederleveren: De welcke dat te weghe brengende, hebben bevonden dat het productum van twee zijden eens vierhoeckich rectangels, perfectelick bewees t'inhoudt der selver superficien, al waer men zegt die edele conste van Geometrie, tot grooten voordeele der menschen, haeren oorspronck genomen te hebben:
Also oock mijne E. voorsienighe Heeren bevinden wy den Interest een oorsake geweest te hebben, die menighen (deur der selver gewisse rekeninge onbekentheyt) tot schade ghebrocht heeft, welck nochtans een oorsake gheweest is streckende ten profijte der naercomelingen, want naedien de menschen practiserende sagen dat alle Interest (zoo wel gecomponeerde als simpele) van veel jaeren oft termijnen, stont in eenige kennelicke reden tot hare Hooft-somme, so wel als den interest van een termijn tijdts tot haere Hooftsomme in zekere reden staet; Nochtans datmen tot de kennisse van dese reden, niet dan door al te verdrietigen grooten aerbeydt ende tijdt verlies en conde comen; Jae grooter voor eenen die grooten handel doet, dan hem zijn tijdt zoude toelaeten, waer toe noch algebra, noch andere regulen niet en hebben connen ghenoech doen: Zoo zijnder ten laetsten gheinventeert zekere tafelen, door de welcke ieghelicken maer simpelicken ervaren inde reghel der proportien (welcke zommige reghel van dryen noemen) zal ex tempore moghen solveren alle questie van Interest inde practijcke ghemeynelick te voren comende.

Duytsch en onduytsch

De naam 'Duytsch' die Stevin gebruikt voor zijn taal komt van het middeleeuwse 'Dietsch', of 'Duutsch' en we vinden hem terug in het Engels. Het is niet "Douts: de oudste", zoals Becanus meende, maar de naam komt van een oud Germaans woord voor 'volk'.
Andere namen vinden we in de ondertitels van:
-   de Bewysconst:
Beschreven int Neerduytsch door Simon Stevin van Brugghe
-   de Franse vertaling (1608) van de Wisconstige Gedachtenissen:
descrit premierement en Bas Alleman par Simon Stevin de Bruges
-   de Latijnse vertaling (1608) van dit werk, door Willebrord Snellius:
è Belgico in Latinum à Wil. Sn. conversa
-   de Duitse vertaling (1608 en 1623) van De Stercktenbouwing:
auss Niderländischer Verzeichnusz Simonis Stevini Brugensis [...] in hochteutscher Sprach beschrieben
Of het nu Nederduits genoemd werd of Belgisch, Stevins Nederlands was in elk geval verschillend van het 'Hoch Teutsch', de taal die de in hoger gelegen Duitse gebieden werd gesproken.

In de Bewijsconst komt iets van een taalstrijd naar boven:

nadien sommighe mijn seer ghemeene vrienden ende Landtslieden, in ander Spraecken onervaren, nochtans der Consten uytnemende liefhebbers, verstaen hadden, dat wy yet der Mathematiken inden druck souden doen afveerdighen, maer in vreemder talen, en hebben my [...] niet slichtelick ghebeden sulcx inde onse oock te doen, maer bycans met redenen willen overtuygen gheen behoirlicke gheneghentheyt te draghen, tot onsen V A D E R L A N D E

[...] hebbe my beneersticht t'selve totte Daet te brenghen: Maer siende dat sich daer in ontmoete Dialectike stijl, Spruecken, ende Woorden, die sy Vocabula Artium noemen, welcke [...] den onervarenen dier Talen soo duyster vallen, datse de saecke niet grondelick verstaen en connen [...]: Soo vandt ick my bycans als bedwonghen, voor het uytgeven dies voorseyt is, dese Duytsche Dialectike af te veerdighen.

In de Weeghconst komt inderdaad af en toe een 'bewijsreden' (syllogisme) voor.

Stevin betoont zich hier geen taalpurist:

hoe wel Contrarie, Claer, ende dierghelijcke, commen vande Latijnsche Contrarium, Clarum, sy sijn nochtans door de langhe ghewoonte, eenichsins Duytsch gheworden, soo dat de Leecken gemeenelick niet anders en weten, ofte ten is eyghentlick Duytsch:
Ia de gebruyck heeft het daer toe ghebrocht, dat wy sommighe vreemde woorden diemen wel Verduytschen can, nochtans Verduytscht niet en verstaen, als datmen voor,
Archimedes handelt van een diepe  M A T E R I E ,  seyde,
Archimedes handelt van een diepe  S T O F F E
ten soude om de ongewoonte niet begrepen worden:
Als we de voorbeelden vergelijken met ons spraakgebruik blijkt ook hoe veranderlijk de gewoontes zijn.
Daerom die hun een gantsche onvermischte [onvermengde] spraecke te heftich voorsetten, schijnen meer hare eyghenvernuft onderworpen, dan de Reden
Stevin wil liever Cicero navolgen, die ook niet allerlei Griekse woorden wilde 'verlatijnen':
besighende sulcke Duytsche woorden, als wy achten by den ghemeenen man nu ter tijt alhier ghebruyckelicxt, ende alderbest verstaen te sijne, ons daer beneven neyghende naer het eyghen Duytsch
Als hij het nodig vond smeedde hij nieuwe woorden. Vaak vond hij daarmee navolging, maar niet altijd, zoals blijkt in de Vorstelicke Bouckhouding (1608, p. 3):
Oirsaeck der onduytsche woorden die in desen handel ghebruyckt sullen worden.

Alsoo wy int begin deser Wisconstighe ghedachtenissen voor ons genomen hadden alles in plat Duytsch te beschrijven, en dat nochtans dese Bouckhouding tegen sulck voornemen met veel onduytsche woorden ghemengt is, soo sal ick eer wy totte sake commen daer af mijn redenen verclaren.

Tis te weten dat ick eerst Duytsche woorden ghestelt hadde in plaets der onduytsche, als Debet, Credit, Debiteur, Crediteur, Balance, Iornael, Finance, Domeine, met dierghelijcke:
Maer want sijn  V O R S T E L I C K E   G H E N A D E  het bouckhouden geleert hebbende, daer na oirboir verstont en besloot, sijn rekeninghen van Domeinen in bouckhoudersche stijl te doen vervaten, hy ghebruyckte daer toe de ervarentste en bequaemste Bouckhouders diemen crijghen conde: Maer want sy de boveschreven ghemeene onduytsche woorden ghewoon waren, ghelijck oock meest al de ghene daer hy vande stof des bouckhoudings me spreken wilde, soo soude die verandering inden anvang haer swaricheyt gehadt hebben, inder voughen dat wy om sulcke redenen, besloten voor t'eerste by het boveschreven onduytsch gebruyck te blijven.


Oorsprong

Stevins manier van redeneren in de genoemde 'Vytspraeck' voldoet niet altijd aan de regelen van de bewijskunde. Bijvoorbeeld: hij heeft ontdekt dat allerlei woorden en vormen in het Frans lijken op die in zijn eigen taal, en besluit daar uit dat deze laatste de oudste is zonder een andere mogelijkheid te overwegen:
    Tis te weten dat de Duytschen in die seer oude tijden vande welcke ter weerelt gheen opentlicke schriften gebleven en sijn, gheweest hebben een treffelick seermachtich Gheslacht. t'welck [...] tot manier van wiltheyt gherocht is [...]
Dese haer woestheyt heeft gheduert tot ontrent de tijden van Iulius Cæsar
[ ... ]
Tis openbaer dat de Gallen die by ons Walen ghenoemt worden, ende int ghemeen nu Françoysen heeten, ouer oude tijden een machtich volck gheweest sijn
[ ... ]
dat sy voor ons W int ghemeene ghebruycten Gu. Als daer wy segghen Ick winde, sy seyden ende segghen noch Ie Guinde. Ende voor ons Windas (t'welck een ghecoppelt woort is van Windt en as, als oftmen wilde segghen een as die windt) sy ghebruycken Guindas
[ ... ]
Guarir, Guarison, dat me bewaren ende bewaring beteeckent, want de Ghenesers {Medici.} achten dat sy duer drancken, cruyden, salven &c. alleenlick t'ghebreck bewaren voor ongheval, ende dat sy gheensins en heelen, maer dat de Natuer altijt haer selven gheneest
Vergelijk: Sterctenbouwing blz 1 ("guarda dat is bewaernis").
Vyt dese ghemeene reghel dan van W tot Gu [...] schijnt ghenouch te mueghen besloten worden, de Françoysen voormael Duytsch ghesproken te hebben, dat is Duytschen gheweest te sijne, ende vervolghens dat de Duytschen eertijts een bekent machtich volck waren.

    Doch so v dat niet en gheviel, maer dat sy die woorden voormael uyt het Duytsch vergaert hebben, ghelijck sy nu sulcx uyttet Latijn doen (want een van tween is nootsaecklick) t'selve valter uyt te besluyten. Want dat soo ghenomen, tis gheschiet naer hemlien verwoestheyt, daer in, ofte daer vooren: Niet daer naer, want de Duytsche tael by haer sedert in gheen acht gheweest en heeft, maer de Latijnsche, daer sy de hunne naer verandert hebben: Oock niet daer in, want dat een machtich volck t'welck Spaeigne, Griecken, Italie, conde bevechten ende verwinnen, haer spraeck souden gheformt hebben naer de wildens tael, ten sluyt niet; Dat sulcken Gheslacht vande wilden soude leeren an t'windaes een naem gheven, tis te belachelick, soo sy doch selver eer dan wilden, windassen ghebruycten. Tis dan nootsaeclick dat sy dese woorden na der Duytschen ghemaect hebben voor haer verwoesting, te weten doen sy groot en machtich waren, ende dat yder Gheslacht d'ooghe op hun had.

Duytsche woorden vindt Stevin ook bij de "Spaengnaerden", en hij heeft gehoord dat zelfs bij "etlicke Indianen" en "in ander contreyen in Asie" de talen "met Duytsch ghemengt sijn".


Vergelijkend onderzoek

De inleiding 'Anden Leser' in het Waterwicht begint zo:
VVat beweeghlicke oirsaeck Archimedes had, om te schrijven t'ghene hy ons in   t'Bouck vande dinghen die int water ghedreghen worden, naghelaten heeft; daer hy de natuer heerlick begon te treffen, en weet ick niet; maer wel dit, dat hy de myne gheweest is, dat beken ick gheern, in sulcke stof ter form te brenghen die wy haer ghegheven hebben.
Belijde oock daerby, dat icker een beter helpende oirsaeck toe ghehadt heb dan Archimedes, namelick de spraeck, welcke 
D V Y T S C H  was, de sijne maer Griecx.
Dat het 'Duytsch' voor de wetenschap een betere taal is dan Grieks of Latijn denkt Stevin in de 'Vytspraeck' aan te kunnen tonen op vier punten:
T'einde der spraken is, onder anderen, te verclaren t'inhoudt des ghedachts, ende ghelijck dat cort is, also begheert die verclaring oock cortheyt, de selve can bequamelicxt gheschien, duer ynckel saken met ynckel gheluyden te beteeckenen; Oock soodanighe, datse overal de T'saemvoughing bequamelick lijden; Datse de Consten grontlick leeren; Ende den Hoorders heftelick beweghen tot des sprekers voornemen.
Dus: veel mogelijkheden voor 1. korte formulering, 2. samenstelling, 3. wetenschap ('Const'), en 4. het overtuigen van je toehoorders.

1. Ynckel saken met ynckel gheluyden

Met lange woordenlijsten laat Stevin zien dat zijn taal veel woorden heeft van één lettergreep:
eerst bethoonende, ende dat metter daet, op datment gheloove, der Duytschen 742 eensilbighe woorden inden eersten persoon; daerder de Latinen alleenlick 5 hebben; De Griecken gheen eyghentlicke, maer langhe vercort tot 45.
[ ... ]
D'ander Duytsche ynckel gheluyden, als der namen, bynamen, voorsettinghen, &c. siin in ghetale tot I428, de Latijnsche (tot de tsaemvouging onbequaem) alleenlick I58, de Griesche 220
En dit is niet alles:
want wy de schandelicke om noemen, ende ander die ons buyten Den schat der Duytscher talen (welcke t'Woortbouck was daerwyse uyt vergaerden) ons wel inden sin quamen, moetwillens uytghelaten hebben
Het 'Woortbouck' is volgens Dijksterhuis (1943) van Ian van den Werve uit Antwerpen (Het tresoor der Duytsscher talen, Brussel 1552; Den schat ..., Antw. 1568).
    B.C. Damsteegt: het was de Thesaurus Theutonicae linguae. Schat der Neder-duytscher spraken, Plantijn, 1573, zie Tijdschr. Ned. Taal- en Lett. 99 (1983) 286.

Later neemt Stevin de lijsten weer op in de Wisconstige Gedachtnissen.
Enkele die wel genoemd staan:

Ick ...
Kriel. Ie remue comme entre les fourmis. Mobilito per turbas.
Lol. Ie grongnonne. Eiulo ad instar felis [als een kat].
Lol. Ie me chauffe comme les vielles qui vsent d'vn pot plein de feu le mettant soubs elles.
Lul. Ie singe le son [na-apen]. Sonum imitor.
En deze namen voor spelen:
Ick ...
Bol. Ie boule. Volvo globum.
Buet. Ie troque. Commuto
Caert. Ie ioue aux cartes. Ludo chartis.
Caets. Ie ioue à la paume. Ludo pila
Colf. Ie croche. Ludo claua
Coot. Ie ioue aux os. Talis ludo.
Kloot. Ie boule. Voluo globum.
Klos. Ie ioue à la boule par trauers d'vn anneau. Ludo globo per annulum.
Top. Ie ioue de la toupie. Trocho ludo.
Tuysch. Ie ioue à dets. Alea ludo.
Inderdaad is de eerste het kortst. Ook onze namen voor letters zijn korter:
Als by voorbeelt int spellen van Dal, datmen opt Griecsche seght Delta, Alpha, Lambda, Dal; ofte opt Hebreusch Daleth, Aleph, Lamed, Dal; alwaer yder beghin ongheschictelick van meer gheluyden is, dan t'ghene vande drie beghinselen ghemaect wort. Daerom segghen wy veel natuerlicker ende aerdigher, De, A, El, Dal: want t'ghene inde Consten beghin is, moet daerin het alder eenvoudichste sijn, t'welck hier, soot de Duytschen ghetroffen hebben, ynckel gheluyt is.
Daerom deden de Latinen wel, doe sy leerden lesen en schrijven, dat sy in desen d'ander lieten varen, ende de Duytschen volghden.
De laatste zin doet ons misschien bijna van de stoel vallen, maar is hier alleen geciteerd om te laten zien dat zelfs een bij uitstek redelijk denkend en ontwikkeld iemand als Stevin in die tijd nog zo weinig wist.

2. T'saemvoughing

Stevin geeft grappige voorbeelden van:
der woorden voornomde T'saemvoughingh [...] welcke niet t'onrecht voor een der voornaemste ende nutste eyghenschappen die in talen begheert worden, gheacht is; wiens voordering ende nootlicheyt den ghenen die hun inde Consten oefnen, niet onbekent en is, overmidts der dinghen namen daer duer oock haer corte bepalinghen {Definitiones.} sijn.
[ ... ]
Hier in wort byden gheleerden het Griecx gheluckigher gheacht als d'ander, dat is, als de ghene die by haer verleken wierden, onder welcke het Duytsch gheen plaets en had; anders ten waer gheen oirdeel van gheleerden, maer van verkeerden gheweest
[ ... ]
Ymant mocht nu van desen eenighe voorbeelden begheeren; maer wanttet licht ende te slicht waer, uyt de oneindelicke een groote menichte te vergaren [...] soo gheven wy hem selver eenighe voor te stellen die hem ter coppeling onbequaemst duncken. Ick neem dat hy daertoe verkiest (om haer aldermerckelicste verscheydenheyt, ende gheduerighen strijt) Water en Vier: Voorwaer soot den noot erghens voorderde dese te vergaren, als by ghelijcknis, yemandt willende segghen,
Tot d'incomst des Kuenincx waren vieren ghemaect die van selfs int water ontstaken,
hy sal die noemen (ghelijck wy anders segghen Turfvieren, Eyckevieren) Watervieren: ende daer toe en behouft hy gheen gheleerde te sijne, noch hem lang te bedencken, maer de leecken worden, duer de wonderlicke eyghenschap des taels, van selfs daertoe ghedronghen. Ten is den hoorenden oock gheen nieu noch vreemt woort, hoewel hy dat van te vooren noyt ghehoort en had
Watervuurwerk was al bekend, maar kennelijk was de naam 'vuurwater' nog niet in zwang!

3. Consten

Over het derde punt is er in de 'Vytspraeck' maar een kort stukje, met gepaste bescheidenheid, maar veelzeggend:
vande bequaemheyt deses taels tot de leering der Consten, waer af wy [...] de volghende Weeghconst, sulcx sy is, tot voorbeelt stellen; welcke ghy, ghemerct de groote rijcheyt onses taels, uyt welcke alles veel beter behoort ghedaen te sijne, daertoe misschien niet weerdich en sult achten
[ ... ]
waer wildy spraken halen daermen duer segghen sal, Evestaltwichtich, Rechthefwicht, Scheefdaellini, en dierghelijcke daer de Weeghconst vol af is? sy en sijnder niet, de Natuer heeft daer toe aldereyghentlicxt het Duytsch veroirdent.
In de Anhang gaat het over de "diepsinnicheyt" van de eigenschappen in de Weeghconst:
t'welck daerin blijct, dat sy om sulcx laetst tot smenschen kennis ghecomen sijn, ende of sy v schoon licht dochten, dat muecht ghy d'onbegrijpelicke volmaectheyt der Duytsche spraeck dancken
Ook in 'Anden Leser' van het Waterwicht roemt Stevin zijn taal, en daar komt een ander voordeel van het gebruik van de eigen taal naar voren: daarin kun je beter nadenken.
Haer eyghenschap is te maken corte clare verstaenlicke voorstellen, niet alleen voor den leerlinghen, maer oock self den Vinders, om opentlick t'vervolg van t'een uyt het ander te bemercken.
Daar staan nog enkele voorbeelden van: "nieuwe Consten brenghen nieuwe woorden me"*). Ook geeft hij er twee stukjes Latijn die bij "oversetting" in onze taal veel korter worden.

*)  Cf. L'arithmetique de Jacques Peletier du Mans (1552), 48v: "nous avons si grand povretè de motz artisans, que si nous en voulons parler, il nous faut user de circonlocution pour dire ce que la langue Grecque ou Latine dit en un mot" (we zijn zo arm aan woorden in kunsten en wetenschappen, dat als we erover willen praten, we moeten omschrijven wat het Grieks of Latijn in één woord zegt).
    Peletier publiceerde in 1555 een Dialogue de l'Ortografe e Prononciacion Francoese.

4. Heftelick beweghen

Het mooiste stuk in de 'Vytspraeck' is, uiteraard, dat over "deses taels beweeghlicheyt". Het begint met een voorbeeld van een hoogleraar in Freiburg, die zijn rede in het Latijn vermengde met Duitse woorden als "Ein abgfeimpter, eerloser, znichtigher boesswicht." omdat hij geen Latijnse kon vinden.
Dan volgt iets dat tekenend is voor Stevins eigen omgeving in die roerige tijd:
    Neemt noch merckelicker voorbeelt, ande prekinghen ofte verscheyden leeringhen der ghelooven, die inde Duytsche landen gheschien. waer vindtmen ander contreyen daer de ghemeenten alsoo ghetrocken worden, den eenen tot dit, den anderen tot dat, ende elck tot t'ghene hy hoort? wat is d'oirsaec? de beweeghlicheyt der Duytsche woorden, al veel heftelicker des menschen sin ende ghemoet tot des Redenaers voornemen dringhende, als eenighe ander; want soo hy de tong wel t'sijnen bevele heeft, ende dat hem maer int hooft quaem een bessem de bruyt te sijne, hy sal de ghemeente beweghen ter bruyloft te commen;
Zelfs een bezem kan tot bruid benoemd worden. Die 'beweeglicheyt' is dus wel riskant:
Daerom waert wel te wenschen, dat gheen ander begaefde der Duytsche tong, sulck ampt ten deel en viele, dan diens einde tot de ghemeene welvaert strect; want soodanigher menschen Duytsche woorden, vaten inde hoorders herten als clissen an wolle, sy sijn als den breydel des peerts, als t'roer eens schips, duer t'welck de ghemeente ghevoert wort daert den stierman belieft.

Strijtreden

Na dit onderwerp van de 'beweeghlicheyt' zijn bij Stevin alle remmen los:
    Maer wat hebben doch d'uytheemsche verachters der Duytsche spraek; die schampweerdighe schampers, die oirdeelders als blinden vande verwe, voor strijtredens {Argumenta.} bij te brengen? Ia, segghen sy, als wy al veel iaren die tael gheleert hebben, soo spreken wy noch soo erbarmelick, dat de Duytschen lachen moeten wanneer syt hooren, maer de onse hebben sy terstont gheleert, hoe can d'hare dan goedt sijn?
O aerme onghevallighe ghedierten! O iammerlicke wysheyt! Om dat een witte muer beter om schilderen is dan Paris oirdeel, is sy daerom oock constigher? Om dat den volmaecten omtreck eens naecten menschen lichaems, onder de formen de aldermoeylicste is die den schilder ontmoet, is sy daerom de verachtste?
[ ... ]
om dat de Duytsche spraeck, welcke de diepe verborgentheden der natuer grondelick uytbeelden can, lastigher om leeren is als d'ander diese verswyghen moeten, is sy daerom de slichtste? Ia sy voor slichter dan slichte slichthoofden, die niet en weten waerin goetheyt of soetheyt van talen gheleghen is.
Nog eens lof voor de voorouders:
de voorighe Duytschen hebben ghedaen, als of sy altemael de saken ervaren daer de talen toe dienen, met een selfde gheneghentheyt aldus eendrachtelick ghedocht hadden:
Anghesien wy duer t'behulp van tong, lippen, tanden, verhemelt, keel, bycans oneindelicke verscheyden eensilbighe gheluyden connen uyten, soo ist billich dat wy yder ynckel saeck een eensilbich gheluyt toeyghenen (want min is onmueghelick, meer is onnut) ende van sulcker aert, dat sy de Tsaemvoughing bequamelick lijden
[ ... ]
dattet voormael een seer wys, gheleert, ende overtreflick Gheslacht is gheweest, als vooren bethoont is, daertoe ghecommen sijnde met langher tijdt, duer veel ervaringhen. Ende soo wy van dese voorghanghers weerdighe navolghers willen gheacht sijn, en sullen niet duer een beestelick ghetuych van ondancbaerheyt, so groote gaven ons naghelaten, duer onwetenheyt versmaen [...] den spieghel der talen
En dan weer wat nuchterder, maar triomfantelijk en met schertsende uitdaging (het blijft een 'strijtreden'):
ghelijck t'gout duer t'vier beproeft wort, alsoo salmen haer weerdicheyt duer de daet {Effectum.} bethoonen:
Welcke sal die sijn? dese, neemt voor grondt {Subiecto.} t'ghene in al d'ander spraken tot noch toe der Naturen diepe verholentheden sijn, welcke sy niet ter deghe bedien en connen, als dat sy v [...] dit na segghen:
Ghelijck rechtheflini tot scheefheflini, alsoo rechthefwicht tot scheefhefwicht 
{20, v. I. B. der Begh. vande Weeghconst.};
ende diet soo doen connen, belooftse vrielijck een koeck;  Ia dat sy t'avent op sullen blijven (voor kinderen dienen doch kinder prijsen {Kinderen in kennis der weerdicheyt vande Duytsche tael.}) ende ick verseker v dat ghyder sonder schade sult afcommen
[ ... ]
de Consten welcke ander met haer eyghen woorden niet uyten en connen, die sal den ghemeenen man alhier duer de beghinselen grondelick mueghen verstaen, ende door sijn ingheboren gheneghentheyt tot de selve, die tot yder volcx baet al andersins connen voorderen dant den anderen mueghelick is.
Al klinkt het wat hoog gegrepen, Stevin heeft toch zeker zijn Weeghconstighe steen hiertoe bijgedragen. Het besluit van zijn hoogdravende voorrede, met (te) ver gezochte verbanden, is nuchter en bescheiden:
Doch soo de contrarie gheschiede, ick can my vernoughen in een eerlick voornemen mijn goede wille te verclaren, welcke in haer beroup tot yders dienst gheeyghent is.
Hij had er in 1586 vast nog geen vermoeden van dat hij in dienst zou komen van prins Maurits (twee jaar eerder was Willem van Oranje vermoord), en nog veel belangrijke bijdragen zou leveren "tot yder ghemeentens grootste nut".


Woorden

Simon Stevin was een taalvirtuoos. Niet altijd is zijn proza zo bloemrijk als in de 'Vytspraeck', want een "oirdentlick geketent werck" is iets anders dan een 'strijtreden'. Maar nieuwe woorden zijn er te over in de Weeghconst en ander werken. Behalve de bekende, zoals 'wiskunde' en 'evenredig', zijn er ook nogal wat die helaas niet meer in zwang zijn: 'evenstaltwichtig', 'brantsne' voor parabool (snede van een "Brander ; Reden, dat dier formen daet voornamelicxt bestaet int ontsteken ofte branden."), 'wassendesne' voor hyperbool en 'lanckrondt' voor ellips, 'bijl' voor trapezium, 'vlackvat', 'duysteraer' voor ecliptica, en andere (2).

Stevin maakte een nieuw woord als de letterlijke vertaling uit het Latijn volgens hem niet precies de betekenis weergaf. En dit resulteerde wel eens in wat langere woorden dan hij misschien gewild had. Een duidelijk voorbeeld hiervan vinden we in de 'Meetdaet' (2, v. 13): cirkel, sector, segment

Daer gheschien int rondt twee besonder vermaerde sneen, d'eene met twee halfmiddellijnen, wiens deel ick halfmiddellijndeel noem [DABC], d'ander met een peez ick peezdeel heete [ABC]:
Tis waer datmen daer voor int Latijn seght sector en sectio, dat snijder en sne bediet, maer het onderscheyt en dunckt my niet eyghen ghenouch, welverstaende voor den ghenen die in een beter tael de saken eerst namen gheeft, want anders is de ghewoonte veel toe te laten.
De woorden 'snijder' en 'snee' waren kennelijk met spijt afgekeurd: te ruime betekenis. We mogen ze gebruiken, maar het kan preciezer.
Het 'halfmiddellijndeel' heeft nu toch weer de naam sector. De 'peez' (zoals de pees die een boog spant) heet nu koorde, het 'peezdeel' segment.

In een boek waar je dat niet zou verwachten, de Sterctenbouwing, staat Stevin ettelijke malen stil bij de etymologie van een woord. Bijvoorbeeld: bolwerk,

Ghelijck het reetschap dat de uijren oirdentlick beteyckent, sijn naem heeft van werck ende uijr, als oftmen wilde segghen een werck dat de uijren onderscheyt, alsoo crijcht dit hooft den naem bolwerck, van weghen werck en bolle, twelck soo veel te segghen is, als werck om te wederstaen de bollen of clooten des viants die daer op gheschoten worden, oock om van daer bollen na den viant te schieten.
Nu moeten we hem ongelijk geven (Etym. Wb: bolle - boomstronk, en: bolwerk - een met hout versterkt verdedigingswerk). Maar hij heeft gelijk als hij even verderop zegt dat het Franse 'boulevard' komt van ons woord bolwerk.
Een verhoging op een bolwerk heet een catte:
Ghelijck een catte sit en pronct ende en loert na de muys, ende eenighe int ghesicht ghecreghen hebbende, haer beste doet om die te vernielen, alsoo oock desen berch [...]
Doch en wil ick hier mede een beter niet versmaden, maer ghebruijcke de vrijheyt, die voor yghelick int anspil van der namen oirspronck {Allusione etymologiæ nominum.} ghemeen is.
Etymologie was nog geen wetenschap. Maar Stevin wilde er meer mee dan zomaar wat spelen (blz 4): "schuwen alle misverstant; dat dicwils uijt onverstaen woorden inde sake volght", en het beste is: "de reden meer plaets te gheven dan quade ghewoonte."

Op blz 83 van de Sterctenbouwing staat de opmerking:
Maer ick vreesende of den Drucker de papieren eintlick den Apotekers tot peperhuijskens moest vercoopen, als niet wetende hoe langhe de Neerlanders liever sullen segghen ghelijck papegaeyen, conterscherpen, flanckeren, zapperen, dan als menschen met kennis der sake, cabeschoeysels, strijcken, graven, hebbe mijn aerbeydt, ende des Burgmeesters de Grootens [3] voorder oncosten ghespaert, daer hy ten ghemeenen oirboire meer dan middelmatich toe gheneycht is.

Bloemkens

Hier volgen enkele voorbeelden van mooie korte formuleringen.

In de Bewijsconst:

de Ghewoonte, die niet t'onrecht d'ander Natuere, gheseyt wort
In de Tsamespraeck van Ian en Pieter:
En laet ons maer wenschen naer t'gene de Natuere wil, ende t'sal al gheschien naer ons begheeren.
Daar vinden we vaak rijmplezier, bijvoorbeeld op blz 144:
het is genouch vande duere, want te wijle ick my hier inde duere met de duere alduere becommere, soo loopt d'ure gheduerich duere, duer e[e]n luere van een questie
En op blz 147:
Is dat Argumenteren? bat het is Tormenteren;
Is dat Leerghiericheyt? neent, maer Eerghiericheyt.
Zoals ook in de 'Vytspraeck' (bij 2 hierboven):
gheen oirdeel van gheleerden, maer van verkeerden
Het woord 'verkeerd' gebruikt hij in de zin van 'omgekeerd'. Hier dus: ze hebben het bij het verkeerde eind.

In de Weeghconst staat:

Sichteinder is des weerelts grootste rondt, dat haer sienlick deel scheydt van het onsienlick
Deze mooie definitie komt na een klacht dat "den onghevallighen slaep des Spieghels der talen" (tijdens de 'woestheyt' van onze voorouders) niet toegelaten heeft dat 'sichteinder' bij ons zo gewoon is als 'horizon' bij de Grieken.

Na de Bepalinghen komen de Begheerten, over "bedectelicker" zaken die

den berispers tot stof souden dienen, om te straffen t'ghene gheen straf en verdient
hefboomwet: ongelijke gewichten, ongelijke armen
En dan de beroemde hefboomwet, het eerste van vele Voorstellen:
Wesende twee evestaltwichtighe swaerheden,
de swaerste heeft sulcken reden tot de lichtste,
als den langsten erm tot den cortsten.

In de natuurkundeles wordt bij het onderwerp katrollen nog wel eens aangehaald "dese ghemeene weeghconstighe reghel":
Ghelijck wech des doenders, tot wech des lijders,
Alsoo ghewelt des lijders, tot ghewelt des doenders.
De wet van Archimedes:
Yder stijflichaems swaerheyt is so veel lichter in t'water dan in de locht, als de swaerheyt des waters met hem evegroot.
Bij een wand ('bodem') onder water, zoals een sluisdeur, is van belang het
swaerheyts middelpunt [...] vande macht des gheprangs vergaert inden bodem
In Anden Leser bij het 'Waterwicht':
want datter niet in en is en cander niet uytghetrocken worden
In De Thiende:
dat de Werelt door des Sterreconsts Rekeningen, als Maeckende Oirsaecke der constighe verre Seylaigen [...] een prieel der wellusticheydt geworden is, overvloedich tot velen plaetsen, van dies [met dingen die] het Eertrijck daer nochtans uyt der Natueren niet voortbrenghen en can.

Selden besoeten sonder besueren

Nu of hier duer ghewonnen sal worden den costelicken oncoopelicken Tijt . . . [^]

Vaert daerentusschen wel, ende daer naer niet qualick. [^]

In Het Burgherlick Leven:
Wachaerme, tis voor een doofmans deure gheclopt

In de Wisconstige Gedachtenissen voor prins Maurits staat een kernachtige zin die veel van Stevins werk typeert:
weten is een dinck deur de oirsaken verstaen
Dit in het begin van boek 1 . Vaak blijkt (zoals op blz 186) dat deze mening werd onderschreven door de prins zelf,
diens mare (sonder stoffering geseyt) rontom den Eertcloot loopt
Hier bij staat dat het beoefenen van de 'vrije kunsten' ten koste kan gaan van "ander saken die de schoorsteen doen rooken". En: velen vonden dat de prins er te veel tijd aan besteedde.

Karakteristiek voor de persoon Stevin, in de Anhang van boek 1:

ick acht datmen soo veel ware stof vindt om sich in te oeffenen, dattet niet noodich en is sijn tijt in straffing van ymants dwalingen te slijten
Discussies zet Stevin nooit tussen de leerstof, maar altijd in een Anhang. Nu volgt dus kritiek op anderen. Maar die zijn:
soodanige, dat ick my niet schamen en soude, in desen self meerder fauten begaen te hebben dan sy: welcke, sooser sijn, my soo lief waren door ander verbetert te sien, als dese verbetering self te schrijven
Eigen dwalingen worden zo nodig ook vermeld:
Ymant mocht nu segghen dat te groote neuswijsicheyt int stick van bepalinghen lasterlick is, [...] ghelijck ick voor my in desen handel ghewaer ben worden, alwaer ick volghende de naem Vervulling [complement], wilde vervullen of toe doen, daer de sake ter contrari aftrecking vereyschte
In het Eertclootschrift een mooie definitie van de Aarde:
Eertcloot {Globus terrestris.} is het roerende weereltlicht dat wy bewoonen
En in boek 2 hiervan:
Het schijnt dat den eersten Roerder alles in geduerich roersel wil hebben, soo wel int ansien der deelen als des heels, want den gantschen Eertcloot niet alleen heur jaerlickschen loop om de Son en doet, en de daghelicksche op haer eygen as, maer de verscheyden stoffen daerse uyt bestaet, hebben een gheduerige vermenging en beweging deur malcander.
In de Hemelclootsche Werckstucken:
Den oirspronck des naems Evenaer is dese: De Son schijnbaerlick in dat rondt commende, dach en nacht is evelanck over t'gantsche eertrijck: En van weghen de evening deur dat rondt alsoo veroirsaeckt, wordet evenaer geheeten.
In de Spiegheling der Singconst:
die wel onderscheyt die leert vaec

Dit lijkt sterk op: Die wel Verspreyt, die leert wel, volgens de Bewijsconst (blz 60) een "ghemeen woort".
In een brief over de Singconst:
wilt my uyt den droom helpen, of u selven daer in brengen
In Hendrik Stevins 'Waterschuyring onses Vaders':
dat alles Godts werc te wesen openbaer is, maer al te eenvoudelic te gelooven, dat de menschen hun daer me te vergeefs becommeren, is onnut

In de Wijsentijt zijn nog meer "bloemkens van woorden en spreucken" te vinden (deze uitdrukking staat daar in het stuk over de eigen taal).


Uitleg

Stevin kon ingewikkelde dingen op een simpele manier uitleggen. Dat hij dit ook voor zichzelf belangrijk vond bleek al hier boven: "oock self den Vinders". Hij zegt het expliciet in de Hemelloop:
Soo ist gebeurt dat t'ghene ick aldus voor anderen bereyt hadde, my self tot inleyding verstrecte, om tot spiegeling te geraken die my beter docht
Als je het uitlegt snap je het beter!

Wat Stevin ook goed kon was: simpele dingen mooi toelichten. Het is misschien om dit laatste dat zoon Hendrick zijn bekende lijfspreuk "Wonder en is gheen wonder" aanvulde met "en gheen wonder is wonder".

Hangen, liggen, staan, zitten

    Yemant mocht hier noch de verclaring begheeren des verschils tusschen hanghen en ligghen, waer op d'antwoort is dat wy een lichaem voor hanghende houden, als siin swaerheyts middelpunt is onder, oft int tghenaecsel daert op rust;
Maer tswaerheyts middelpunt daer boven sijnde, alsdan houden wijt voor ligghen, staen, oft sitten;
Ligghen, als de langste sijde des lichaems haer strect langs den sichteinder: Staen, als sy daer op rechthouckich is; daerom ist oock dat wy den teerlinck (overmits sijn sijden al even lanck sijn) soo eyghentlick segghen te staen als te ligghen, ende te ligghen als te staen. Sitten is wat tusschen ligghen en staen.

Sokken en kousen

alsoo wy tot onse nootlickheyt de teenen niet verscheyden en behouven, wy stekense wel altegaer in een socke, ofte voetelinck, maer beyde de beenen t'samen in een cousse te steken, dat en staet niemant toe, sulck cleyt en wil niemant hebben, want ghemerct wy de beenen verscheyden moeten ghebruijcken om te gaen, soo vereyscht de reden datmen elck been sijn besonder cousse gheve

Een ander schaeu

Een mooi stukje uitleg over het zien staat in het Derde Stuck der Wisconstighe Ghedachtnissen - Vande Deursichtighe (over het 'perspectief'). Wat je ziet is een beeld van de werkelijkheid, en het kan daarvan verschillen:
dat wy geen wesentlicke saeck self en sien, maer alleenelick de schaeu van dien, misschien op een ander plaets, t'welck aldus bethoont wort:
Ymant duwende ter sijden an sijn oogh, doet het ghene hy siet, verre wycken vande plaets daer hyt sonder duwen sach: En hoewel sommighe t'ghesicht soo hebben, datse dese verandering naulick of niet mercken en connen, doch ander siense seer wel:
Ick hebse dadelick tot over de 33 trap. {33 grad.} bevonden, want soo groot was den houck tusschen de twee schaeuwen, d'eene ghesien vant ghedude, d'ander vant ongedude oogh:
Maer de ware saeck blijft in haer plaets, daerom t'ghene alsoo van sijn plaets verschiet, en is de wesentlicke saeck self niet, maer alleenelick de schaeu van dien:
Stevin heeft wel hard tegen zijn oog geduwd! Wie doet hem dat na?
Wel kunnen we de proef nadoen die even verder staat (en die ons doet denken aan de brekingswet van de boven genoemde Snellius):
    Merckt noch dat uyt verscheyden ander oirsaken dan deur t'oogh, de schaeuwen van haer wesentlicke saeck wijcken, als diemen int water meynt te sien; want noyt mensch en sach, niet alleen eenige wesentlicke saeck int water, maer oock niet de selve schaeu die hy inde locht daer af sien can, dan een ander schaeu tot een ander plaets: penning op bodem van leeg vat, en met water


T'welck daer an blijckt, dat ligghende een penninck of ander saeck op den gront eens ledich vats, alsoo datmen dien penninck, of om eyghentlick te spreken, de schaeu van dien penninck niet sien en can, om den cant des vats wil,

en datmen daer na t'selve vat met water vult men siet den penninck soot schijnt wel bescheedelick:

Doch ten is den wesentlicken penninck self niet, noch oock de schaeu diemen inde locht sien can, maer een ander schaeu deur t'water veroirsaeckt.

[ Figuren toegevoegd ]


Deze nog steeds verrassende proef met een munt in een bak was al in de Oudheid bekend, en werd in 1593 beschreven door Giambattista della Porta (4). Stevin kan nog geen verklaring geven, en dat hij dit ook niet doet is tekenend voor zijn nuchtere beschouwing van de werkelijkheid: een duidelijke beschrijving is voorlopig voldoende.

Ook lucht, vuur en glas kunnen de werkelijkheid vertekenen:

Ende soo gadet oock mette hemelsche lichten, diens schaeuwen boven den sichteinder {Horizontem.} ghesien worden, eer de wesentlicke lichten self daer boven sijn, t'welck een ander schaeu is veroirsaeckt deur de vochticheden des lochts.
Meer ander verscheyden veranderinghen deser schaeuwen bevintmen noch deur t'vier, deur cromme glasen, en in blinckende spieghelachtighe stoffen:
Van de 'wanschaeuwing' der 'hemelsche lichten' staat een opmerkelijk voorbeeld in Stevins werk over sterrenkunde, de 'Hemelloop': op Nova Zembla zagen Willem Barents en de zijnen de Zon terwijl die onder de horizon was.

Stevin heeft bij het schrijven van de 'Deursichtighe' kennelijk nog niet de verrekijker in handen gehad. Het kwam uit in 1605, Hans Lipperhey vroeg patent aan in 1608, en Galileï begon zijn waarnemingen ermee in 1609.



Noten

  1. Zie: Dr. J. Rombouts - Simon Stevin, Taalstrijd - Taalzuivering, Brussel 1933.
    Stevin kende de Twe-spraack (^) van Spieghel (1584), blijkens een opmerking in de Bewysconst (blz 159/160). Ook in De Sterctenbouwing verwijst hij naar deze 'Duytsche Letterconst' (blz 2).
    In 1610 werd Den Nederduytschen Helicon aan Stevin opgedragen.   «

  2. Stevins nieuwvormingen worden behandeld in Dijksterhuis 1943.
    neon (nederlands online, voorheen NedWeb) geeft enkele andere voorbeelden. Zie ook:
    Marjolein Kool - De Rekenkundige termen van Simon Stevin, Scientiarum Historia 18 (1992) 2.
    De oprichting van de Ingenieursschool (1600) zal enige invloed gehad hebben op onze taal.   «

  3. Johan Hugo Cornets de Groot, vader van Hugo de Groot, was van 1591 tot 1595 burgemeester van Delft. Stevins L'Arithmetique werd aan hem opgedragen, met lof voor zijn geleerdheid, experimenteerkunde en algemene eruditie. Voor dit werk schreef De Groot twee poëmata (als Iagius Tornus Philomathès, en als Darie Togon). Ook in de Beghinselen der Weeghconst staan twee lofdichten van zijn hand.   «

  4. L. W. Taylor - Physics, the Pioneer Science (1941, heruitgave Dover), 442, noemt Porta, De Refractione, p. 23.

    munt op bodem van glas water, straalbreking straalbreking volgens Reisch
    Tekening in Gregor Reisch, Margarita philosophica, Basel 1508 (1e ed. 1503), lib. 10, tract. 2, cap. 12.
    Oog o ziet de munt ('res visa') dankzij de breking.

    Afbeelding rechts (IMSS) in: La sfera del mondo di m. Francesco Giuntini (1582), p. 70. Duidelijk wordt aangegeven hoe lichtstralen breken die vanaf de munt (Denarius) omhoog gaan, en waar de munt verschijnt (Aparit.). Maar de volgorde van deze verschijningspunten moet andersom: de meest rechtse straal breekt het meest, zodat de munt het hoogst lijkt te zijn; de linker straal gaat bijna loodrecht omhoog naar het wateroppervlak, en zal bijna niet breken; de munt verschijnt dan juist het laagst.

    Er bestonden vreemde verklaringen voor de lichtbreking: Alhazen (ca. 1000) schreef zulke effecten toe aan de bolvorm die een wateroppervlak moet hebben, zoals het oppervlak van de Aarde. Seneca dacht dat een appel in een rond glas met water er ongewoon uitziet doordat het oog onder water geen greep kan krijgen op de appel. En twee eeuwen na hem meende Alexander Aphrodisiensis een betere verklaring te hebben: een deel van het water neemt de kwaliteit van de appel aan, zodat deze groter lijkt.

    René Descartes vergeleek de breking van licht in water met de richtingverandering van een balletje dat in het water geslagen wordt (zie de uitleg in de vertaling van Glazemaker, 1659, pp. 61-63, 68-71).
    Christiaan Huygens noemt een dergelijke proef met een ring, toegeschreven aan Archimedes (Oeuvres, 13, 5).   «




Simon Stevin | Taal (top) | Parels