Talen , Duytsch , oorsprong , vergelijking , strijtreden , woorden , bloemkens , uitleg , Noten
Stevin en TaalTalen van StevinHet eerst gepubliceerde werk van Stevin is in het Nederlands: de Tafelen van Interest (1582), het tweede in het Latijn: Problemata Geometrica. Het derde en vierde verschenen in 1585, en zijn weer in zijn eigen taal: de Bewijsconst en De Thiende. In het Aenhangsel bij dit vierde werk staat op blz 32 dat hij hoopt een 'Sterreconst' te laten "uytgaen"in onse Duytsche Tale (dat is inde aldercierlicste alderrijckste, ende aldervolmaeckste Spraecke der Spraecken, van wiens groote besonderheydt wy cortelick noch al veel breeder ende seeckerder betooch verwachten, dan Pieter ende Ian daer af ghedaen hebben inde Bewijsconst ofte Dialectike onlancx uytghegheven)Die 'Sterreconst' kwam pas twintig jaar later uit (met uitleg volgens Copernicus!), als Hemelloop. In 1585 was er nog een werk in het Frans: L'Arithmétique, maar daarna publiceerde Stevin alleen in het Nederlands. In 1586 verscheen de Weeghconst, met de voorrede 'Vytspraeck vande Weerdicheyt der Dvytsche Tael' {Elogium.}, een lofzang op de "Spraecke der Spraecken". Hierover gaat een het grootste deel van dit stuk. Stevin beheerste Frans en Latijn, en kon ook overweg met het Grieks, hij was dus in staat verschillende talen te vergelijken met zijn eigen taal (het Engels wordt niet genoemd). In de 'Vytspraeck' beargumenteert hij de weerdicheyt dese Taels boven al d'anderHoe futiel deze bezigheid ons ook voorkomt, het stuk is interessant voor wie zich wil verplaatsen naar die tijd (1). Het was nog nodig te verklaren waarom een wetenschappelijk werk niet in het Latijn geschreven was. Je zou denken dat dit dan beter in het Latijn gedaan had kunnen worden, maar de geleerde Becanus was hem al voorgegaan. Deze had in 1569 in zijn Origines Antwerpianae uitgelegd dat het 'Duytsch' de taal van het bijbelse paradijs was geweest, en dus de beste. Bij Stevin geen bijbel, geen God, geen Babylonische spraakverwarring, maar een zich verwonderen, duer wat middel de Natuer mocht wercken, doen sy ons voorouders sich haer spraeck dede makenTaalvaardigheid wordt verkregen door oefening, zie de opdracht van Het Burgherlick Leven: ons ernstich vermoeden {Opinio.} (wie en worter van het sijne niet gheregiert?) vande wonderlicke verborghen eyghenschappen der Duytsche sprake, om inde welcke my met besonder wellust te oeffenen, hebbe daer toe vercoren dese Burgherlicke stof {Materiam politicam.}Een andere taal die Stevin beheerste was de wiskunde. Al in de Tafelen van Interest gaf hij daarmee "de ghemeynte gheerne nutbaeren dienst" (p. 8, eind van opdrachtbrief) en tegelijk toonde hij zijn vaardigheid in het Nederlands (p. 3, begin van de opdrachtbrief): Ghelijckerwijs den jaerlicxschen vloedt des Nilus oorsake was van groote twist die gheduerlick oprees tuschen den inwoonderen van Egypten, omme dieswille zy alle teeckenen daer ieghelicks landt mede afghepaelt was jaerlicks uytroeyede, welck nochtans by ghevalle een oorsake was van groote eenicheydt die haeren naecomelinghen daer uyt ghevolcht is, want heurlieder Koninck beval daer deur den priesteren (overmidts zy meer ledighen tijdt hadden dan andere) middelen te practiseren datmen door eenighe ghewisse regelen yeghelick zijn landt zoude mogen wederleveren: Duytsch en onduytschDe naam 'Duytsch' die Stevin gebruikt voor zijn taal komt van het middeleeuwse 'Dietsch', of 'Duutsch' en we vinden hem terug in het Engels. Het is niet "Douts: de oudste", zoals Becanus meende, maar de naam komt van een oud Germaans woord voor 'volk'.Andere namen vinden we in de ondertitels van: - de Bewysconst: Beschreven int Neerduytsch door Simon Stevin van Brugghe- de Franse vertaling (1608) van de Wisconstige Gedachtenissen: descrit premierement en Bas Alleman par Simon Stevin de Bruges- de Latijnse vertaling (1608) van dit werk, door Willebrord Snellius: è Belgico in Latinum à Wil. Sn. conversa- de Duitse vertaling (1608 en 1623) van De Stercktenbouwing: auss Niderländischer Verzeichnusz Simonis Stevini Brugensis [...] in hochteutscher Sprach beschriebenOf het nu Nederduits genoemd werd of Belgisch, Stevins Nederlands was in elk geval verschillend van het 'Hoch Teutsch', de taal die de in hoger gelegen Duitse gebieden werd gesproken. In de Bewijsconst komt iets van een taalstrijd naar boven: nadien sommighe mijn seer ghemeene vrienden ende Landtslieden, in ander Spraecken onervaren, nochtans der Consten uytnemende liefhebbers, verstaen hadden, dat wy yet der Mathematiken inden druck souden doen afveerdighen, maer in vreemder talen, en hebben my [...] niet slichtelick ghebeden sulcx inde onse oock te doen, maer bycans met redenen willen overtuygen gheen behoirlicke gheneghentheyt te draghen, tot onsen V A D E R L A N D EIn de Weeghconst komt inderdaad af en toe een 'bewijsreden' (syllogisme) voor. Stevin betoont zich hier geen taalpurist: hoe wel Contrarie, Claer, ende dierghelijcke, commen vande Latijnsche Contrarium, Clarum, sy sijn nochtans door de langhe ghewoonte, eenichsins Duytsch gheworden, soo dat de Leecken gemeenelick niet anders en weten, ofte ten is eyghentlick Duytsch:Als we de voorbeelden vergelijken met ons spraakgebruik blijkt ook hoe veranderlijk de gewoontes zijn. Daerom die hun een gantsche onvermischte [onvermengde] spraecke te heftich voorsetten, schijnen meer hare eyghenvernuft onderworpen, dan de RedenStevin wil liever Cicero navolgen, die ook niet allerlei Griekse woorden wilde 'verlatijnen': besighende sulcke Duytsche woorden, als wy achten by den ghemeenen man nu ter tijt alhier ghebruyckelicxt, ende alderbest verstaen te sijne, ons daer beneven neyghende naer het eyghen DuytschAls hij het nodig vond smeedde hij nieuwe woorden. Vaak vond hij daarmee navolging, maar niet altijd, zoals blijkt in de Vorstelicke Bouckhouding (1608, p. 3): Oirsaeck der onduytsche woorden die in desen handel ghebruyckt sullen worden. OorsprongStevins manier van redeneren in de genoemde 'Vytspraeck' voldoet niet altijd aan de regelen van de bewijskunde. Bijvoorbeeld: hij heeft ontdekt dat allerlei woorden en vormen in het Frans lijken op die in zijn eigen taal, en besluit daar uit dat deze laatste de oudste is zonder een andere mogelijkheid te overwegen:Tis te weten dat de Duytschen in die seer oude tijden vande welcke ter weerelt gheen opentlicke schriften gebleven en sijn, gheweest hebben een treffelick seermachtich Gheslacht. t'welck [...] tot manier van wiltheyt gherocht is [...]Vergelijk: Sterctenbouwing blz 1 ("guarda dat is bewaernis"). Vyt dese ghemeene reghel dan van W tot Gu [...] schijnt ghenouch te mueghen besloten worden, de Françoysen voormael Duytsch ghesproken te hebben, dat is Duytschen gheweest te sijne, ende vervolghens dat de Duytschen eertijts een bekent machtich volck waren.Duytsche woorden vindt Stevin ook bij de "Spaengnaerden", en hij heeft gehoord dat zelfs bij "etlicke Indianen" en "in ander contreyen in Asie" de talen "met Duytsch ghemengt sijn". Vergelijkend onderzoekDe inleiding 'Anden Leser' in het Waterwicht begint zo:VVat beweeghlicke oirsaeck Archimedes had, om te schrijven t'ghene hy ons in t'Bouck vande dinghen die int water ghedreghen worden, naghelaten heeft; daer hy de natuer heerlick begon te treffen, en weet ick niet; maer wel dit, dat hy de myne gheweest is, dat beken ick gheern, in sulcke stof ter form te brenghen die wy haer ghegheven hebben.Dat het 'Duytsch' voor de wetenschap een betere taal is dan Grieks of Latijn denkt Stevin in de 'Vytspraeck' aan te kunnen tonen op vier punten: T'einde der spraken is, onder anderen, te verclaren t'inhoudt des ghedachts, ende ghelijck dat cort is, also begheert die verclaring oock cortheyt, de selve can bequamelicxt gheschien, duer ynckel saken met ynckel gheluyden te beteeckenen; Oock soodanighe, datse overal de T'saemvoughing bequamelick lijden; Datse de Consten grontlick leeren; Ende den Hoorders heftelick beweghen tot des sprekers voornemen.Dus: veel mogelijkheden voor 1. korte formulering, 2. samenstelling, 3. wetenschap ('Const'), en 4. het overtuigen van je toehoorders. 1. Ynckel saken met ynckel gheluydenMet lange woordenlijsten laat Stevin zien dat zijn taal veel woorden heeft van één lettergreep:eerst bethoonende, ende dat metter daet, op datment gheloove, der Duytschen 742 eensilbighe woorden inden eersten persoon; daerder de Latinen alleenlick 5 hebben; De Griecken gheen eyghentlicke, maer langhe vercort tot 45.En dit is niet alles: want wy de schandelicke om noemen, ende ander die ons buyten Den schat der Duytscher talen (welcke t'Woortbouck was daerwyse uyt vergaerden) ons wel inden sin quamen, moetwillens uytghelaten hebbenHet 'Woortbouck' is volgens Dijksterhuis (1943) van Ian van den Werve uit Antwerpen (Het tresoor der Duytsscher talen, Brussel 1552 / Antw. 1553, ook bij DBNL; Den schat ..., Antw. 1568). B.C. Damsteegt: het was de Thesaurus Theutonicae linguae. Schat der Neder-duytscher spraken, Plantijn, 1573, zie Tijdschr. Ned. Taal- en Lett. 99 (1983) 286.
Later neemt Stevin de lijsten weer op in de Wisconstige Gedachtnissen. Ick ...En deze namen voor spelen: Ick ...Inderdaad is de eerste het kortst. Ook onze namen voor letters zijn korter: Als by voorbeelt int spellen van Dal, datmen opt Griecsche seght Delta, Alpha, Lambda, Dal; ofte opt Hebreusch Daleth, Aleph, Lamed, Dal; alwaer yder beghin ongheschictelick van meer gheluyden is, dan t'ghene vande drie beghinselen ghemaect wort. Daerom segghen wy veel natuerlicker ende aerdigher, De, A, El, Dal: want t'ghene inde Consten beghin is, moet daerin het alder eenvoudichste sijn, t'welck hier, soot de Duytschen ghetroffen hebben, ynckel gheluyt is.De laatste zin doet ons misschien bijna van de stoel vallen, maar is hier alleen geciteerd om te laten zien dat zelfs een bij uitstek redelijk denkend en ontwikkeld iemand als Stevin in die tijd nog zo weinig wist. 2. T'saemvoughingStevin geeft grappige voorbeelden van:der woorden voornomde T'saemvoughingh [...] welcke niet t'onrecht voor een der voornaemste ende nutste eyghenschappen die in talen begheert worden, gheacht is; wiens voordering ende nootlicheyt den ghenen die hun inde Consten oefnen, niet onbekent en is, overmidts der dinghen namen daer duer oock haer corte bepalinghen {Definitiones.} sijn.Watervuurwerk was al bekend, maar kennelijk was de naam 'vuurwater' nog niet in zwang! 3. ConstenOver het derde punt is er in de 'Vytspraeck' maar een kort stukje, met gepaste bescheidenheid, maar veelzeggend:vande bequaemheyt deses taels tot de leering der Consten, waer af wy [...] de volghende Weeghconst, sulcx sy is, tot voorbeelt stellen; welcke ghy, ghemerct de groote rijcheyt onses taels, uyt welcke alles veel beter behoort ghedaen te sijne, daertoe misschien niet weerdich en sult achtenIn de Anhang gaat het over de "diepsinnicheyt" van de eigenschappen in de Weeghconst: t'welck daerin blijct, dat sy om sulcx laetst tot smenschen kennis ghecomen sijn, ende of sy v schoon licht dochten, dat muecht ghy d'onbegrijpelicke volmaectheyt der Duytsche spraeck danckenOok in 'Anden Leser' van het Waterwicht roemt Stevin zijn taal, en daar komt een ander voordeel van het gebruik van de eigen taal naar voren: daarin kun je beter nadenken. Haer eyghenschap is te maken corte clare verstaenlicke voorstellen, niet alleen voor den leerlinghen, maer oock self den Vinders, om opentlick t'vervolg van t'een uyt het ander te bemercken.Daar staan nog enkele voorbeelden van: "nieuwe Consten brenghen nieuwe woorden me"*). Ook geeft hij er twee stukjes Latijn die bij "oversetting" in onze taal veel korter worden. *) Cf. L'arithmetique de Jacques Peletier du Mans (1552), 48v: "nous avons si grand povretè de motz artisans, que si nous en voulons parler, il nous faut user de circonlocution pour dire ce que la langue Grecque ou Latine dit en un mot" (we zijn zo arm aan woorden in kunsten en wetenschappen, dat als we erover willen praten, we moeten omschrijven wat het Grieks of Latijn in één woord zegt). Peletier publiceerde in 1555 een Dialogue de l'Ortografe e Prononciacion Francoese. 4. Heftelick beweghenHet mooiste stuk in de 'Vytspraeck' is, uiteraard, dat over "deses taels beweeghlicheyt". Het begint met een voorbeeld van een hoogleraar in Freiburg, die zijn rede in het Latijn vermengde met Duitse woorden als "Ein abgfeimpter, eerloser, znichtigher boesswicht." omdat hij geen Latijnse kon vinden.Dan volgt iets dat tekenend is voor Stevins eigen omgeving in die roerige tijd: Neemt noch merckelicker voorbeelt, ande prekinghen ofte verscheyden leeringhen der ghelooven, die inde Duytsche landen gheschien. waer vindtmen ander contreyen daer de ghemeenten alsoo ghetrocken worden, den eenen tot dit, den anderen tot dat, ende elck tot t'ghene hy hoort? wat is d'oirsaec? de beweeghlicheyt der Duytsche woorden, al veel heftelicker des menschen sin ende ghemoet tot des Redenaers voornemen dringhende, als eenighe ander; want soo hy de tong wel t'sijnen bevele heeft, ende dat hem maer int hooft quaem een bessem de bruyt te sijne, hy sal de ghemeente beweghen ter bruyloft te commen;Zelfs een bezem kan tot bruid benoemd worden. Die 'beweeglicheyt' is dus wel riskant: Daerom waert wel te wenschen, dat gheen ander begaefde der Duytsche tong, sulck ampt ten deel en viele, dan diens einde tot de ghemeene welvaert strect; want soodanigher menschen Duytsche woorden, vaten inde hoorders herten als clissen an wolle, sy sijn als den breydel des peerts, als t'roer eens schips, duer t'welck de ghemeente ghevoert wort daert den stierman belieft. StrijtredenNa dit onderwerp van de 'beweeghlicheyt' zijn bij Stevin alle remmen los:Maer wat hebben doch d'uytheemsche verachters der Duytsche spraek; die schampweerdighe schampers, die oirdeelders als blinden vande verwe, voor strijtredens {Argumenta.} bij te brengen? Ia, segghen sy, als wy al veel iaren die tael gheleert hebben, soo spreken wy noch soo erbarmelick, dat de Duytschen lachen moeten wanneer syt hooren, maer de onse hebben sy terstont gheleert, hoe can d'hare dan goedt sijn?Nog eens lof voor de voorouders: de voorighe Duytschen hebben ghedaen, als of sy altemael de saken ervaren daer de talen toe dienen, met een selfde gheneghentheyt aldus eendrachtelick ghedocht hadden:En dan weer wat nuchterder, maar triomfantelijk en met schertsende uitdaging (het blijft een 'strijtreden'): ghelijck t'gout duer t'vier beproeft wort, alsoo salmen haer weerdicheyt duer de daet {Effectum.} bethoonen:Al klinkt het wat hoog gegrepen, Stevin heeft toch zeker zijn Weeghconstighe steen hiertoe bijgedragen. Het besluit van zijn hoogdravende voorrede, met (te) ver gezochte verbanden, is nuchter en bescheiden: Doch soo de contrarie gheschiede, ick can my vernoughen in een eerlick voornemen mijn goede wille te verclaren, welcke in haer beroup tot yders dienst gheeyghent is.Hij had er in 1586 vast nog geen vermoeden van dat hij in dienst zou komen van prins Maurits (twee jaar eerder was Willem van Oranje vermoord), en nog veel belangrijke bijdragen zou leveren "tot yder ghemeentens grootste nut". WoordenSimon Stevin was een taalvirtuoos. Niet altijd is zijn proza zo bloemrijk als in de 'Vytspraeck', want een "oirdentlick geketent werck" is iets anders dan een 'strijtreden'. Maar nieuwe woorden zijn er te over in de Weeghconst en ander werken. Behalve de bekende, zoals 'wiskunde' en 'evenredig', zijn er ook nogal wat die helaas niet meer in zwang zijn: 'evenstaltwichtig', 'brantsne' voor parabool (snede van een "Brander ; Reden, dat dier formen daet voornamelicxt bestaet int ontsteken ofte branden."), 'wassendesne' voor hyperbool en 'lanckrondt' voor ellips, 'bijl' voor trapezium, 'vlackvat', 'duysteraer' voor ecliptica, en andere (2).
Stevin maakte een nieuw woord als de letterlijke vertaling uit het Latijn volgens hem niet precies de betekenis weergaf. En dit resulteerde wel eens in wat langere woorden dan hij misschien gewild had. Een duidelijk voorbeeld hiervan vinden we in de 'Meetdaet' (2, v. 13):
Daer gheschien int rondt twee besonder vermaerde sneen, d'eene met twee halfmiddellijnen, wiens deel ick halfmiddellijndeel noem [DABC], d'ander met een peez ick peezdeel heete [ABC]:De woorden 'snijder' en 'snee' waren kennelijk met spijt afgekeurd: te ruime betekenis. We mogen ze gebruiken, maar het kan preciezer. Het 'halfmiddellijndeel' heeft nu toch weer de naam sector. De 'peez' (zoals de pees die een boog spant) heet nu koorde, het 'peezdeel' segment. In een boek waar je dat niet zou verwachten, de Sterctenbouwing, staat Stevin ettelijke malen stil bij de etymologie van een woord. Bijvoorbeeld: bolwerk, Ghelijck het reetschap dat de uijren oirdentlick beteyckent, sijn naem heeft van werck ende uijr, als oftmen wilde segghen een werck dat de uijren onderscheyt, alsoo crijcht dit hooft den naem bolwerck, van weghen werck en bolle, twelck soo veel te segghen is, als werck om te wederstaen de bollen of clooten des viants die daer op gheschoten worden, oock om van daer bollen na den viant te schieten.Nu moeten we hem ongelijk geven (Etym. Wb: bolle - boomstronk, en: bolwerk - een met hout versterkt verdedigingswerk). Maar hij heeft gelijk als hij even verderop zegt dat het Franse 'boulevard' komt van ons woord bolwerk. Een verhoging op een bolwerk heet een catte: Ghelijck een catte sit en pronct ende en loert na de muys, ende eenighe int ghesicht ghecreghen hebbende, haer beste doet om die te vernielen, alsoo oock desen berch [...]Etymologie was nog geen wetenschap. Maar Stevin wilde er meer mee dan zomaar wat spelen (blz 4): "schuwen alle misverstant; dat dicwils uijt onverstaen woorden inde sake volght", en het beste is: "de reden meer plaets te gheven dan quade ghewoonte." Op blz 83 van de Sterctenbouwing staat de opmerking: Maer ick vreesende of den Drucker de papieren eintlick den Apotekers tot peperhuijskens moest vercoopen, als niet wetende hoe langhe de Neerlanders liever sullen segghen ghelijck papegaeyen, conterscherpen, flanckeren, zapperen, dan als menschen met kennis der sake, cabeschoeysels, strijcken, graven, hebbe mijn aerbeydt, ende des Burgmeesters de Grootens [3] voorder oncosten ghespaert, daer hy ten ghemeenen oirboire meer dan middelmatich toe gheneycht is. BloemkensHier volgen enkele voorbeelden van mooie korte formuleringen.In de Bewijsconst: de Ghewoonte, die niet t'onrecht d'ander Natuere, gheseyt wortIn de Tsamespraeck van Ian en Pieter: En laet ons maer wenschen naer t'gene de Natuere wil, ende t'sal al gheschien naer ons begheeren.Daar vinden we vaak rijmplezier, bijvoorbeeld op blz 144: het is genouch vande duere, want te wijle ick my hier inde duere met de duere alduere becommere, soo loopt d'ure gheduerich duere, duer e[e]n luere van een questieEn op blz 147: Is dat Argumenteren? bat het is Tormenteren;Zoals ook in de 'Vytspraeck' (bij 2 hierboven): gheen oirdeel van gheleerden, maer van verkeerdenHet woord 'verkeerd' gebruikt hij in de zin van 'omgekeerd'. Hier dus: ze hebben het bij het verkeerde eind. In de Weeghconst staat: Sichteinder is des weerelts grootste rondt, dat haer sienlick deel scheydt van het onsienlickDeze mooie definitie komt na een klacht dat "den onghevallighen slaep des Spieghels der talen" (tijdens de 'woestheyt' van onze voorouders) niet toegelaten heeft dat 'sichteinder' bij ons zo gewoon is als 'horizon' bij de Grieken. Na de Bepalinghen komen de Begheerten, over "bedectelicker" zaken die den berispers tot stof souden dienen, om te straffen t'ghene gheen straf en verdient ![]() En dan de beroemde hefboomwet, het eerste van vele Voorstellen: Wesende twee evestaltwichtighe swaerheden, In de natuurkundeles wordt bij het onderwerp katrollen nog wel eens aangehaald "dese ghemeene weeghconstighe reghel": Ghelijck wech des doenders, tot wech des lijders,De wet van Archimedes: Yder stijflichaems swaerheyt is so veel lichter in t'water dan in de locht, als de swaerheyt des waters met hem evegroot.Bij een wand ('bodem') onder water, zoals een sluisdeur, is van belang het swaerheyts middelpunt [...] vande macht des gheprangs vergaert inden bodemIn Anden Leser bij het 'Waterwicht': want datter niet in en is en cander niet uytghetrocken wordenIn De Thiende: dat de Werelt door des Sterreconsts Rekeningen, als Maeckende Oirsaecke der constighe verre Seylaigen [...] een prieel der wellusticheydt geworden is, overvloedich tot velen plaetsen, van dies [met dingen die] het Eertrijck daer nochtans uyt der Natueren niet voortbrenghen en can.In Het Burgherlick Leven: Wachaerme, tis voor een doofmans deure gheclopt In de Wisconstige Gedachtenissen voor prins Maurits staat een kernachtige zin die veel van Stevins werk typeert: weten is een dinck deur de oirsaken verstaenDit in het begin van boek 1 . Vaak blijkt (zoals op blz 186) dat deze mening werd onderschreven door de prins zelf, diens mare (sonder stoffering geseyt) rontom den Eertcloot looptHier bij staat dat het beoefenen van de 'vrije kunsten' ten koste kan gaan van "ander saken die de schoorsteen doen rooken". En: velen vonden dat de prins er te veel tijd aan besteedde. Karakteristiek voor de persoon Stevin, in de Anhang van boek 1: ick acht datmen soo veel ware stof vindt om sich in te oeffenen, dattet niet noodich en is sijn tijt in straffing van ymants dwalingen te slijtenDiscussies zet Stevin nooit tussen de leerstof, maar altijd in een Anhang. Nu volgt dus kritiek op anderen. Maar die zijn: soodanige, dat ick my niet schamen en soude, in desen self meerder fauten begaen te hebben dan sy: welcke, sooser sijn, my soo lief waren door ander verbetert te sien, als dese verbetering self te schrijvenEigen dwalingen worden zo nodig ook vermeld: Ymant mocht nu segghen dat te groote neuswijsicheyt int stick van bepalinghen lasterlick is, [...] ghelijck ick voor my in desen handel ghewaer ben worden, alwaer ick volghende de naem Vervulling [complement], wilde vervullen of toe doen, daer de sake ter contrari aftrecking vereyschteIn het Eertclootschrift een mooie definitie van de Aarde: Eertcloot {Globus terrestris.} is het roerende weereltlicht dat wy bewoonenEn in boek 2 hiervan: Het schijnt dat den eersten Roerder alles in geduerich roersel wil hebben, soo wel int ansien der deelen als des heels, want den gantschen Eertcloot niet alleen heur jaerlickschen loop om de Son en doet, en de daghelicksche op haer eygen as, maer de verscheyden stoffen daerse uyt bestaet, hebben een gheduerige vermenging en beweging deur malcander.In de Hemelclootsche Werckstucken: Den oirspronck des naems Evenaer is dese: De Son schijnbaerlick in dat rondt commende, dach en nacht is evelanck over t'gantsche eertrijck: En van weghen de evening deur dat rondt alsoo veroirsaeckt, wordet evenaer geheeten.In de Spiegheling der Singconst: die wel onderscheyt die leert vaecDit lijkt sterk op: Die wel Verspreyt, die leert wel, volgens de Bewijsconst (blz 60) een "ghemeen woort". In een brief over de Singconst: wilt my uyt den droom helpen, of u selven daer in brengenIn Hendrik Stevins 'Waterschuyring onses Vaders': dat alles Godts werc te wesen openbaer is, maer al te eenvoudelic te gelooven, dat de menschen hun daer me te vergeefs becommeren, is onnut In de Wijsentijt zijn nog meer "bloemkens van woorden en spreucken" te vinden (deze uitdrukking staat daar in het stuk over de eigen taal). UitlegStevin kon ingewikkelde dingen op een simpele manier uitleggen. Dat hij dit ook voor zichzelf belangrijk vond bleek al hier boven: "oock self den Vinders". Hij zegt het expliciet in de Hemelloop:Soo ist gebeurt dat t'ghene ick aldus voor anderen bereyt hadde, my self tot inleyding verstrecte, om tot spiegeling te geraken die my beter dochtAls je het uitlegt snap je het beter!
Wat Stevin ook goed kon was: simpele dingen mooi toelichten. Het is misschien om dit laatste dat zoon Hendrick zijn bekende lijfspreuk "Wonder en is gheen wonder" aanvulde met "en gheen wonder is wonder". Hangen, liggen, staan, zittenYemant mocht hier noch de verclaring begheeren des verschils tusschen hanghen en ligghen, waer op d'antwoort is dat wy een lichaem voor hanghende houden, als siin swaerheyts middelpunt is onder, oft int tghenaecsel daert op rust; Sokken en kousenalsoo wy tot onse nootlickheyt de teenen niet verscheyden en behouven, wy stekense wel altegaer in een socke, ofte voetelinck, maer beyde de beenen t'samen in een cousse te steken, dat en staet niemant toe, sulck cleyt en wil niemant hebben, want ghemerct wy de beenen verscheyden moeten ghebruijcken om te gaen, soo vereyscht de reden datmen elck been sijn besonder cousse gheve Een ander schaeuEen mooi stukje uitleg over het zien staat in het Derde Stuck der Wisconstighe Ghedachtnissen - Vande Deursichtighe (over het 'perspectief'). Wat je ziet is een beeld van de werkelijkheid, en het kan daarvan verschillen:dat wy geen wesentlicke saeck self en sien, maer alleenelick de schaeu van dien, misschien op een ander plaets, t'welck aldus bethoont wort:Stevin heeft wel hard tegen zijn oog geduwd! Wie doet hem dat na? Wel kunnen we de proef nadoen die even verder staat (en die ons doet denken aan de brekingswet van de boven genoemde Snellius): Merckt noch dat uyt verscheyden ander oirsaken dan deur t'oogh, de schaeuwen van haer wesentlicke saeck wijcken, als diemen int water meynt te sien; want noyt mensch en sach, niet alleen eenige wesentlicke saeck int water, maer oock niet de selve schaeu die hy inde locht daer af sien can, dan een ander schaeu tot een ander plaets: Deze nog steeds verrassende proef met een munt in een bak was al in de Oudheid bekend, en werd in 1593 beschreven door Giambattista della Porta (4). Stevin kan nog geen verklaring geven, en dat hij dit ook niet doet is tekenend voor zijn nuchtere beschouwing van de werkelijkheid: een duidelijke beschrijving is voorlopig voldoende. Ook lucht, vuur en glas kunnen de werkelijkheid vertekenen: Ende soo gadet oock mette hemelsche lichten, diens schaeuwen boven den sichteinder {Horizontem.} ghesien worden, eer de wesentlicke lichten self daer boven sijn, t'welck een ander schaeu is veroirsaeckt deur de vochticheden des lochts.Van de 'wanschaeuwing' der 'hemelsche lichten' staat een opmerkelijk voorbeeld in Stevins werk over sterrenkunde, de 'Hemelloop': op Nova Zembla zagen Willem Barents en de zijnen de Zon terwijl die onder de horizon was.
Stevin heeft bij het schrijven van de 'Deursichtighe' kennelijk nog niet de verrekijker in handen gehad. Het kwam uit in 1605, Hans Lipperhey vroeg patent aan in 1608, en Galileï begon zijn waarnemingen ermee in 1609. Noten |
|

Afbeelding rechts (IMSS) in: La sfera del mondo di m. Francesco Giuntini (1582), p. 70. Duidelijk wordt aangegeven hoe lichtstralen breken die vanaf de munt (Denarius) omhoog gaan, en waar de munt verschijnt (Aparit.). Maar de volgorde van deze verschijningspunten moet andersom: de meest rechtse straal breekt het meest, zodat de munt het hoogst lijkt te zijn; de linker straal gaat bijna loodrecht omhoog naar het wateroppervlak, en zal bijna niet breken; de munt verschijnt dan juist het laagst.
Er bestonden vreemde verklaringen voor de lichtbreking: Alhazen (ca. 1000) schreef zulke effecten toe aan de bolvorm die een wateroppervlak moet hebben, zoals het oppervlak van de Aarde. Seneca dacht dat een appel in een rond glas met water er ongewoon uitziet doordat het oog onder water geen greep kan krijgen op de appel. En twee eeuwen na hem meende Alexander Aphrodisiensis een betere verklaring te hebben: een deel van het water neemt de kwaliteit van de appel aan, zodat deze groter lijkt.
René Descartes vergeleek de breking van licht in water met de richtingverandering van een balletje dat in het water geslagen wordt (zie de uitleg in de vertaling van Glazemaker, 1659, pp. 61-63, 68-71).
Christiaan Huygens noemt een dergelijke proef met een ring, toegeschreven aan Archimedes (Oeuvres, 13, 5). «